Vredesprijs voor een oorlogspresident

En toen kreeg Barack Obama, de 44ste president van de Verenigde Staten, de Nobelprijs voor de vrede en bleek hoezeer de snelle mening bedachtzame opinievorming inmiddels overschreeuwt.
Barack Obama is de vierde Amerikaanse president die de prijs heeft gekregen, maar nooit eerder werd hij toegewezen aan een staatshoofd dat nog geen tien maanden in functie was. Dat was één reden voor de vele afwijzende reacties: Obama mag mooie woorden gesproken hebben, hij heeft nog niets laten zien. Guantánamo Bay is nog niet gesloten, Israël bouwt nog steeds nederzettingen, met de wereldwijde nucleaire ontwapening vlot het nog niet zo en ondertussen loopt de oorlog in Afghanistan uit de hand. Sommigen, zoals de commentator van de Times of London, concludeerden ook maar meteen dat als het zo moet de Nobelprijs voor de vrede beter kan worden opgedoekt.

In de Verenigde Staten zien criticasters in de toekenning van de Vredesprijs het zoveelste bewijs dat Obama een softie is die de Amerikaanse belangen niet koelbloedig genoeg zal dienen. Dat zijn de Republikeinse haviken die zich afvragen of ze bij het Nobelcomité nu ook al doen aan positieve discriminatie (CBS News-commentator Bob Schieffer), en die Obama sowieso het politieke leven zuur willen maken, vredesprijs of geen vredesprijs. De conclusie van NRC Handelsblad dat Obama, wiens populariteit in de VS flink is gedaald, er nu een binnenlands probleem bij heeft, is kort door de bocht. Er zijn geen aanwijzingen dat de Vredesprijs hem nieuwe vijanden heeft opgeleverd.
Ze lijken in de minderheid, maar als je de online-discussies langsloopt, vind je ze wel degelijk, de mensen die het ‘fantastisch!’ vinden dat de man van de hoopgevende toespraken de meest prestigieuze prijs ter wereld krijgt. Hoezo nog niks voor elkaar gekregen? redeneren zij. Hij heeft de geheime CIA-gevangenissen laten sluiten, hij betaalt weer contributie aan de Verenigde Naties, hij heeft Amerika weer zitting laten nemen in de Mensenrechtenraad en hij is druk bezig de troepen uit Irak terug te trekken. Maar ook zij geven toe: Obama heeft nog een lange weg te gaan wil hij ook maar in de buurt komen van het verwezenlijken van zijn en hun dromen.
De vraag die de discussie beheerst is of de toekenning van de prijs terecht is. Obama kreeg de prijs voor zijn ‘buitengewone inzet bij het versterken van de internationale diplomatie en samenwerking tussen volkeren’. De voorzitter van het comité, Thorbjørn Jagland, maakte duidelijk dat de prijs vooral bedoeld was als een aanmoediging: ‘We hopen dat dit zal versterken wat hij probeert te doen.’
Op zich kan Obama een steuntje in de rug wel gebruiken, nu thuis de kritiek aanzwelt en ook de rest van de wereld ongeduldig begint te worden. In zijn reactie maakte hij dan ook duidelijk de prijs niet te beschouwen als een erkenning van wat hij al had bereikt, maar als ‘een bevestiging van Amerikaans leiderschap bij het waarmaken van de aspiraties van mensen in alle naties’. Hij hoeft zich niet te schamen voor het vooralsnog uitblijven van harde munt in het door hem uitgezette beleid. Hij zit nog maar kort en hij heeft steeds gewaarschuwd voor te hoog gespannen verwachtingen. Wat hij wil bereiken kost veel tijd.
