Essay Machiavelli in Amerika

Vrede in het moeras

Een goed vorst straft met harde hand wie zich misdraagt, maar hij beseft ook dat hij iedereen tegen zich krijgt als hij in het wilde weg om zich heen blijft meppen. Aldus Machiavelli. Amerika heeft dit niet gehoord.

Met de aanvallen op Afghanistan en zijn infrastructuur willen de Amerikanen de terroristen bestrijden die de gruwelijke aanslagen op New York en Washington hebben gepland en uitgevoerd. Volgens de Amerikanen is het huidige terrorisme een wereldwijd vertakt fenomeen, dat verschilt van eerdere vormen van gewelddadigheid of oorlogsvoering: «In the twentieth century war was made on civilians, in the twenty-first it is made by civilians», was een van de opvallendste citaten van de laatste dagen. «By and on civilians», was adequater geweest, want bijna alle slachtoffers van de terreurdaad waren burgers, uit meer dan zestig verschillende landen. Maar, als dit zo is, wat doet Amerika dan in Afghanistan? Er is nog geen terrorist gepakt, terwijl van de infrastructuur van het land al na twee aanvallen bijna niets meer over was.

Vrijwel iedereen erkent dat de aanslag vraagt om een duidelijke reactie. De vraag is alleen welke dat moet zijn, en veel wijst erop dat deze oorlog die geen oorlog mag en wil zijn, een allesbehalve duidelijke reactie is. De Amerikanen hebben al veel negatieve of op zijn minst problematische ervaringen met dit soort interventies, maar die ervaringen worden op de een of andere wijze nooit verwerkt. Het is kortom wederom de vraag of «wereldleider» Amerika op de juiste wijze omspringt met zijn macht en status.

Een goed vorst kent zijn onderdanen, aldus Machiavelli. Zo’n vorst straft met harde hand wie zich misdraagt, maar hij beseft tegelijkertijd dat je tenslotte iedereen tegen je krijgt als je in het wilde weg om je heen blijft meppen. Je kunt beter orde scheppen door middel van wetten en regels, in plaats van elk miniem kwaad onmiddellijk met een overdosis geweld de kop in te drukken.

Met Machiavelli zou je de VS de hedendaagse vorst kunnen noemen, en wel van de wereld als geheel. Sinds de ineenstorting van de Sovjet-Unie kennen de VS geen concurrent meer als het om macht gaat. En alweer volgens Machiavelli is dat in feite de ideale situatie als het om de uitoefening van macht, en dus om regeren gaat: alleen hij die geen tegenstand heeft of duldt, kan echt regeren. Aan die ideale situatie zijn de VS nu alweer een decennium gewend geraakt, maar zij hebben in diezelfde periode erg slecht geluisterd naar de stem van Machiavelli. Die wees toch heel nadrukkelijk op het feit dat om te kunnen regeren, je erg goed op de hoogte moest zijn van het wel en wee van je onderdanen. En als er iets kenmerkend was en is voor de houding van de VS in de wereldpolitiek, dan is dat wel dat ze ondanks alle informatie die ze wereldwijd verzamelen, geen of weinig inzicht hebben in de wijze waarop het elders in de wereld toegaat, ook al zetten ze keer op keer uiterst deskundige diplomaten in om vastgelopen conflicten weer open te breken, zoals ooit Kissinger in het Midden-Oosten en later Holbrooke in Joegoslavië. Zij bleken ideale brandenblussers, maar hebben de situatie in beide gebieden niet echt kunnen veranderen.

Als vorst van de wereldpolitiek falen de VS op vrijwel alle terreinen. Dat mag klinken als een hard oordeel over een natiestaat die zich in het verleden uitsloofde om de nazi’s in Europa te verslaan en die weerstand bood tegen het totalitaire communisme en in die zin van cruciaal belang was voor ons Europeanen. Het mag ook klinken als een te snelle veroordeling van een natie die in de periode van dekolonisatie in menig opzicht de zaak van de gekoloniseerden steunde.

