Vredesprof ‘terugkijkend op rara kun je spreken van een heel minzame vorm van terrorisme. jammer eigenlijk dat het is opgehouden’

Léon Wecke, de voorman van de Nederlandse polemologie, moet wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd weg bij de Nijmeegse universiteit. Geheel in stijl ging zijn vertrek gepaard met een protestmanifestatie. Interview met een man die ‘de kunst van de oorlog als geen ander verstaat’
VERLEDEN WEEK vrijdag viel het doek voor de opmerkelijke academische loopbaan van Léon Wecke. Tijdens een door het hele politieke spectrum van de Nederlandse natie bezocht evenement (van generaal Couzy tot Mient-Jan Faber) nam de Nijmeegse polemoloog afscheid van zijn innig geliefde Studiecentrum voor Vredesvraagstukken. Vanwege het behalen van zijn vijfenzestigste levensjaar (kort na een hartaanval die de patiënt zelf omschrijft als ‘een lichte ongesteldheid’) moet Wecke wijken als hoofd van zijn Vredesinstituut.

Geheel in stijl deed Wecke dit afscheid vergezeld gaan van een protestmanifestatie over ‘leeftijdsdiscriminatie’. 'Wij spreken hier over een vorm van geestelijke kapitaalvernietiging die niet alleen in strijd is met de grondwet, maar ook alle internationale verdragen op het gebied van de rechten van de mens genadeloos aan zijn laars lapt’, zo verkondigde hij voor een ademloos luisterend gehoor aan de Nijmeegse universiteit.
Wecke heeft met het universiteitsbestuur reeds een akkoord bereikt over 'een zekere gedoogstatus’, zodat hij niet geheel van zijn instituut verbannen zal zijn. Niettemin houdt hij vol dat het gedwongen ontslag een 'dehumane vertoning’ is, waartegen eigenlijk eindeloos zou moeten worden geprocedeerd.
Wecke: 'Eigenlijk had ik tot een civiele procedure moeten overgaan. Maar dat is professor Smalhout niet gelukt, Van Maarseveen ook niet, en Westerterp met betrekking tot behoud van zijn commissariaten evenmin. Gezien de teruggang van mijn salaris kan ik daar dus beter niet aan beginnen. Maar ik bezin mij wel op mogelijkheden om deze abjecte kwestie op de publieke agenda te houden. In naam van de doorstroming neemt dit kabinet momenteel nog draconischer maatregelen. In het kader van de “demotie” dienen mensen nu al met 35 jaar een stapje terug te doen, zo begrijp ik uit de pers. Dan kom ik er nog genadig van af.’
TOEN LEON Wecke in 1968 aantrad bij het wetenschappelijk korps van de Katholieke Universiteit Nijmegen, geschiedde dat nog in onberispelijk blauw herenkostuum. Enkele jaren later werd het pak vervangen door een ribfluwelen broek, zwarte laarzen, een ruitjeshemd en een Clint-Eastwoodachtige poncho, door sommige gechoqueerde collega’s abusievelijk aangezien voor 'een stuk paardedeken’, terwijl zijn bakkebaarden legendarische proporties aannamen. Zo leerde de wereld het verschijnsel Wecke kennen.
In het allengs revolutionairder gestemde klimaat van de Nijmeegse universiteit, waar alles wat katholiek en conservatief oogde moest wijken voor de nieuwe marxistische doctrine, steeg zijn ster snel. Wecke was in 1971 de grondlegger van het Studiecentrum voor Vredesvraagstukken (SVV), het polemologische instituut dat de verrichtingen van de zusterinstelling te Groningen, onder leiding van de legendarische B.V.A. Röling, in publicitair opzicht alle hoeken van de kamer liet zien. Van het bij zijn aantreden beloofde promotieonderzoek, National Character and European Integration, werd nimmer meer iets vernomen, ook al werd Wecke eens een half jaar in zijn werkkamer opgesloten om dat ei eindelijk te leggen.
