Vredesapostelen

HET WAS IN 1948 dat de Koude Oorlog de wereld in zijn greep kreeg en de spanning zodanig opliep dat menigeen een derde wereldoorlog niet uitsloot. Tsjecho-Slowakije was door een communistische coup achter het IJzeren Gordijn verdwenen. De westerse wereld reageerde vol afgrijzen. In Amsterdam waren als gevolg van de ontstane hysterie twee communistische wethouders de laan uitgestuurd. In juni blokkeerden de Russen de ‘viermogendhedenstad’ Berlijn, een blokkade die door een enorme luchtbrug van de westelijke mogendheden op sensationele wijze werd doorbroken.

Tegen deze politieke achtergrond reisden tien Nederlanders naar het Poolse Wroclaw, het voormalige Breslau. Een reis in een verdachte richting. In een rapport van de CVD (Centrale Veiligheidsdienst, een jaar later omgedoopt in Binnenlandse Veiligheidsdienst) werden ze als volgt omschreven: Braat, Leendert P.J., beeldhouwer, lid CPN; Davids, Mr. Samuel, redacteur De Groene Amsterdammer, communist; Van Praag, Siegfried, voorzitter Vereniging Nederland-Polen, communist; Van Santen, Joseph, lid partijbestuur CPN; Schoonenberg, Antonius D., hoofdredacteur De Waarheid; Van Traa-v.d. Burg, Henriëtte, journaliste, bestuurslid Vereniging Nederland-Polen; De Vries, Theunis D., schrijver, redactielid Politiek en Cultuur; Vuyk-Rosenblatt, Jodwiga; Wertheim, prof. dr. Willem F., hoogleraar Universiteit van Amsterdam, communist; Rebling, Dr. Eberhard, musicoloog, muziekredacteur van De Waarheid, communist.
Ze waren uitgenodigd voor een vredesconferentie, een initiatief van Franse en Poolse kunstenaars en intellectuelen die niet langer met lede ogen wilden aanzien hoe de wereld, drie jaar na de Tweede Wereldoorlog, afstevende op een debâcle.
VAN DE TIEN ‘vredesapostelen’ zijn er nog drie in leven, oude mannen voor wie de 'vrede van Wroclaw’ een mijlpaal was, het begin van een serie jaarlijkse vredesconferenties. Eberhard Rebling (86), musicoloog, destijds woonachtig in Nederland maar sinds 1952 in een dorp oostelijk van Berlijn, vreesde werkelijk een Derde Wereldoorlog, zegt hij. 'Dat is nu nauwelijks meer voor te stellen.’ Als gedelegeerde, aangewezen door de CPN, vloog hij via Parijs en Berlin-Schönefeld naar Wroclaw. Tijdens de vlucht met een 'ouderwetse oorlogsmachine’ realiseerde hij zich welk een intellectueel verlies het zou zijn als het toestel zou neerstorten. Daarbij dacht hij niet louter aan zichzelf, zegt hij, maar aan zijn medereizigers: kunstenaars als Pablo Picasso, Louis Aragon en Pablo Neruda. Ook zij maakten deel uit van de ruim vierhonderd gedelegeerden uit circa veertig landen.
Wim Wertheim (90), sinds 1946 hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, weet niet meer waarom hij was uitgenodigd. Vermoedelijk was het zijn kritische houding ten aanzien van de PvdA, voor welke partij hij in beginsel sympathie had, maar door haar Indië-politiek was hij sterk gaan twijfelen.
Het zwaar beschadigde Wroclaw met de stank van lijken staat hem nog helder voor de geest. Duizenden kadavers lagen nog vlak onder de oppervlakte. Voor hem was de Koude Oorlog al begonnen na de atoombom op Hiroshima.
Schrijver Theun de Vries (90), partijbestuurder van de CPN, herinnert zich nog een ontzettend lange, vervelende treinreis in een Mitropa-slaapwagen. Naar een land waar hij eigenlijk geen zin in had. 'Het is niet leuk om te zeggen, maar ik was niet zo'n Polenvriend, het was niet mijn lievelingsvolk.’
De joodse bevolking koesterde een onverholen joden- en Russenhaat, en ook de anti-Duitse sentimenten tierden nog welig. Voor Eberhard Rebling, die ooit voor Hitler naar Nederland was gevlucht, was het daarom 'een sensatie’ de schrijfster Anna Seghers in het Duits een rede te horen houden. 'In Polen kon je in die eerste naoorlogse jaren geen woord Duits spreken zonder het gevaar te lopen gelyncht te worden.