Echter, het negatieve oordeel over de VS wordt al wat minder onbegrijpelijk als we de schijnwerpers eens niet op Europa of de oude kolonies richten, maar op de rest van de wereld op dit moment. Het lijkt erop dat de VS ondanks alle economische contacten en belangen in de wereld op politiek gebied over weinig of de verkeerde kennis beschikken en navenant ontactisch opereren, zeker als het landen of continenten betreft die weinig gemeen lijken te hebben met de Amerikaanse cultuur en samenleving. Nog belangrijker is het besef dat het ingrijpen van de VS in de meeste gevallen verkeerd uitpakte, niet alleen voor degenen die toevallig in Vietnam of Kosovo woonden, maar vooral ook voor de VS zelf. Met name Vietnam liep uit op niet minder dan een binnenlands trauma dat eindeloos werd herhaald in speelfilms, romans en televisieseries. Laten we de latere mislukte operaties elders in de wereld nu even buiten beschouwing (Somalië bijvoorbeeld), dan resteert toch de simpele constatering dat de VS intern misschien een betrekkelijk aangename samenleving vormen, die in culturele zin een enorme aantrekkingskracht heeft op de rest van de wereld, maar als leidende politieke macht in de wereld een vaak uiterst dubieuze en weinig succesvolle rol spelen.

Wie bovenstaande opmerkingen over de rol van de VS had gemaakt voor de terroristische aanslagen op 11 september, had daarbij zeker ook opgemerkt dat de dubieuze rol van de VS als wereldleider met name de laatste maanden extra reliëf had gekregen door het extreme isolationisme van de regering-Bush. Bush meende de ene na de andere internationale afspraak nadrukkelijk en op arrogante wijze te moeten negeren, van de ratificatie van het verdrag van Kioto tot dat van het internationale strafhof, negatieve beslissingen die op nogal pijnlijke wijze het ongemak en onvermogen van de VS ten aanzien van alle supranationale instituties en besluitvormingsprocessen zichtbaar maakten. Dit ongemak is niet nieuw, het bleek ook uit de onwil van eerdere Amerikaanse regeringen hun reguliere bijdragen aan de Verenigde Naties te voldoen.

Na 11 september heeft dergelijke kritiek op de VS op het eerste gezicht haar vanzelfsprekendheid verloren, of preciezer: ze is minder eenvoudig op een «onschuldige» manier tot uitdrukking te brengen, simpelweg omdat ze nu uitdrukking van een partijdigheid in een omvattend conflict lijkt te zijn geworden. Het spectaculaire karakter van de aanslag en de fysieke omvang ervan noopten vrijwel onmiddellijk tot de constatering dat «de wereld na 11 september een heel andere zou zijn», iets wat niet alleen te horen was in de live registratie van spektakelzender CNN («voor al uw oorlogen»), maar ook in de debatten en reconstructies achteraf bleef doorklinken.

Ook in Nederland worden twijfelaars ogenblikkelijk afgerekend op hun al te zwakke of dubbelzinnige reacties op de terreurdaad: net als bij de Navo-actie in Kosovo wordt GroenLinks verweten hypocriet te zijn (dat zal stemmen kosten!), en erger dan dat: de SP krijgt plots het verwijt dat in haar verkiezingsprogramma staat dat Nederland uit de Navo moet. Marijnissen was nog net in staat op de radio uit te leggen dat de SP dat altijd al vond, en dat die opinie niets van doen had met de elfde september. Dit alles is het curieuze resultaat van het gegeven dat vrijwel niemand in leidende politieke kringen in staat lijkt iets duidelijks te zeggen over de aanslag van 11 september. Hier lijkt nader onderzoek vereist.

Het klassieke terrorisme, bijvoorbeeld dat van de gewelddadige Russische anarchisten in de negentiende eeuw, of dat van de Baskische separatisten, was doorgaans direct gericht op de staat en zijn representanten. Door de despoot te doden, hoopte men de staatsmacht te breken. Veel hedendaags terrorisme lijkt een dergelijk eenduidig doelwit te missen. De haat jegens «Amerika» die uit de aanslagen spreekt, is niet zozeer gericht op de staat Amerika, maar veeleer op een tegelijk politieke, economische en culturele hegemonie van al wat naar «Amerika» riekt. De fanatieke Palestijnse «levende bommen» zijn evenzeer minder gericht op de staat Israël dan op zoiets als een joods-westers-Amerikaans cultureel complex.

Een dergelijke houding was voor het eerst te vinden bij de Rote Armee Fraktion in Duitsland, die zich aanvankelijk onledig hield met ludieke aanslagen op warenhuizen als symbolen van het consumentisme en kapitalisme. Toen deze linkse terroristen actief waren, was er niemand die een twee deling suggereerde tussen orde en chaos, of tussen het Westen en de rest. Hooguit militariseerde de West-Duitse samenleving en werden democratische verhoudingen verstoord door overdreven neigingen tot repressie van afwijkende meningen en gedragingen. Maar de algemene opinie luidde dat de Rote Armee Fraktion een idiote afwijking van de normale verhoudingen vormde, en als politieke factor niet serieus diende te worden genomen. Toch meenden ook deze terroristen dat er sprake was van een mondiale strijd tussen het kapitalistische Westen en de onderdrukte Derde Wereld.

