Heinrich Böll

Vrede is geen uniform dragen

De diensttijd van de Duitse Nobelprijswinnaar Heinrich Böll, tijdens de Tweede Wereldoorlog, vormde een belangrijke voorbereiding op zijn schrijverschap. Onder meer door de vele brieven die hij aan zijn ouders en (toekomstige) vrouw schreef.

Medium bundesarchiv b 145 bild f062164 0004 2c bonn 2c heinrich bo cc 88ll

‘Zijn er eindelijk twee goeie Duitsers, heten ze Vastbinder en Beul!’ Eigenlijk een vrij flauw grapje, van Fons Jansen, maar wel illustratief voor de wijze waarop in Nederland eind jaren zeventig naar onze oosterburen werd gekeken. Die volgevreten patsers met hun grote Schnauze en dikke Mercedessen, die maar niet in staat waren om in het reine te komen met hun bruine verleden en die toelieten dat allerlei zeer foute types decennialang hoge posten innamen, terwijl tegelijkertijd een enorme klopjacht werd geopend op iedereen die wel eens met zijn linkerbeen naast de stoep liep — ze waren nog altijd niet te vertrouwen. Slechts een handjevol kritische intellectuelen en kunstenaars leek nog het ‘andere’ Duitsland te vertegenwoordigen, het land van Dichter und Denker. Totdat hier in 1987 de pleuris uitbrak rond de opvoering van Het vuil, de stad en de dood, behoorde cineast Rainer Werner Fassbinder duidelijk tot dat kleine roedel linkse waakhonden dat moest voorkomen dat Duitsland weer het land van de Richter und Henker werd.

En dan was er natuurlijk nog Heinrich Böll, die met zijn in 1972 verworven Nobelprijs voor literatuur een enorm prestige verschafte aan het ‘andere’ Duitsland. Vanaf zijn vroegste werk, zoals in de verhalen Die Verwundung en Wanderer, kommst du nach Spa…, had Böll geschreven over de waanzin van de oorlog en over de littekens die deze had achtergelaten in Duitsland. Ook de grote romans uit de jaren vijftig — Wo warst du, Adam?, Haus ohne Hüter en Billiard um Halbzehn —stonden in het teken van de materiële en mentale verwoes ting. Terwijl gans Duitsland als één man bezig leek het Wirtschaftswunder te bewerkstelligen, uitte Böll in verhalen als Der Mann mit den Messer en Anekdote zur Senkung der Arbeits moral scherpe kritiek op de dwangneurotische wederopbouwmanie en de prestatiemaatschappij.

In de loop van de jaren zestig begon het werk van Böll steeds meer te getuigen van politiek engagement. Veel bijval oogstte Böll in 1974 met de novelle Die verlorene Ehre der Katharina Blum, waarin hij de weerzinwekkende praktijken van de boulevardpers aan de kaak stelde, alsmede de krankzinnige overkill waarmee de Bondsregering reageerde op het extreem linkse terrorisme. In zijn laatste, kort voor zijn dood in 1985 verschenen, roman Frauen vor Flusslandschaft beschreef een zwaar gedesillusioneerde Böll hoe politici keer op keer worden gedwongen hun eigen menselijkheid te verraden.

Hoewel Böll veel autobiografische gegevens in zijn werk heeft gebruikt en hij in een aantal grote interviews over zijn verleden heeft gesproken, is nog altijd niet echt duidelijk hoe hij zich heeft ontwikkeld van een brave, oer katholieke, dweperige gedichten schrijvende Keulse jongen tot nonconformistisch, maatschappijkritisch auteur. De nu gepubliceerde brieven uit de jaren 1939-1945 bieden in elk geval zeer veel materiaal dat bij een reconstructie van deze ontwikkelingsgang kan worden gebruikt.