Maar het isolement van de academicus was niets voor een man met Weckes temperament. Hij richtte zijn luxe Peugeot in als rijdend crisiscentrum: in het dashboard werd een kleine tv ingebouwd, achter werd een tafeltje ingeschroefd met een typemachine en een koffiezetapparaat, en zo doorkruiste Wecke, de 'koning van de vredesbeweging’, het gehele land om een divers publiek toe te spreken over de mogelijkheden van een vreedzame planeet. Hij sprak met evenveel verve tot de hardcore van de vredesactivisten als tot een vereniging voor plattelandsvrouwen. Historisch is zijn toespraak tot de inwoonsters van Weurt, die hij exact uitlegde wat de gevolgen van een atoombom op hun gemeente zouden zijn.
Als evangelisch-lutheraan was de op 3 januari 1932 te Arnhem ter wereld gekomen Léon Wecke sowieso al een uitzondering op de Universiteit van Nijmegen. Toen Jezus daar vervangen werd door Marx, bleek het nieuwe regime in intermenselijk opzicht nauwelijks verbeterd. Uitputtende studentenacties (een bezetting van de faculteit voor politicologie in 1971-1972 duurde maar liefst 106 dagen, een nationaal record) en de marxistische dwingelandij van nieuwe professoren zorgde voor de ene crisissituatie na de andere. In de docentenkamers vlogen de asbakken rond.
Wecke laveerde daar moeiteloos tussen. Zijn natuurlijke bonhomie maakte hem immuun voor bureaucratische loopgravenoorlogen. Zijn practical jokes zorgden regelmatig voor leven in de brouwerij. Zo werd een rouletteavondje, belegd door een collega, verstoord door een legertje studenten in politieuniform. Wecke had de uniformen betrokken van een toneelschool. Op andere momenten werden mededocenten onaangenaam verrast met nep-persberichten waarop astronomische subsidies voor Weckes instituut werden aangekondigd. Tegen de Duitse professor Kurt Tudyka, jarenlang zijn directe superieur, voerde Wecke een ware slijtageslag. Wecke trainde zijn hond om iedere keer als de naam van zijn opponent werd genoemd, als een bezetene te gaan blaffen. Ook hield Wecke zich uitvoerig bezig met de konijnenteelt rond het universiteitsterrein. Thuis koesterde hij een almaar uitdijende konijnenpopulatie, waarvan de overschotten ’s nachts tijdens illegale droppings werden uitgezet.
Zo brak Wecke telkens de sleur, op handen gedragen door zijn studenten, steeds meer belegerd door superieuren die twijfelden aan de 'wetenschappelijke output’ van de polemoloog. De media maakten ondertussen gretig gebruik van Weckes omvangrijke studies naar het vijandbeeld in de Koude Oorlog. Door telkens te analyseren waarop de stereotypen van de Russische beer waren gebaseerd, kwam hij met een fris tegengeluid in de retoriek van de Koude Oorlog.
Het was Weckes verdienste dat hij de polemologie zo multidisciplinair wenste te benaderen als in het kleine Nederland mogelijk was. Als wetenschappelijke discipline werd het vak geïntroduceerd na de Tweede Wereldoorlog, op instigatie van de Amerikaanse natuurkundigen die mede aan de atoombom hadden gesleuteld. Robert Oppenheimer, een van de betrokken natuurkundigen, lanceerde de befaamde uitspraak 'Mijn spijt staat in geen verhouding tot wat ik heb aangericht’, en dat was het startsein voor een wetenschap die de oorzaken van oorlog en vrede moest onderzoeken, ter preventie van nog een wereldbrand.