DE KEUZE VAN Wroclaw als conferentieoord had een duidelijke strekking. Als ruïnestad was zij symbolisch voor de ellende die het imperialisme in zijn Duitse vorm over de wereld had gebracht. Maar dat was niet de enige reden. Ze moest Polens vaste wil weerspiegelen om elke nieuwe Duitse 'Drang nach Osten’ te stuiten.
Maar bovenal moest het congres een protest vormen tegen de Koude Oorlog en een appèl doen op de vredeskrachten. Maar dat het congres zelf een twistappel zou worden, leek niet uitgesloten. Aan communistische zijde bestond de sterke neiging de eigen politiek te rechtvaardigen. Zo roemde congresganger Fred Schoonenberg, een week voor het begin van de conferentie, in De Waarheid de initiatiefnemers die 'in verzet zijn gekomen tegen de door de groot-kapitalistische machten moedwillig verbreide gedachte dat de oorlog onafwendbaar zou zijn’. 'Wroclaw’ moest een antwoord vormen op 'imperialisten, oorlogsophitsers en allen, die de vrede trachten te verstoren’.
De vredeswil leidde tot krijgszuchtige taal. Een 'wapenschouw van vredesvrienden’ noemde de beeldend kunstenaar Leendert Braat de bijeenkomst in zijn boekje met herinneringen Hoe wijd een nest. Tegenstrijdiger kon het niet. Het was een uitdrukking uit de sovjetschool, minstens zo paradoxaal als 'vredesoffensief’, ook al zo'n term die in Moskou was bedacht.
De ruim vierhonderd genodigden hadden in ieder geval één ding gemeen: hun overwegend linkse politieke overtuiging - radicaal links, communistisch of kritisch sociaal-democratisch. Dat gold zeker voor de Nederlandse deelnemers die overwegend communistisch waren. Een goede reden voor de BVD om hen in de gaten te houden. Voormalig BVD'er Cees van de Heuvel weet niet meer of betreffende congresgangers benaderd zijn. Betrokkenen zeggen zich daarvan in ieder geval niets te herinneren. Dat is op zich logisch voor Rebling en De Vries, want, zegt Van de Heuvel: 'Wanneer wij wisten dat het overtuigde communisten waren, besteedden we daar weinig aandacht aan, maar wanneer wij vermoedden dat het bonafide mensen waren die voor communistische propagandadoeleinden gebruikt zouden kunnen worden, dan waarschuwden wij hen.’ Wertheim zou daarvoor in aanmerking hebben kunnen komen maar hij zegt beslist niet te zijn benaderd.
Hoe dan ook, bezoekers van door (sovjet-)communisten georganiseerde congressen werden in de gaten gehouden. Het kon het begin vormen van een dossiertje. 'Prille liefde moet je doorgronden’, aldus Van de Heuvel. Was het geen spijkers op laag water zoeken? Van de Heuvel: 'U moet niet vergeten dat Moskou er op uit was om westerse intellectuelen te winnen voor de boodschap van de vreedzame coëxistentie. Sinds die conferentie in Wroclaw hingen ze de vredesengel uit. Dat was natuurlijk een dekmantel.’
DE CONFERENTIE kende verscheidene voorzitters, onder wie Julian Huxley, directeur-generaal van de Unesco. 'Zo gezien een vreemde vogel, die zich van de gang van zaken weinig aantrok’, aldus Leendert Braat. Indrukwekkender vond hij een andere voorzitter: madame Joliot-Curie, Nobelprijswinnares. 'Het was of deze kleine, ernstige vrouw - haar man was destijds zwaar ziek en zij belde vaak met Parijs - vanachter de bestuurstafel alles en allen beheerste. Wee de bijeenkomst waar niet zulk een figuur manifest aanwezig is: ik ben niet zo'n voorstander van democratie.’
Iemand die op de achtergrond opvallend acte de présence gaf was Pablo Picasso: 'Op alle zittingen van het vredescongres was hij aanwezig - iets uitzonderlijks voor hem, werd mij verzekerd. Eénmaal nam hij het woord - het werden slechts een paar woorden: een dringende oproep te protesteren tegen de maar niet eindigende gevangenschap van de, zieke, Turkse dichter Nazim Hikmet.