Waar het nieuwe terrorisme van leeft, is tweeërlei. Enerzijds bestaat het dankzij de inherente zwakte van moderne politieke macht, die juist vanwege de grote kwetsbaarheid van een hoog-technologische samenleving «totale veiligheid» steeds weer moet afwegen tegen het verlangen naar vrijheid van de bevolking. Anderzijds leeft het van het spektakelkarakter van moderne samenlevingen, die in belangrijke mate worden gedragen door een invloedrijk netwerk van beeldende media. De media van het beeld zijn de snelste en de voornaamste factor in de spontane culturele zelfbevestiging van culturen, naties en natiestaten. De televisie is in hoge mate de samenleving die wij vormen. Terrorisme teert op spectaculaire beelden, en explosies en de gevolgen ervan zijn het ultieme spektakel. De massaliteit van veel moderne cultuurvormen levert een ideaal object voor dat spektakel op, waarin het gevoel van alledaagse veiligheid op bijna carnavaleske wijze om kan slaan in totale en massale paniek. In die zin is iedereen die deel uitmaakt van «het veilige Westen» inderdaad potentieel object van de nieuwe terreur.

Lockerbie, de aanslagen op markten en supermarkten in Tel Aviv en Jeruzalem, de kaping van het cruiseschip Achille Lauro: steeds lijken het daden die vooral als gruwelijk spektakelstuk zijn bedoeld. In al die gevallen is sprake van een onoverbrugbare kloof tussen de daad en de mogelijke politieke effecten ervan. Anders gezegd: al deze daden zijn essen tieel irrationeel. De enige rationaliteit die eraan valt toe te kennen is de terreur zelf: het gaat om daden die angst dienen te zaaien. Ze dienen geen enkel strategisch doel, ze vertegenwoordigen een louter tactisch doel: het tijdelijk verstoren van de bestaande politieke en culturele orde. In die zin maakt terrorisme deel uit van het arsenaal van de machtelozen, om met de Franse historicus Certeau te spreken, omdat terrorisme altijd een reactieve politiek vertegenwoordigt op het «grondgebied» van een oppermachtige opponent.

Certeau was vooral geïnteresseerd in tactieken die de effecten van de macht als het ware omvormden ten gunste van de machtelozen, terwijl de tactiek van de terreur een stap verder gaat: zij is niet geïnteresseerd in het uiteindelijke effect dat haar daden voor de machtelozen heeft, ze wil alleen «de macht» ridiculiseren door haar te kijk te zetten in de media, die op achteloze wijze diezelfde macht dagelijks bevestigen. Natuurlijk moet het Robin Hood-effect van het terrorisme niet worden onderschat: de ridiculisering van de macht zal zeker haar effecten sorteren bij degenen die het meest te lijden hebben van diezelfde macht. Die effecten zullen echter in de meeste gevallen louter psychologisch zijn en bovendien van tijdelijke aard. Politiek effect zou het terrorisme alleen dan kunnen sorteren indien het was verbonden met een meer of minder openbare of legale politieke beweging die in staat is de gevoelens van onvrede verder te brengen dan het banale niveau van leedvermaak. Naar hun aard is het voor terroristische bewegingen echter vreselijk moeilijk levensvatbare contacten te onderhouden met officiële en algemeen erkende verzetsbewegingen.

Andersom blijkt doorgaans dat wanneer zulke institutionele verbanden of relaties wel bestaan, zij contraproductief blijken te zijn op het moment waarop de «officiële vleugels» van het verzet politieke successen beginnen te boeken: het terrorisme blijkt dan ineens geen werkbare politieke factor te zijn, geen betekenisvolle fase in een proces van bevrijding of emancipatie, maar slechts een storend irrationeel element in het proces van politieke verandering. Zo zitten Hamas, Jihad en Hezbollah de politieke emancipatie van de Palestijnen al jarenlang in de weg, is de gewapende tak van de Sinn Fein, de Ira, het zwaarste blok aan het been van degenen die het Noord-Ierse conflict pogen op te lossen, en heeft Eta zich inmiddels nagenoeg onmogelijk gemaakt onder min of meer rationeel denkende Baskische separatisten.

