Vredespijp

Na honderd vergeefse telefoontjes met vakantiehuisaanbieders vroeg ik zelf per advertentie een huis voor begin mei: ‘stil; tuin; fraai uitzicht’. Naast een rijtjeshuis in een groeigemeente werd een huisje in het bos aangeboden. ‘Niet geschoten altijd mis’, moet de eigenaar gedacht hebben - want tuin noch uitzicht. Restte de stilte. Bij aankomst bleek het pand te grenzen aan een voetbalveld, schemerend door wat bomen, volcontinu in gebruik bij de plaatselijke vereniging en bij vakantievierende jochies van naburige campings. De andere huisjes op het terrein waren weliswaar nauwelijks zichtbaar, maar de bewoners hechtten aan regelmatig en langdurig maaien van het toch weinige gras en een enkeling achtte de tijd gekomen om brandhout voor de verwachte barre winter ‘94-'95 te zagen. Door het merg, jawel.

Maar het kon nog bonter: ‘ons’ huisje bleek te grenzen aan de bouwplaats van een boshuis in wording, compleet met steen- en houtvoorraden en cementmolen. Dit alles eigendom van en in gebruik bij een middelbaar echtpaar, huizend in wat ooit het schuurtje moest worden. Het had iets megalomaans: de zonder twijfel wettelijk beperkte hoogte deed hen het in de diepte zoeken - een complete verdieping bevond zich in een diepe kuil. Onze eerste impuls was ter plekke om te keren. Maar het alternatief was het Amsterdamse bovenhuis.
Tussen de bouwers en ons was sprake van lichte, onuitgesproken vijandigheid. Wij zagen hen als potentiele verstoorders van nodige en duur gekochte rust. Zij hoefden geen pottekijkers en vermoedden wellicht ons stil verwijt. Dat zou voor hen pleiten. En het werd waarschijnlijker door de uiterst beschaafde wijze waarop de bouw zich voltrok. Het tikken tegen een steen tot die spleet; incidenteel getimmer; en vooral: nooit Radio Noordzee of hoe die teringherrie ook mag heten die elke grootstedelijke bouwactiviteit tot een hel maakt. Dezelfde geluiden die ons de eerste dag nog voorkwamen als schandelijke inbreuk op recht op rust kregen allengs een vertrouwd karakter. Hier werd ambachtelijk gewerkt door amateurs in de letterlijke zin: liefhebbers. Uiteindelijk spraken we hardop uit wat we los van elkaar gingen vinden: dat we plezier hadden in dit kranige duo dat nijver doende was een droom gestalte te geven. Was het toeval dat zij ons diezelfde dag toeknikten, voor het eerst? Glimlachend beantwoordden we woordloos deze woordloze vredespijp.
Vreemd genoeg vroeg dit keer mijn vrouw, die altijd vindt dat het niet regent wanneer ik vind dat de zon niet schijnt, wat die mensen toch moesten wanneer dat huis eenmaal af was. Dat had ik natuurlijk al lang gedacht. In de loop der dagen bekroop me meer en meer het verlangen met hen mee te doen. Ja, zelf ook ooit iets tastbaars neer te zetten dat dan van mij was in dubbele zin. Al was het maar een kippenhok, een hek, een schuurtje.
Maar natuurlijk durfde ik niet te vragen of ik mocht helpen. Dus bleef het weer bij een stukkie.