Wecke: 'Het moest mogelijk zijn om wetenschappelijk grip te krijgen op de oorlog. Dat was voor die tijd nog niet geprobeerd om een aantal redenen, waarvan de belangrijkste was dat men altijd dacht dat het een zaak was voor militiaren, historici en rechtsgeleerden, en er geen echte maatschappelijk gevoelde behoefte aan was. Maar toen kwam de atoombom en ontstond die behoefte wel. Uiteindelijk kon de hele planeet naar de verdommenis gaan. Na Vietnam ging men de polemologie echt serieus nemen, al bleef die wat het Amerikaanse aandeel betreft toch vooral beperkt tot de vraag hoe het pleit in het voordeel van Amerika kon worden beslecht. In Europa ging men objectiever te werk. Men ging uit van een aantal basisveronderstellingen, waardoor die wetenschapseenheid multidisciplinair gestalte kreeg. Het axioma was dat een oorlog niet monocausaal te duiden valt, dat er niet één oorzaak was maar vele.
Kijk maar naar de Golfoorlog. Je kunt dat conflict verklaren uit het feit dat de internationale rechtsorde was verstoord. Maar je kunt ook zeggen dat de Amerikaanse oliebelangen op het spel stonden. Je kunt het ook religieus duiden. In de nacht voor de grote aanval was predikant Billy Graham te gast bij president Bush, en die wekte daarbij toch in ieder geval de suggestie dat het bevel niet alleen uit het Witte Huis kwam, maar ook ergens van boven. Daarnaast kun je de oorlog ook cultureel duiden. In die zin moet de polemologie dan ook te werk gaan. Je hebt er wetenschappers van alle disciplines voor nodig, van theologen en psychologen tot historici en militaire wetenschappers.
En dat is dan ook gelijk het grote probleem met de polemologie. Het past niet binnen een bepaald vakgroepje, het rooft de mensen overal weg. Dat gaat ten koste van de fundamenteel-wetenschappelijke produktie, en dat is dan ook de reden dat ons instituut ook binnen de universiteit telkens werd bekritiseerd. Er was eigenlijk altijd oorlog om geld en formatieplaatsen te behouden. Gelukkig verstaan wij polemologen de kunst van de oorlog als geen ander, en weten wij hoe die gewonnen dient te worden.’
DE OORLOG om de polemologie heeft Wecke tot de laatste snik moeten vechten. Verleden jaar kwam Andries Hoogerwerf, ooit als hoofd van de vakgroep zijn grootste vijand, met een zogenaamde visitatiecommissie bij Weckes instituut op bezoek. Het mondde uit in een regelrechte wetenschappelijke moordaanslag. Wecke kreeg het verwijt dat zijn wetenschappelijke produktie te bekaaid was. Met verve verdedigde hij zich tegen deze list van een oude vijand.
Extern vergaarde Wecke in de loop der jaren wel steeds meer faam en erkenning. Die ontwikkeling hield gelijke tred met zijn radicalisering. Als student was Wecke nog lid van de Wereldfederalisten, een gezelschap bevlogen dromers die dachten dat er op de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog een wereld zonder grenzen zou verrijzen. Ook was hij secretaris van Fraternité Mondiale, een instelling met soortgelijke ambities die voornamelijk draaide op giften van schuldbewuste Duitsers.
In de jaren zeventig koos Wecke voor een meer anarchistische benadering van een en ander. Zo was hij het brein achter symbolische verbrandingen van handtekeninglijsten van protesterende studenten op het Binnenhof. Het volksdagblad De Telegraaf kreeg hem dan ook al snel in het vizier. Al in 1970 werd in de kolommen van de krant melding gemaakt van de beruchte Nijmeegse professor, die de trotse drager was van een Leninspeldje. Daarbij werd dan niet vermeld dat Wecke deze decoratie in de Sovjetunie had gekregen van een berooide student, in ruil voor wat kauwgom en balpennen.
Met de grote postrevolutionaire kater van midden jaren zeventig leek het even of Weckes dagen waren geteld. In 1975 tekenden slechts twee studenten in op zijn collegereeks polemologie voor doctoraalstudenten. Maar dat was stilte voor de storm: met de massale steun die de vredesbeweging eind jaren zeventig, begin jaren tachtig wist te vergaren, begon voor Wecke een nieuw seizoen van opperste activiteit. Bijna dagelijks was de 'vredesprofessor’ in het nieuws. Hij doorkruiste de zorgvuldige publicitaire strategieën van organisaties als Pax Christi en het IKV van Mient-Jan Faber regelmatig met sweeping statements die over de hele wereld resoneerden. Zo dreigde hij in de heetste dagen van het kruisrakettendebat met massale verkeersacties op de landelijke kruispunten en snelwegen.