Naar eigen zeggen is Bölls eerste herinnering de aanblik van het verslagen Duitse leger, dat eind 1918 huiswaarts keert. Dit mag dan zeer twijfelachtig zijn, aangezien hij dan net een jaar oud was, het zegt wel iets over het klimaat waarin de jonge Böll opgroeit. Vijftien is hij als Hitler aan de macht komt, zodat zijn intellectueel ontwaken min of meer samenvalt met de jaren waarin de nationaal-socialistische ideologie haar wurgende greep op het Duitse geestesleven steeds verder aanschroeft. Nadat hij in het voorjaar van 1939 zijn dienstplicht voor de Reichsarbeitsdienst heeft vervuld, mag hij eindelijk gaan studeren. Binnen een half jaar echter moet hij het uniform van de Wehrmacht aantrekken.

Op 31 augustus 1939 schrijft Böll zijn ouders dat hij hoopt dat de oorlog spoedig ‘voorgoed wordt afgeblazen’ en dat hij weer een vreedzame Zivilist mag worden. De volgende dag valt Duitsland Polen binnen. Weer twee dagen later legt Böll de eed op de Führer af en verklaren Engeland en Frankrijk Duitsland de oorlog. De Tweede Wereldoorlog is een feit en het zal bijna zes jaar duren eer Böll zijn burgerkloffie weer kan aantrekken. Hij is er dus van het begin tot het eind bij, maar hij zal uiteindelijk weinig gevechtshandelingen meemaken. Zijn frontervaring blijft beperkt tot drie weken aan de Krim en een week in Roemenië, al eindigen beide episodes wel met een verwonding. Voor het grootste deel van zijn diensttijd maakt Böll deel uit van de Duitse bezettingsmacht in Frankrijk. Hoewel hij hier een tijdje vlammenwerperinstructeur is — iets wat geen lezer van zijn latere werk zich kan voorstellen! — bestaat zijn soldatenbestaan uit eindeloos wachtlopen, corvee en exercitie. Omdat hij een allesbehalve krijgshaftig type is, dat bovendien kampt met talloze, al dan niet gesimuleerde kwaaltjes, belandt hij vrijwel altijd in onderdelen die zo ver mogelijk van het slagveld worden gehouden.

Zijn universitaire studie mocht dan door het uitbreken van de oorlog in de knop zijn gebroken, toch vormt Bölls diensttijd een belangrijke voorbereiding op zijn schrijverschap. Niet alleen is een oorlog, net als een beroerde jeugd, altijd een writer’s goldmine, ook vormen de vele brieven aan zijn ouders en zijn (toekomstige) vrouw een goede oefening. Bovendien heeft hij genoeg tijd om veel te lezen. Opmerkelijk voor wie het werk van Böll kent, is de aanvankelijk mateloze bewondering die hij koestert voor Ernst Jünger. Zelf verbaast hij zich ook, want ‘Jünger is de absolute soldaat — en ik ben de absolute burger’.

Böll bewondert de oorlogsheld en auteur van lyrische evocaties van de loopgravenstrijd in de Eerste Wereldoorlog wegens zijn stilistische brille, maar als zijn vrouw hem schrijft dat ze Dostojevski een veel groter schrijver vindt, ontwaakt hij uit zijn ‘jüngerianisme’. Hij komt tot de conclusie dat het Jünger ontbreekt aan de ‘menselijke noot’, aan het vermogen in vervoering te raken en tot overgave. Het is hem uiteindelijk allemaal te kil en te afstandelijk, en als hij leest hoe Jünger zich ‘kaltschnauzig’ afmaakt van de door Böll zeer bewonderde katholieke schrijver Leon Bloy is voor hem duidelijk dat er met de schrijver van In Stahlgewittern iets fundamenteel mis is.

