RWANDESE TROEPEN VOOR VN-VREDESMACHT IN CONGO

Vredesduiven uit Rwanda

Het Rwandese leger vocht een bloederige oorlog in buurland Congo. Nu levert Rwanda troepen aan de VN-missie in Darfur. Onder de ogen van de VN stierven meer dan 750.000 ongewapende burgers. ‘Wij kunnen de fouten van vorige VN-missies herstellen.’

Medium training 201

GAKO, ZUID-OOST RWANDA – In een van de weinige ongerepte gebieden van het dichtbevolkte Rwanda is een groot militair terrein ingericht om het Rwandese leger op de missie in Darfur voor te be-reiden. Vlak na lunchtijd joggen vijfhonderd soldaten zingend naar het exercitieveld. In een aanpalend gebouw krijgen soldaten les in mensenrechten. ‘Mensenrechtenschendingen hoeven niet zo duidelijk te zijn als genocide’, leest kapitein Gerbeit langzaam voor van een PowerPoint-presentatie. ‘Do you under-stand?’ ‘Yeah’, antwoorden de veertig soldaten vlakjes vanuit hun veel te kleine schoolbanken. De les gaat verder, over gevaarlijke alcohol in moslimlanden en handen schudden met moslima’s.
Een soldaat wenkt ons: de training gaat beginnen. ‘Op naar Darfur!’ knipoogt hij. Na een korte rit door dichte begroeiing belanden we op een grote vlakte met hoog savannegras. Zo ver het oog reikt rennen en tijgeren groepen soldaten. Bij gebrek aan geweren moeten velen zich met een lange tak behelpen. De corveeploeg gaat met machetes het lange gras te lijf, in een poging het weelderig groen iets meer op het zanderige Darfur te laten lijken.
Voor deze lichting soldaten is dit de eerste dag van een twee maanden lange training die hen op Darfur moet voorbereiden. De komende tijd wordt hier hun schietkunst geperfectioneerd en worden acties in vluchtelingenkampen en bij roadblocks en de begeleiding van konvooien geoefend. De Amerikaanse instructeur Dave, uitgezonden door het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, staat er ont-spannen bij. Met een lange graspluim in zijn mond levert hij commentaar. ‘Dit zijn de meest gediscipli-neerde troepen van Afrika. Dat is de sleutel tot hun succes.’ Dave traint de troepen in oorlogstrends die recentelijk zijn geleerd in Afghanistan en Irak. ‘Dan kunnen ze optimaal opereren in Darfur’, zegt hij.

Generaal Frank Rusagara is een van de veteranen van het guerrillaleger RPF (Rwandees Patriottisch Front) dat onder leiding van de huidige president Kagame in 1994 het Hutu-regime ten val bracht. De transitie van guerrillaleger naar Rwandese Verdedigingsmacht RDF lijkt een succesvolle operatie te zijn geweest. Wij spreken generaal Rusagara op de tennisclub in de chique wijk Nyaturama in Kigali. De club is de plek waar de gegoede Rwandese burgerij zich op zondag ontspant. Tussen elf uur ’s ochtends en vijf uur ’s middags betekent dit veel bier drinken, geiten en kippen verorberen, verhalen vertellen en, vooral, respectvolle zwijgpauzes inlassen. De halve elite van Rwanda schuift aan en ver-dwijnt weer.
‘Je moet onze geschiedenis begrijpen.’ De generaal begint aan een uiteenzetting van de Rwandese ge-schiedenis die vier uur zal duren. ‘Na de onafhankelijkheid in 1959 begon het geweld tegen de Tutsi’s. Toen ik zes jaar was, vluchtten mijn ouders naar Oeganda. Niemand heeft ons ooit geholpen. De Afri-kaanse Unie niet, Oeganda niet, de Verenigde Naties niet. De belangrijkste les die we geleerd hebben is dat we er alleen voor staan. Begin jaren negentig begonnen we aan drie oorlogen tegelijk. Wij wilden onszelf uit ons vluchtelingenschap bevrijden en ons land vrijmaken van de Hutu-dictatuur. De derde oor-log is de oorlog om ons land weer één te maken en van tribaal onderscheid te ontdoen. Dat is onze grootste oorlog, die we nog steeds voeren.’
De generaal spreekt vloeiend Engels, zoals alle hoge officieren en machthebbers dat doen. Dit zijn over het algemeen de remigranten die in 1990 met het RPF vanuit Oeganda Rwanda binnentrokken. Gene-raal Rusagara vervolgt zijn betoog. ‘Het vluchtelingenleven is een ramp. Het is één grote teleurstelling. Je wacht voortdurend op beloften van de Verenigde Naties, die nooit worden nagekomen. Deze tennis-club was het resort van de VN-missie in Rwanda, UNAMIR. Toen de genocide in 1994 plaatsvond, ston-den de VN erbij te kijken. Ze lieten ons in de steek en kwamen pas terug toen er meer dan een miljoen doden waren en wij het land bijna bevrijd hadden. Die troepenmacht, UNAMIR II, moest daarna de sta-tus-quo in Rwanda handhaven. Maar wat was die status-quo? Een land zonder overheid, met één mil-joen doden op straat, tweeënhalf miljoen vluchtelingen – onder wie veel daders – in het buitenland en twee miljoen vluchtelingen binnen Rwanda. Wat moesten wij nog met de VN? We besloten zelf ons land op te bouwen.’