De geharde actievoerders van Woensdrecht liepen weg met Wecke, ondanks zijn duidelijk niet door anticonsumptiemaatschappij-sentimenten bepaalde levensstijl. Marathonrokend en -drinkend baande Wecke zich per jeep of Peugeot een weg door de modderige velden waar de hardliners zich in hun armzalige tentenkampen hadden verschanst.
OOK NADAT eind jaren tachtig met de val van de Muur de laatste Nederlandse communisten zich tot de leer van Lubbers en Reagan hadden bekeerd, hield Wecke stand. Met zijn kritiek op de Golfoorlog en de mediagestuurde 'dehumanisering van de Iraki’s’ stond hij vrijwel alleen. Diezelfde oorlog was de directe aanleiding voor opzegging van zijn 36 jaar lang volgehouden PvdA-lidmaatschap. 'Men is zelf op de roltrap gaan staan die naar oorlog leidde’, luidde zijn verwijt aan de Tweede-Kamerleden van de PvdA, die 'hetzij te dom, hetzij huichelaars zijn die kleven aan het regeringspluche’.
Ook Weckes studie naar de redenering achter de RaRa-bommen van 1991 wekte de nodige consternatie. Op grond van tekstanalyse van de claimbrieven van RaRa die na de aanslagen op het huis van Aad Kosto en het ministerie van Binnenlandse Zaken waren vrijgegeven, kwam hij met een genuanceerde hypothese over aard en wezen van ’s lands enige terreurgroep. De consternatie werd vooral gewekt door de op zijn minst sympathiserende ondertoon in Weckes uitlatingen over de intenties van de actiegroep en hun solidariteit met de verdrukte illegale medemens.
Wecke: 'Ja, dat RaRa-onderzoekje was natuurlijk niet zo diepgaand, maar het was wel de eerste keer dat met tamelijk primitieve maar wel wetenschappelijke middelen de redenering achter zo'n bom helder werd gekregen. Het resultaat van die exercitie was zo aardig dat justitie die overnam met die scheiding tussen denkers en doeners binnen RaRa. Dat heeft uiteindelijk weer vervelende consequenties gehad voor Krikke en Müter. Terugkijkend op RaRA kunnen we toch spreken van een heel minzame vorm van terrorisme. Het is eigenlijk jammer dat het opgehouden is, het was toch een soort folklore geworden. Ze hebben uiteindelijk toch ook altijd keurig gewaarschuwd voordat zo'n explosief afging, al heeft die kat van Kosto naar het schijnt nog wel even gevaar gelopen.’
Weckes laatste wapenfeit is een felle aanval op de parlementaire hypocrisie inzake de afwikkeling van het drama in Srebrenica. Hij kritiseerde het door Kok en Van Mierlo geïnitieerde onderzoek door het Riod als een 'zoethoudertje’ en een doortrapte afleidingsmanoeuvre van een parlement dat weigerde de eigen verantwoordelijkheid te nemen.
Wecke: 'Dat Riod-onderzoek impliceert toch dat de boventoon wordt gevoerd door historici, terwijl de val van Srebrenica toch maar één facet was van een veel groter proces, dat pas ten volle kan worden begrepen als het multicausaal wordt ingeschat. Er zou een internationaal multidisciplinair team van economen, militairen, historici, geografen, antropologen, communicatiedeskundigen en noem maar op aan de slag moeten. Het Riod komt over twee jaar met een onderzoek dat nu al achterhaald genoemd kan worden. Het is natuurlijk een zoethoudertje waar een grote politieke wilsbereidheid voor in de schaal is gelegd, omdat er in deze kwestie nu eenmaal veel politici zijn met boter op het hoofd.’