Tijdens een diner in Wroclaw zat hij aan het hoofd van de tafel, niet ver van mij af. Juist had hij ons trots verteld kort tevoren vader geworden te zijn, en dat op zijn leeftijd! Het was snikheet. Opeens deed hij zijn jasje uit. Het hielp niet. Toen zijn overhemd. Het hielp niet. Tenslotte zat hij daar met zijn gebruind en gespierd naakt bovenlijf. Een Griekse god! Zijn ogen fonkelden van plezier. Journalisten - hoe kon het ook anders - drongen op, wilden van dichtbij foto’s maken, hem spreken. Toen vond hij het welletjes. De plaatsen aan weerszijden van hem waren onbezet. Hij trapte de stoelen om zodat niemand hem naderen kon. En at onverstoorbaar, zwijgend verder.’
AAN HET CONGRES zelf heeft Theun de Vries nauwelijks herinneringen, behalve 'veel redevoeringen en resoluties’ die voorgekookt waren door de Russen. Erg vreemd vond hij dat ook weer niet, want in Nederland onder de autoritaire leiding van Paul de Groot was het niet veel anders.
Heldere herinneringen heeft hij vooral aan een aantal persoonlijke ontmoetingen, zoals met de marxistische filosoof Georg Lukács, met wie hij diepgaande gesprekken had over diens boek Der junge Hegel. Met de 'grootste Oostduitse schrijfster’ Anna Seghers besprak hij haar boek over de opstand van de negers op Guadaloupe, waarover De Vries ook zelf een boek in voorbereiding had: De vrijheid gaat in het rood gekleed.
'Op een gegeven moment’, lacht hij, 'was de knoop van mijn colbert losgelaten, waarop ik haar vroeg of ze hem vast kon naaien. De mensen om mij heen vonden dat gek, antifeministisch. Maar ik had daar geen enkel probleem mee. Zij trouwens ook niet. Die anecdote heb ik later in de DDR nog vaak moeten vertellen.’
En dan was er Alexander Fadejev, de Russische voorzitter van het congres, die erg veel indruk op hem maakte. 'Een buitengewoon sympathieke, menselijke man.’ Zijn roman De negentien, over een groep partizanen die zich vanuit Siberië terugvochten naar Moskou, vond hij een meesterwerk.
DE ARCHITECT van de Russische propagandacampagne was indertijd Zjdanov, de minister van Cultuur. Hij was degene die vanuit Moskou de regie van het congres in handen had. Voor Eberhard Rebling was dat geen probleem. 'De Sovjetunie heeft verreweg het grootste aandeel gehad in de nederlaag van Hitler. Ik vereer Stalin omdat hij het hoofd was van een staat die mij het leven redde.’
Voor Wertheim lag dat anders. Hij had moeite met de polarisering. 'Dat was het gevolg van de Zjdanov-lijn: wie niet voor ons is, is tegen ons. Tussenstandpunten werden niet gewaardeerd. Het was krasse Koude-Oorlogstaal.’
Als kenner van Indonesië werd Wertheim door de andere Nederlandse deelnemers gevraagd hen te vertegenwoordigen. Hij stelde in overleg met hen een verhaal op waarmee hij het congres toesprak, maar sloot af met een aantal zinsneden voor eigen rekening. 'Als socioloog was ik tot de conclusie gekomen dat het oorlogsgevaar niet louter uit het kapitalisme voortkwam maar dat ook het socialisme daarvoor verantwoordelijk was. Gebrek aan tolerantie kenmerkte tenslotte beide systemen. Een goede verstaander wist dat ik daarmee ook de Sovjetunie bedoelde.’
Na afloop van zijn rede gebeurde er iets merkwaardigs, aldus Wertheim. 'Fadejev, de Russische schrijver en delegatieleider, kwam naar mij toe en feliciteerde mij en zei later wat uitgebreider met mij te willen spreken. Toen ik hem na die congresdag weer ontmoette, was hij ineens van mening veranderd. “Ik heb u met iemand anders verward”, zei hij. “Uw speech vond ik niet goed maar slecht.” Het was duidelijk dat hij in tweede instantie te horen had gekregen wat ik werkelijk had gezegd, dat ik ook de Sovjetunie medeverantwoordelijk hield voor de oorlogsdreiging. En dat zinde hem allerminst.’