De vraag is natuurlijk of het Nobelcomité het bij het rechte eind heeft. Is Obama een president van de vrede? Het had het in het verleden wel eens mis. Theodore Roosevelt, bijvoorbeeld, de Amerikaanse president die in 1906 de Vredesprijs kreeg voor het bewerkstelligen van een vrede tussen Rusland en Japan, was helemaal niet bezig de wereld beter te maken. Hij bedreef ordinaire machtspolitiek en wilde een voor de VS gunstig machtsevenwicht in de Pacific creëren, wat inhield dat Japan moest worden ingetoomd. Kissinger en Le Duc Tho kregen de Nobelprijs voor de vrede in 1973 voor hun onderhandelingen die leidden tot een einde aan de oorlog in Vietnam, maar intussen ging de strijd gewoon door, nu in Cambodja. En Rabin en Arafat, die in 1994 de prijs ontvingen, drukten elkaar dan wel de hand om het begin van een ‘vredesproces’ te bezegelen, maar of ze elkaars naties nu echt het beste gunden valt te betwijfelen.
Er is een gerede kans dat het Nobelcomité zijn aanmoediging in het water zal zien vallen. Want hoewel hij niet meer rept van ‘de oorlog tegen het terrorisme’ is Obama een oorlogspresident. Er wordt nog steeds gevochten in Irak, Pakistan staat op springen, al-Qaeda is zich aan het vestigen in Somalië en Jemen, en momenteel denkt de president na over een nieuwe strategie in Afghanistan die wel eens zou kunnen uitmonden in het sturen van tienduizenden extra troepen. En die komen niet om snoepgoed uit te delen.
Het beleid van een Amerikaanse president wordt nu eenmaal minder bepaald door zijn verkiezingstoespraken dan door de omstandigheden. In zijn beleid lijkt Obama op Lyndon Baines Johnson, die eveneens een president was van sociale plannen (hij introduceerde onder meer Medicare, een staatsziektekostenverzekering voor 65-plussers), maar nu herinnerd wordt als ‘Johnson Moordenaar’, de Vietnam-president. Die oorlog erfde hij van John F. Kennedy, net zoals Obama Irak en Afghanistan meekreeg van Bush junior. Dat in Europa Kennedy nog steeds gezien wordt als een man van de vrede, terwijl hij de Varkensbaai-invasie, de Cuba-crisis en de escalatie van de Vietnam-oorlog achter zijn naam heeft, zegt veel over de naïeve manier waarop Europeanen de Amerikaanse politiek beschouwen. Een Democratische, progressieve president is niet automatisch een vredesstichter.
Daarmee zijn we aangeland bij het Nobelcomité. Vertegenwoordigt dat het naïeve Europa? Als het al iets vertegenwoordigt, dan is het inderdaad dat. Om onduidelijke redenen zette de Zweedse industrieel en uitvinder (onder meer van het dynamiet) Alfred Nobel in zijn testament dat de Vredesprijs in tegenstelling tot de andere Nobelprijzen niet door een Zweeds maar door een Noors comité moest worden uitgereikt. Vermoedelijk had dat te maken met de afwezigheid van een militaristische traditie in Noorwegen; de Zweden hebben in de vroegmoderne tijd menige oorlog uitgevochten en bezitten ook nu nog een flinke defensie-industrie.
Het Noorse Nobelcomité bestaat uit vijf (ex-)parlementariërs. Momenteel zijn drie leden afkomstig uit linkse en twee uit rechtse partijen. Zij bepalen wie de prijs krijgt en ze delibereren niet over hun afwegingen. Noorwegen is een prachtig land, maar onbetekenend in de internationale politiek. De leden van het comité zullen ongetwijfeld de krant lezen en zich ook anderszins uitstekend informeren, maar om nu te zeggen dat zij een zwaar gremium vormen dat met het toekennen van Alfred Nobels prijs à tien miljoen kronen (een miljoen euro) een stempel drukt op de gang van de wereldvrede…
Obama reageerde beleefd op de bekendmaking dat hij de prijs had gewonnen, maar uit niets bleek dat hij niet besefte van wie hij hem kreeg. Waarschijnlijk maakt hij zich er minder druk om dan al die bloggers en commentatoren die nog voordat hem het nieuws was gebracht hun meningen in het rond schreeuwden.