Terrorisme is irrationeel, maar daarom niet onbegrijpelijk, ook al blijft het een in hoge mate onvoorspelbaar fenomeen. In plaats van het terrorisme bij voortduring te politiseren, bijvoorbeeld door staten of regeringen ter verantwoording te roepen die terroristen zouden steunen of tolereren, of door te spreken van een oorlog tegen de terreur (als de voortzetting van de politiek met andere, gewelddadige middelen), zou het veel verstandiger zijn om het te beschouwen als een civiel probleem, als een defect van onze eigen burgerlijke samenleving, kortom als een irrationeel of contradictoir aspect van ons eigen politieke en maatschappelijke stelsel. Het terrorisme lijkt uiteindelijk meer op een fenomeen als de elkaar bestrijdende gangs in de zwarte getto’s van de VS, of op de criminele legertjes kindsoldaten in West-Afrika, dan op een serieus te nemen politieke opponent van «het Westen» met een doortimmerd ideologisch programma. Osama bin Laden is wat dat betreft een haast perfect voorbeeld: een wild geworden miljardairszoontje dat gebruikmaakt van de gevoelens van machteloosheid in de moslimwereld, zonder die gevoelens om te zetten in een serieus politiek programma. Bin Laden is intussen geworden wat hij vermoedelijk altijd wilde worden: de Hollywood-ster, de mediagenieke Duivel voor wie zijn terroristen dood en verderf zaaien onder onschuldigen, precies zoals de zwarte gangs elkaar afmaken met de Grote Blanke Vijand in het achterhoofd.

Een probleem blijft het terrorisme intussen echter wel, en een haast onoplosbaar probleem, juist omdat zijn irrationaliteit niet zozeer of niet alleen in de hoofden van de terroristen zelf zit (het zijn geen gewone «geestelijk gestoorden»), maar deel uitmaakt van onze eigen politiek-maatschappelijke orde. Terrorisme teert op verwaarloosde en eindeloos voort woekerende problemen, die natuurlijk wel allerlei aanwijsbare oorzaken hebben, maar waarvoor doorgaans niet echt direct verantwoordelijken of schuldigen zijn aan te wijzen. Daardoor is het altijd mogelijk om de meest machtige partijen in de wereld alsnog verantwoordelijk te stellen: als zij al geen schuldigen zijn, dan hebben zij toch gefaald om hun macht ten goede aan te wenden. Zonder een dergelijke argumentatie over te nemen, behoort het wel degelijk tot de verantwoordelijkheid van de machtigen om zich dit probleem niet alleen aan te trekken, maar het bovendien ook te beschouwen als hun probleem.

Terrorisme is een probleem van de dominante politieke machten, van hun onvermogen zichzelf te legitimeren en respect af te dwingen. De grootste fout die deze machten kunnen maken (en die fout wordt nu inderdaad gemaakt) is te suggereren dat het terrorisme niet hun probleem is, maar van buiten komt. Om dat waar te kunnen maken, wordt van terroristen een serieus politiek gevaar gemaakt, een bedreiging van de legitieme politieke orde van «het Westen» door verklaarde vijanden van buiten. Zoals Bush senior zijn war on drugs inrichtte als een strijd tegen aliens die de jeugd van Amerika van buitenaf trachtten te drogeren, zo organiseert Bush junior een oorlog tegen een onmenselijke vijand uit een ver, onherbergzaam en onbeschaafd rijk van het kwaad. Zoals het WTC door zijn vernietiging ineens het fallische symbool bleek te zijn van het Kapitaal, zo is het arme Afghanistan nu het equivalent geworden van Hollywood-fantasieën omtrent een door Indiana Jones te penetreren Binnenland van de Duivel.

Wie beseft dat terrorisme een intern probleem van hoog-industriële, complexe samenlevingen is dat niet valt op te lossen door te strijden tegen een duivelse vijand van buitenaf, realiseert zich tegelijkertijd dat de Amerikanen en hun bondgenoten momenteel drie wegen tegelijk bewandelen om dat terrorisme te bestrijden, waarvan er twee volkomen rationeel en legitiem zijn, twee wegen die echter door de derde radicaal in de weg worden gezeten. Volkomen juist is de poging om zoveel mogelijk Arabische en islamitische staten aan zich te binden in een internationaal bondgenootschap tegen terreur. Volkomen juist is de stilzwijgende en politionele aanpak van de netwerken die het terrorisme mogelijk maken, tot en met de infiltraties in Afghanistan zelf (die ongetwijfeld illegaal zijn, maar daarom nog niet illegitiem). Compleet contraproductief en irrationeel is de aanhoudende oorlogstamtam die inmiddels een aanval op Afghaans grondgebied onvermijdelijk heeft gemaakt, waarbij meer bondgenoten betrokken zullen raken dan van tevoren voor mogelijk werd gehouden.