De Polen en de Fransen, aldus Wertheim, trachtten de Koude-Oorlogssfeer nog te herleiden tot een dialoog. 'Irene Curie, Anna Seghers, Pablo Picasso en anderen hadden goede bedoelingen. Daartegenover stond de Zjdanov-lijn, waarvan de aanhangers verkondigden dat de vrede het best gediend was door je blind op de Sovjetunie te richten. Daardoor mislukte de dialoog.’
De Vlaamse schrijver Johan Daisne, die in zijn De Vrede van Wroclaw of Een proeve van spijkerschrift op het IJzeren Gordijn verslag deed van het congres, constateerde twee richtingen. Hij omschreef die richtingen als het 'progressistische kamp’ dat 'Amerika en zijn knechten’ gelijkschakelde met kapitalisme, imperialisme, neofascisme, oorlog en barbaarsheid; en als het 'democratische kamp’, dat daartegen inbracht dat het westerse blok, in tegenstelling tot het totalitaristische Oosterse blok, synoniem was met 'geestelijke vrijheid = cultuur = vrede’.
'Beide kampen’, schreef Daisne, 'streven een prijzenswaardig ideaal na: het progressistische de sociaal-economische rechtvaardigheid, en het democratische de geestelijke vrijheid. Het wreedaardige lot wil echter dat, in de complexe werkelijkheid, elk van deze onbetwistbaar culturele waarden gepaard gaat met de negatie der andere: de sociaal-economische rechtvaardigheid, die Rusland en de volksdemocratieën uit naam van het communisme willen verwezenlijken, met geestelijke dwang; én de geestelijke vrijheid, die Amerika en de vrije democratieën van het westen huldigen, met een zekere sociaal-economische willekeur. Zie daar de paradoxale meridianen van ons hedendaags wereldbeeld; zie daar waarom ik elke spreker op het congres ten dele bij kon vallen en pas de gezamenlijkheid van hun onderlinge strijdige oordelen mij een begin van voldoening heeft kunnen schenken.’
De nuances die Daisne nog kon aanbrengen ontbeerde menige andere congresganger. De ene na de andere scheldpartij was het gevolg. Zo noemde Fadejev westerse schrijvers als Eliot en O'Neill 'hyena’s en jakhalzen’. En de Russische schrijver Ilja Ehrenburg verwierp de zogenaamde objectiviteit en onpartijdigheid van westelijke intellectuelen als het 'gedrag van idioten en imbecielen’.
Dat er toch nog enkele gemeenschappelijke resoluties werden aangenomen mag een wonder worden genoemd. De kritiek van de sovjet-gedelegeerden op het Westen was afgezwakt om tot een gemeenschappelijke verklaring te komen. Maar een rapporteur van de BVD wist er desondanks 'verkapte’ kritiek uit te destilleren. 'Ontdaan van zijn bemanteling kwam ze overeen met de verwijten van Moskou aan het Westen.’
(BIJ TERUGKEER in Nederland werd Theun de Vries in Hengelo uitgebreid gevisiteerd door de douane. Hij moest zich vrijwel geheel uitkleden en werd onderzocht op 'geheime papieren’. Eberhard Rebling keerde op 31 augustus terug in Amsterdam. In die dagen trad koningin Wilhelmina af. Voor hem was het duidelijk dat ze was afgetreden uit protest tegen de Indonesiëpolitiek van de Nederlandse regering.
Voor Wim Wertheim kreeg het congres nog een staartje. In Elseviers Weekblad en De Telegraaf verschenen stukken 'waar de honden geen brood van lusten’. Uit zijn rede werden louter de passages gelicht die tegen de koloniale politiek inzake Indonesië waren gericht. Hij werd zelfs beschuldigd van landverraad. Kort daarna kreeg hij een telefoontje van burgemeester d'Ailly, eveneens curator van de Universiteit van Amsterdam en in die hoedanigheid werkgever van Wertheim. Hij vroeg hem zijn in Wroclaw gehouden rede te komen inleveren. Wertheim weigerde en bestempelde het verzoek als censuur. 'Ik hoefde toch geen verantwoording af te leggen? Maar ja, de Koude Oorlog woedde in alle hevigheid.’
Daarop werd hij opgebeld door oop den Uyl, toenmalig adjunct-hoofdredacteur van Vrij Nederland. 'Hij bood mij aan mijn rede af te drukken. Dat heb ik natuurlijk wél gedaan’, lacht hij kwajongensachtig.