Wie deze twee dikke delen oorlogsbrieven leest is uiteraard benieuwd naar wat Böll over de oorlog heeft te melden. Hierbij mag echter niet worden vergeten dat de soldaat niet zomaar kon opschrijven wat hij wilde. Nu werkte de censuur weliswaar steekproefsgewijs — om alle meer dan vijfhonderd miljoen veldpostbrieven die per maand werden verstuurd te controleren, had het regime permanent 120.000 controleurs moeten inzetten — maar het risico was niettemin vrij groot. Van de vijftienduizend gefusilleerde Wehrmachtsoldaten stond een flink deel terecht wegens ‘defaitistische uitlatingen’. Vandaar dat ook Böll zijn toevlucht moest nemen tot gecodeerde boodschappen en ironie, die door zijn anti-nationaal-socialistische familie feilloos werden aangevoeld. ‘Wat schrijft de Duitse soldaat naar huis? Dat hij onuitsprekelijk gelukkig is dat hij mag deelnemen aan deze grote taak, die Europa een ander gezicht zal geven.’ Zo opent een brief aan zijn ouders, eind 1939. Soms speelt hij de verontwaardigde patriot, die ‘vol afschuw’ schrijft dat zijn kameraden het niet meer over droog brood maar over ‘Adolf Hitlerkoek’ hebben.

Soms echter is er ook verbazingwekkende kritiek, waarbij je je afvraagt of de naam Böll ooit bekend zou zijn geweest als een oplettende censor ze gelezen zou hebben. Zo schrijft hij in 1943 zijn vrouw dat ze niet de propagan dafoto’s moet geloven, waarop het lijkt of de soldaten die in de Atlantikwall zijn gestationeerd het leventje van continu zonnebadende sanatoriumpatiënten leiden. Nog veel bonter maakt hij het in een brief waarin hij tekeergaat tegen de propaganda op de radio, en waarbij zonneklaar is dat hij zich vooral opwindt over de tirades van Goebbels.

Toch zijn er ook voldoende passages die moeilijker te duiden zijn, of die scherp contrasteren met het naoorlogse beeld van Böll. Wat bijvoorbeeld te denken van zijn opmerkingen over de tocht door Nederland, in de zomer van 1940? Hoewel hij de verwoesting van Rotterdam afdoet als ‘heller Wahnsin’, is hij vooral woedend over de zelfgenoegzame, weldoorvoede, louter op vertier beluste Nederlanders, die hem en zijn kameraden de verdrinkingsdood toewensen als ze het lied Wir fahren gegen England zingen. Het is volgens Böll werkelijk tijd ‘dat wij deze schaamteloze gezelligheid eens onderbraken’!

Ook blijkt de jonge Böll niet altijd ongevoelig voor de esthetiek van de oorlog, bijvoorbeeld als hij lyrisch schrijft over de officier die te paard door wijde Russische velden rijdt. Bovendien schrijft hij soms ogenschijnlijk instemmend over de ‘mannelijkheid’ van de frontsoldaat. Maar dat kan ook heel goed een reactie zijn op de weerzinwekkende en afstompende monotonie van het kazerneleven, dat soldaat Böll bijvoorbeeld straf oplevert als de deksel van kookgerei naar rechts in plaats van naar links is gedraaid. De invloed van Jünger mag dan zichtbaar zijn in Bölls verheerlijking van der Kampf, zijnde een roesverwekkende, elementaire ervaring, met der Krieg is het heel anders gesteld: dat is pure ellende en volmaakte waanzin!

Böll bleef zich ondanks alles Duitser voelen, en zeker in het begin hoopte hij op de overwinning, niettemin was zijn afkeer van de oorlog oprecht. Wat hem vooral tegenstond was het militarisme en de ‘onderofficierengeest’. De mentaliteit van het naar boven likken en naar beneden trappen was hem absoluut zuwider. Daarom weigerde hij ook de officiersopleiding te volgen en bracht hij het, evenals Hitler een oorlog eerder, niet verder dan korporaal. Zijn definitie van vrede was: ‘geen uniform meer dragen’. En daarmee bedoelde hij ook het onzichtbare, mentale uniform van het conformisme, dat zo typerend was voor veel van zijn tijdgenoten. Wat dat betreft zou de individualist Böll, die later de ‘Einigkeit der Einzelgänger’ propageerde, altijd voor de vrede blijven strijden.


Heinrich Böll, Briefe aus dem Krieg 1939-1945
Twee delen, bezorgd door Jochen Schubert, met voorwoord van Annemarie Böll en nawoord van James H. Reid. Uitg. Kiepenheuer und Witsch, 1652 blz., ƒ112,70