Waarom slaat Blair, «ervaringsdeskundige» op het terrein van terrorisme op eigen grondgebied, harder op de oorlogstrom dan wie ook? Waarom grepen de Amerikanen de relatieve stilte van twee weken na de aanslag niet aan om de oorlogsretoriek van de eerste dagen serieus af te zwakken en om te zetten in een realistisch en begrensd programma van strijd tegen en onderzoek naar terrorisme en naar de daders van de aanslag?

Het is duidelijk dat de irrationele logica van de aanslag op het WTC en het Pentagon voor de Amerikanen onaanvaardbaar is. Men is op zoek naar «echte» vijanden, naar «serieuze» tegenstanders, maar die zullen onvindbaar blijven, letterlijk en figuurlijk. Bush heeft een plek gevonden waaraan het terrorisme op symbolische wijze kan worden verbonden: de «schurkenstaat» Afghanistan. Maar de terroristen die het WTC en het Pentagon vernietigden woonden in Duitsland en de VS zelf. Het waren «gewone» en daarmee onzichtbare burgers die vlieglessen volgden bij burgermaatschappijtjes en die het goed konden vinden met hun hospita of buurvrouw. Netwerken, en dus ook terreurnetwerken, hebben geen evident centrum, terwijl traditionele oorlogsvoering uitgaat van «centra» of «brandhaarden», van een vesting die dient te worden ingenomen, kortom.

De marxist Antonio Gramsci keerde zich al in de jaren dertig van de vorige eeuw tegen de idee dat «de macht» een duidelijk centrum heeft, dat je een revolutie wint door het Witte Huis, het Winterpaleis of Huis ten Bosch in te nemen. Een revolutie is een lange-termijnproject waarin het erom gaat zoveel mogelijk medestanders te winnen, om vervolgens te trachten je tegenstanders «om te praten», dat wil zeggen te bewegen coalities aan te gaan waarin je zelf de hegemonie poogt te winnen. Gramsci’s inzichten zijn alleen maar belangrijker geworden, niet alleen als het gaat om consensusvorming in democratische samenlevingen, maar ook in de omgang met allerlei ideologische en quasi-politieke, criminele netwerken op internationale schaal. Terreurnetwerken komen niet in aanmerking voor overleg of consensusvorming, ze dienen te worden geëlimineerd. Dat zal echter alleen lukken als de idee wordt losgelaten dat ze een duidelijk centrum hebben, of een echte leider, of een schurkenstaat die bij gebrek aan beter verantwoordelijk kan worden gesteld.

Terrorisme maakt gebruik van een angst die inherent is aan het soort samenleving waarin wij leven: grootschalig, anoniem, complex, gestuurd door ingewikkelde technologieën, en vooral ook massaal. Slachtoffers kun je maken in de metro, in vliegtuigen, in grote gebouwen, op markten et cetera. Meer wijsheid kent het terrorisme niet. Het benadert de «logica» van een natuurramp — en juist dat maakt het terrorisme tot zo’n onmogelijke en hopeloze vijand.

Echter, mocht het zo zijn dat het terrorisme een blijvend probleem vormt, dan worden de contouren zichtbaar van een nieuwe situatie waarin de hele idee van oorlogsvoering naar de achtergrond verdwijnt om plaats te maken voor een toestand van «eeuwige vrede», waarin terrorisme wordt begrepen als een nog steeds moeilijk oplosbaar, maar vooral intern probleem. Zoiets als de fileproblematiek in de Randstad, of de openbare veiligheid, maar dan een stuk acuter en gevaarlijker. Ook dat zijn problemen die overal voorkomen: in Los Angeles, Singapore, Cairo en Amsterdam. Ze zijn endemisch en verschrikkelijk, maar niemand denkt erover een internationale coalitie in het leven te roepen om ze te bestrijden. Voor terrorisme geldt hetzelfde: het is een epifenomeen van de eeuwige vrede dat ons is toegevallen sinds het einde van de Koude Oorlog, een gift die ons inderdaad is ontgaan.

