`vreemd gedrag’

Ook allochtone criminelen krijgen in ons land tbs opgelegd. In de kliniek worden ze vervolgens geschikt gemaakt om terug keren in de Nederlandse burgermaatschappij. Om na afloop een enkele reis thuisland te krijgen.
‘IK VOEL ME’, zegt Hamza gelaten, ‘alsof ik tussen de wal en het schip ben terechtgekomen. Ik ben Marokkaan, maar ik voel mij niet echt Marokkaans. Ik voel me Nederlander, maar de Nederlandse samenleving heeft mij uitgespuugd. Ze geven je eerst een behandeling en als de heren psychologen daarmee klaar zijn, krijg je een schop onder je kont en mag je opdonderen naar het gat waar je vandaan komt.’

Zevenentwintig is hij nu. Vijf jaar geleden werd hij ter beschikking gesteld en overgebracht naar Veldzicht, een van de zes tbs-klinieken in Nederland. Waarom? ‘Ik heb iemand overhoop geschoten tijdens een roofoverval’, zegt Hamza. Heel even knippert hij met zijn ogen.
Het zijn geen schatjes, de jongens in de tbs. Zij zijn ter beschikking gesteld omdat ze een ernstig misdrijf op hun geweten hebben en er gevaar voor herhaling bestaat. In Veldzicht of een andere kliniek worden ze - a raison van 670 gulden per dag - niet alleen veilig weggeborgen maar ook in behandeling genomen, vanuit de gedachte dat hun misdraging terug te voeren is op een geestelijke stoornis. Tbs heet formeel dan ook geen 'straf’, maar een 'maatregel ter beveiliging en behandeling’. Als de terbeschikkinggestelde eenmaal 'geresocialiseerd’ is, behoort hij geen gevaar meer voor de medemens te zijn.
We drinken slappe koffie in het gastenverblijf van Veldzicht. Hamza praat druk en wijst op zijn advocaat Mark Willem Stoet. 'Ik word hier klaargestoomd om met mensen als meneer Stoet en de groenteman om te gaan. Ik kom net van sociale- vaardigheidstraining. Daar leer je hoe je iemand een compliment moet geven. Maar als je in Marokko iemand complimenteert die geen familie is, wordt dat als slijmen ervaren. Steeds als ze hier over Nederlandse normen en waarden zeuren, antwoord ik: Hoezo, ik mag hier niet eens blijven!’
'Betrokkene’ is namelijk 'ongewenst vreemdeling verklaard’, zoals dat heet in justitieel jargon: de vreemdelingendienst heeft besloten dat Hamza na afloop van de behandeling een enkele reis Marokko krijgt. Vanaf dat moment is hij alleen al strafbaar door terug te keren naar Nederland.
'DE MOTIVATIE van deze jongens voor hun behandeling is vaak om te huilen’, zegt advocaat Stoet. 'En geen wonder: uitzetting hangt als een zwaard van Damocles boven hun hoofd.’ Hij bladert in Hamza’s dossier. 'De rechtbank heeft net besloten tot verlenging van de tbs met een jaar en, zo staat hier: “Het feit dat betrokkene na het einde van de tbs zal worden uitgezet, doet daar niet aan af.” Ik heb wel meer clienten hier in Veldzicht die in deze uitzichtloze situatie zitten.’
Tbs, zegt Stoet, heet dan wel een maatregel, maar het wordt ervaren als straf. 'Je wordt de hele dag in de gaten gehouden en je weet nooit wanneer het afgelopen is. Het heeft een open einde: de tbs wordt verlengd zolang iemand nog delictge vaarlijk is. Voor allochtonen duurt het vaak extra lang. Ze snappen soms niet wat de therapie inhoudt en hebben te maken met allerlei taalproblemen en conflicten over voeding en godsdienst.’
