Hoofdcommentaar

Vredeshandhaving is wél oorlog

Stel, in een denkbeeldig land blijft het na een grootscheepse militaire actie onrustig. Aanhangers van het verdreven regime en religieuze fanaten blijven de buitenlanders bevechten die het land gewapenderhand zijn binnengedrongen. Ze doden dagelijks vijandelijke troepen en ze plegen zelfmoordaanslagen op burgerdoelen die ze met de indringers associëren. Het hoofdkwartier van de Verenigde Naties wordt opgeblazen, hetzelfde gebeurt met dat van het Rode Kruis. Aan de lopende band gaan politiebureaus de lucht in. Oliepijpleidingen worden opgeblazen, buitenlandse diplomaten en hulpverleners wordt de strot afgesneden en met de regelmaat van de klok wordt gepoogd vliegtuigen met vracht en burgerpassagiers uit de lucht te schieten. In zo’n land heerst een oorlogssituatie. Geen mens zal dat betwisten. De buitenlandse indringers zullen in zo’n situatie grijpen naar zwaardere geweldsmiddelen dan, pak ’m beet, een politieagent in Rotterdam-Zuid. En daarin zullen zij — zolang zij geen mensenrechten schenden — gesteund worden door zowel de internationale wetgeving als het eigen nationale, militaire strafrecht.

Duidelijke zaak. Echter, als dat land Irak heet slaat de vertwijfeling toe. De oorlog in Irak is zeer omstreden, dat is genoeglijk bekend, en de politicus, columnist, jurist en wie al niet meer geraakt in morele nood als hij de situatie aldaar in overeenstemming probeert te brengen met de aanwezigheid van Nederlandse troepen in het zuiden van Irak. Want, tja, je kunt hen toch bezwaarlijk gelijkstellen met «de indringers» (lees: de Amerikanen en Britten). De Nederlandse troepen maken deel uit van Sfir, de stabilisatiemacht voor Irak, die geen oorlog komt voeren maar juist vrede wil brengen. Ze vallen echter wel onder het bevel van de indringers: de Britten in de Basra-regio. Die voerden eerst oorlog en toverden zichzelf daarna met een toverspreuk van de VN-Veiligheidsraad om in een stabilisatiemacht. En tjemig, Nederland steunde de oorlog toch alleen maar politiek? Onze militairen in al-Muthanna zijn de good guys!

Maar moslimextremisten en Baath-loyalisten zullen dat anders zien. Het is relatief rustig in de Nederlandse sector, maar in de aangrenzende Britse en Spaanse sectoren vinden regelmatig aanslagen plaats waarbij militairen sneuvelen. En in november werd in de zuidelijke stad Nassiriyah nog een zelfmoordaanslag gepleegd op de Italiaanse vredeshandhavers. Ook voor de Nederlanders heerst gevaar. De mariniers speuren naar met explosieven geladen auto’s waarvan ze beschrijvingen hebben. Vorige week nog arresteerden ze Irakezen die verdacht werden van een dodelijke aanslag op een Spaanse eenheid. En begin februari werd een lanceerinstallatie voor mortiergranaten gevonden. Daarmee zouden de Nederlandse kampementen beschoten kunnen worden — iets wat de Amerikanen rond Bagdad zo vaak gebeurt dat het niet eens meer in de internationale pers komt.

Feitelijk gezien lopen de Nederlanders dus de risico’s die horen bij een oorlogssituatie. De rechtbank in Arnhem heeft echter geconcludeerd dat dat juridisch gezien niet het geval is. Er is namelijk nooit een officiële oorlogsverklaring uitgegaan. Dus kwamen twee mariniers die in slaap waren gevallen in hun wachttoren er vanaf met een lichte straf. Eerder werd de korporaal der mariniers Erik O. gearresteerd en naar Nederland afgevoerd. Hij zou tijdens een plundering een waarschuwingsschot hebben gelost waarvan de kogel afketste en een plunderaar doodde. De verontwaardiging in het land was groot. Wie was hier nu eigenlijk de misdadiger? De marinier of de plunderaar? Procureur-generaal De Wijkerslooth houdt voet bij stuk: in zijn ogen zijn militairen op vredesmissie «een soort politieagenten».

Juridisch gezien mag dat kloppen, realistisch bekeken is het waanzin. Neem het Srebrenica-drama. In het begin van hun opmars waren de Bosnische Serven kwetsbaar. Dutchbat gaf enkele salvo’s, maar schoot over de hoofden. Hun Rules of Engagement lieten niet anders toe. Hadden de Nederlanders met hun punt vijftig mitrailleurs de Serven van de berghellingen geschoten, dan waren er doden gevallen, maar waarschijnlijk een stuk minder dan de meer dan 7500 die nu te betreuren zijn. Onder de huidige wetgeving zouden de Dutchbatters echter strafbaar zijn geweest als ze toen hun ROE hadden overtreden. Was die situatie ook juridisch bestempeld tot de oorlogssituatie die zij feitelijk was, dan had wel gericht geschoten mogen worden, althans volgens de nationale wetgeving.

Sinds Srebrenica heeft de politiek zich met hangen en wurgen een realistischer houding aangemeten waar het gaat om de keiharde wereld van de internationale vredeshandhaving. Maar nog altijd loopt Nederland niet in de pas met de snel veranderende wereld. De huidige Militaire Straf- en Tuchtwet vereist een oorlogsverklaring voordat er sprake is van een oorlogsomstandigheid, iets wat thuishoort in een lang verleden tijdperk. Extra pijnlijk: begin jaren negentig werd het militaire recht meer in overeenstemming gebracht met dat van de gewone Hollandse burger — zeg maar met het werkterrein van de politieagent.

Vredesoperaties vinden plaats in gebieden waar oorlogsomstandigheden heersen. Als oorlog het verlengstuk is van de politiek, dan zijn vredesmissies dat ook. Militair optreden in het buitenland heeft niets te maken met politiewerk of burgerwet maar alles met buitenlandpolitiek.

In Den Haag begint het te dagen. Gezien de commotie over de arrestatie van Erik O. zijn ook veel burgers nu zover dat ze soldaat van agent kunnen onderscheiden. Nu het Openbaar Ministerie nog. Er is in elk geval iets wat het parlement zou kunnen doen: het Militaire Strafrecht zo snel mogelijk in overeenstemming brengen met die veranderde wereld waarvan Nederland zo afhankelijk is.