De achttiende-eeuwse filosoof Immanuel Kant beschouwde de «eeuwige vrede» als een toestand waarin een losse federatie van staten op wereldschaal bestaat, die niet door één staat wordt gedomineerd of zelf weer de vorm van een superstaat aanneemt. Hij beschreef de eeuwige vrede niet als een soort paradijselijke toestand, maar eerder als een reeks minimumeisen voor een enigszins aanvaardbare wereldsamenleving die voor het overige (nog) alle trekken van een onaangename natuurtoestand had. Een natiestaat die, zoals de VS, als wereldleider fungeert, past echter niet in zijn beeld van die eeuwige vrede.

Het de facto wereldleiderschap van Amerika en de militaire suprematie van de Navo zijn een erfenis van de Koude Oorlog, waarmee we intussen steeds minder goed uit de voeten kunnen. Het veroorzaakt politiek ongemak bij vrijwel elk groot conflict: waarom intervenieert de «vorst» Amerika wel in het ene en niet in het andere geval? Wat zit daar achter? Specifieke Amerikaanse of westerse of kapitalistische belangen? Waarom steunt Amerika notoir despotische regimes, zoals Chili in de jaren zeventig en Saoedi-Arabië of Irak in de jaren tachtig, terwijl het zich tegelijk keert tegen andere dictaturen, zoals Lybië of Irak in de jaren negentig?

Het machiavellistische antwoord van de Amerikanen zou (terecht) luiden: het gaat daarbij steeds om de hegemonie, de dominantie van de VS in de wereldpolitiek. Daar is geen speld tussen te krijgen, en dat vormt tegelijkertijd het grootste mondiaal-politieke probleem van dit moment: de mondiale soevereiniteit van de VS. Alleen de VS kunnen het zich permitteren oorlogen te verklaren en in te gaan. Alle andere natiestaten volgen, soms tegen wil en dank, of protesteren met zwakke stem.

Psychologisch zou de terroristische aanslag van de elfde september mogelijk gevolgen kunnen hebben voor de uitzonderingspositie van de VS. Immers, voor het eerst werd Amerika zelf getroffen, voor het eerst sinds de burgeroorlog sneuvelden Amerikanen op hun eigen grondgebied. Het is niet uitgesloten dat het nieuwe besef van kwetsbaarheid op de langere termijn leidt tot een andere houding van de VS, of althans van de Amerikaanse burgers, jegens de rest van de wereld, een houding die meer neigt naar coöperatie en consensusvorming en minder naar dictaten en isolationistische gebaren.

De wereldpolitiek van de vorst Amerika heeft jarenlang in het teken gestaan van een soort politieke smetvrees: men stelde het beleid af op het bestaan van «schurkenstaten» of «imperia van het kwaad», waar de Amerikanen zich verre van dienden te houden. Nu, voor het eerst, dook het politieke kwaad plots binnen de grenzen van de meest schone staat ter wereld op, God’s own country was ineens zelf besmet. Alles wijst erop dat Bush bezig is de besmetting op middeleeuwse wijze te bezweren, door de heksen (Bin Laden, de Taliban en het besmette Afghaanse territorium en volk) te verbranden. Op die wijze politiseert Bush het terrorisme: hij bestempelt het tot een serieuze politieke opponent van de politieke hegemonie van de vorst Amerika.

De eeuwige vrede is daarentegen vooral gediend met het politiseren van de voedingsbodem van het terrorisme. Die voedingsbodem verdwijnt op het moment waarop Amerika een «gewone» staat onder staten wordt én de meest extreme negatieve effecten van de huidige wereldeconomie worden weggenomen — en dat laatste betekent dat niet zozeer de onveiligheid in de westerse samenleving moet worden bestreden, maar juist de onveiligheid en uitzichtloosheid van het bestaan in de rest van de wereld. Dat gaat niet alleen om economische, maar juist ook om politieke ellende!

Terrorisme leeft van angst en van niets anders. Bange politici kiezen vervolgens voor de totale hygiëne van een zuiverende oorlog met echte raketten. De terroristen in Rotterdam, Hannover, Palo Alto, Tokio, Santa Cruz, Berkeley, Liverpool, Parijs en Idaho lachen zich een ongeluk en gaan door met hun plannen. We kunnen die angst pas overwinnen als we de eeuwige vrede niet zien als een totaal klinische en gezuiverde operatiekamer, maar als een modderig moeras, waar we (alle naties) tegelijk inzitten. De Amerikanen zijn veel groter en dikker dan de andere natiestaten in het moeras, maar betekent dit dat zij beter dan anderen in staat zijn ons uit het moeras te trekken?