Bijna elke Rwandese soldaat heeft een persoonlijke geschiedenis waarin de genocide hoe dan ook een bepalende rol speelt. De gemiddelde leeftijd van de soldaten is hoog. Veel van hen zijn al vanaf de op-richting van het leger in dienst. Zo ook Annet Munganyiuka (33), die zich in 1990 aansloot bij het RPF. ‘Er waren indertijd veel jonge meisjes die zich aansloten. Wij waren erg gemotiveerd om ons een weg terug te vechten in het land waaruit onze ouders verdreven waren’, zegt Munganyiuka. Het RPF rukte in 1994 in een razendsnel offensief op door Rwanda. Ze troffen een land aan waar de straten vol met lijken lagen. De extremistische milities en honderdduizenden Hutu’s vluchtten naar Congo, Burundi en Tanza-nia. ‘Na onze overwinning besloot ik in het leger te blijven’, vertelt Munganyiuka. ‘We waren nog steeds bang. Vanuit Rwanda en de vluchtelingenkampen in de buurlanden werden we steeds weer aangeval-len. Eigenlijk is Rwanda pas sinds een paar jaar echt veilig.’
Ook kapitein John Kagaba (40) sloot zich in 1990 aan bij het RPF. Vanaf 1996 vocht hij mee in de Con-go-oorlog, ook wel de Afrikaanse Wereldoorlog genoemd. Zo’n acht landen uit Afrika en tientallen rebel-lengroeperingen deden aan de bloedige strijd mee. Het piepkleine Rwanda liep het reusachtige Congo onder de voet. Het leger marcheerde dwars door de jungle tot aan de Atlantische Oceaan, een afstand vergelijkbaar met het doorkruisen van West-Europa. ‘Het is misschien moeilijk voor te stellen dat een klein land als Rwanda Congo kan binnentrekken, maar wij vochten voor het overleven van ons eigen land’, vertelt Kagaba. De strijd begon als een poging van Rwanda om aanvallen van Hutu-milities uit Congo te stoppen; in de loop van de oorlog werd dictator Mobutu van de troon gestoten door de Congo-lese rebel Laurent Desiré Kabila. Het eigenmachtige optreden van het Rwandese leger kwam het land op veel kritiek te staan. De afgelopen tien jaar stierven al meer dan vier miljoen mensen aan de (in)directe gevolgen van de oorlog. VN-organisaties hebben verschillende keren melding gemaakt van door Rwanda gegraven massagraven in Congo.
Sinds 2002 is de VN-troepenmacht MONUC in Congo gestationeerd. Zij is verantwoordelijk voor onder meer de ontwapening van de verschillende rebellengroepen. Maar volgens de Rwandese overheid komt daar weinig van terecht. ‘De VN faalden in Rwanda’, zegt Kagaba. ‘In Congo zou de VN-vredesmacht MONUC de milities ontwapenen, maar ook daar is nog niets van terechtgekomen. Ze heeft nooit de aanvalsdreiging op Rwanda kunnen wegnemen.’

Gezien de negatieve ervaringen met de VN lijkt het op z’n zachtst gezegd vreemd dat Rwanda nu een van de belangrijkste leveranciers van troepen aan de VN-missie in Darfur is. Kapitein Kagaba loopt voor ons uit over het trainingsterrein van Gako. Achter een van de barakken staat het materiaal voor de le-geroefeningen opgesteld. Een op een houten bord getekende tank wordt gebruikt om de situatie bij een roadblock na te bootsen. Veel geld om zich goed op Darfur voor te bereiden heeft het Rwandese leger niet. ‘Natuurlijk is het voor ons moeilijk om onder de VN-vlag te vechten’, geeft Kagaba toe. ‘Maar juist vanwege ons verleden is het belangrijk dat wij aan de missie meedoen. Wij kunnen de fouten van vorige VN-missies herstellen. Wij hebben dezelfde ervaringen als de mensen in Darfur, daardoor begrijpen wij beter wat zij meemaken. We willen niet dat anderen hetzelfde doormaken als wij.’
Kolonel Charles Karamba werkt op het ministerie van Defensie in Kigali als hoofd planning voor de Ge-nerale Staf. In 2004 leidde hij de verkenningsmissie van Rwanda in Darfur. Zijn aanbevelingen leidden tot de Rwandese deelname aan de missie. ‘De laatste keer dat ik vluchtelingen had gezien, was in mijn eigen land. In Darfur zag ik weer honderdduizenden mensen bij elkaar gepropt in kampen. Zonder voedsel, water en medicijnen, blootgesteld aan geweld van de milities. Ik wist dat het een hels karwei zou zijn om er iets tot stand te brengen, maar ik was ervan overtuigd dat we mee moesten doen’, zegt Karamba.
Kolonel Sadik Kamili was verantwoordelijk voor de uitvoering. Vijftien maanden lang voerde hij het bevel over een bataljon in Darfur. Inmiddels zit zijn missie erop en is hij de hoogste commandant in het trai-ningskamp Gako. ‘Ons mandaat was op z’n minst een beetje shaky’, vertelt hij. ‘Als er geen vrede is, hoe kunnen wij dan de vrede handhaven?’ De boomlange kolonel zet zijn bril op zijn voorhoofd en buigt zich naar ons toe. ‘Er zijn zo veel partijen in het conflict. Je hebt de rebellengroeperingen SLA en JEM, dan nog de overheidstroepen en door de overheid gesteunde milities als de Janjaweed. En die partijen bleven zich maar opdelen.’
Een ander groot probleem is volgens Kamili het gebrek aan faciliteiten. ‘Nog niet eens de helft van het aantal troepen dat in Darfur zou moeten zijn, is er. Weinig landen zijn hun beloften nagekomen. Darfur is gigantisch. Onze sector is zo groot als Rwanda en die moesten wij met één bataljon – achthonderd man – verdedigen. Dat is natuurlijk veel te weinig. Met een tekort aan troepen kun je het mandaat niet vervul-len.’
De kolonel lacht gelaten. Toch vindt hij dat de Rwandese blauwhelmen redelijk succesvol zijn geweest: ‘Het is gelukt een veilige omgeving voor de hulporganisaties te creëren. Zij kunnen nu voedsel, water en medicijnen distribueren.’ Hij haalt zijn schouders op. ‘Maar het is natuurlijk dweilen met de kraan open. Steeds weer blijven gewapende groepen de vluchtelingen aanvallen. We hebben die aanvallen vaak kunnen afslaan, maar dat is moeilijk. Die troepen zijn erg destructief. Als we echt willen helpen, moet de internationale gemeenschap haar beloftes nakomen.’

Een belangrijke voorwaarde voor Rwandese deelname was ook een sterk mandaat. ‘Je kunt van niemand verwachten dat-ie toekijkt terwijl burgers worden doodgeschoten, maar zeker niet van Rwan-dese soldaten’, vertelt kolonel Karamba. ‘Onze eerste uitzending viel nog onder Hoofdstuk 6 van het VN Handvest. Wij mochten alleen humanitaire konvooien en onszelf beschermen, niet de burgers en de vluchtelingenkampen. We hebben geknokt voor een nieuw mandaat. Nu mogen wij, met een mandaat onder Hoofdstuk 7, wél burgers beschermen als die in onze omgeving zijn en het binnen onze middelen valt.’ Het is een stap in de goede richting, zegt Kamili. ‘Het mandaat is er, nu wachten we nog op vol-doende middelen.’
Ondanks het tekort aan middelen moet Rwanda zich blijven committeren, vindt Karamba. ‘Gebrek aan materiaal mag nooit een reden zijn om niet op te treden. Ook zonder toereikende aantallen manschap-pen en materieel kunnen we een doorslaggevende rol spelen. Daarvan bestaat één voorbeeld dat alle Rwandezen zal bijblijven’, zegt de militair. ‘Tijdens de genocide werden tweeduizend burgers beschermd door één compagnie Belgische VN-soldaten in de École Technique Officielle in Kigali. Toen die door hun superieuren werden teruggetrokken, werden alle tweeduizend mensen binnen een dag gedood met ma-chetes en granaten. Als alle VN-soldaten die in Rwanda gelegerd waren toen echt zouden zijn ingezet, had de genocide nooit op deze schaal plaatsgevonden. In Darfur hebben wij om honderdduizend men-sen te beschermen uiteindelijk maar tien pantserwagens nodig. Vredeshandhaving is een kwestie van wil.’

Dit artikel is tot stand gekomen met financiële steun van het NCDO