Als voor een allochtone geweldspleger eenmaal een psychiatrisch onderzoek is aangevraagd bij het Pieter Baan Centrum, 'omdat hij zich zo vreemd gedraagt’, volgt een lange weg vol voetangels en klemmen. De arrestant heet nu observan dus, maar de cultuurbarrieres worden daarmee nog niet geslecht. Want hoe observeert een Nederlandse psycholoog die allochtoon met zijn 'vreemde gedrag’? Door een westerse bril, met de gemiddelde Nederlandse burger in het achterhoofd. Steeds vaker klinkt echter de kritiek dat er geen universele psychiatrische aandoeningen bestaan en dat het stellen van een diagnose sterk wordt bepaald door de cultuur waarin men leeft. Zo bleek onlangs dat bij Marokkanen hier te lande drie maal zo vaak schizofrenie werd 'gemeten’ als bij Nederlanders. Waarbij zich de vraag opdringt of dit nu aan de Marokkanen ligt of aan onze meetinstrumenten. Men komt maar al te makkelijk tot etnocentrische uitspraken door onge bruikelijk gedrag als 'gestoord’ te benoemen. Frans Koenraadt, die als psycholoog en criminoloog gedragskundig onderzoek pro justitia verricht, is zich daar van bewust. 'Soms spelen heel ingewikkelde culturele kwesties een rol in het delict, zoals eerwraak of bloedwraak. In het Turkse strafrecht neemt dat een aparte plaats in, en dat levert hier nog weleens interpretatieproblemen op.’
Maar zoals iemand een eerlijk proces verdient, verdient hij ook een eerlijke beoordeling van zijn gedrag. 'Natuurlijk’, zegt Koenraadt, 'maar ons systeem is heus niet helemaal onbruikbaar als het gaat om de diagnostiek van allochtonen. Het is alleen zaak je bij te scholen en te verdiepen in andere culturen.’ En in andere talen? Want hoe voer je een goed gesprek met iemand over zijn psyche, als die zich slechts kan uitdrukken in het Turks of Marokkaans? Koenraadt: 'Bij allochtone verdachten proberen we zoveel mogelijk met tolken te werken. Helaas gaan daarbij allerlei taalkundige en emotionele nuances verloren. Een psychologisch onderzoek kun je ook wel vergeten, want onze psychologische testen zijn helemaal op de Nederlandse samenleving toegesneden.’ Ook het 'milieuonderzoek’, het inwinnen van informatie bij de sleutelfiguren in iemands leven, is meestal tot mislukken gedoemd, vertelt Koenraadt, want familie en vrienden zitten doorgaans ver weg.
VEEL MEDEWERKING van de allochtone observandi krijgen de rapporteurs in het Pieter Baan Centrum ook al niet. Zij stuiten op een diepgeworteld wantrouwen tegenover alles wat met justitie te maken heeft. 'Natuurlijk’, zegt Stoet, 'deze mensen zijn vaak gevlucht uit landen waar ze juist door Justitie onrechtvaardig behandeld werden. En dan moeten ze hier opeens geloven dat men het beste met hen voorheeft.’ Koenraadt: 'Ik heb wel gedetineerden meegemaakt die zich in de loop van het strafproces afvroegen wanneer ze mishandeld zouden worden.’ Veelzeggend is ook het voorbeeld van de buitenlander die de maatschappelijk werker keer op keer aanzag voor een rechercheur, en diens vragen voor het zoveelste verhoor.
Aan zo'n gedragskundig onderzoek kleven dus veel bezwaren, geeft Koenraadt toe. 'De diagnostiek is beperkt, maar de vraag vanuit het strafrecht luidt steeds: “Was de betrokkene in staat zijn wil te bepalen ten tijde van het delict?” Als je daar met behulp van een tolk over kunt spreken, kun je daar wel een beeld van krijgen. Maar het is knap lastig om bijvoorbeeld de kans te bepalen dat iemand in herhaling zal vervallen.’
Justitie kent de beperkingen ook, en is zich al meer dan tien jaar van het probleem bewust. Uit de tbs-nota van voormalig staatssecretaris Kosto blijkt dat in 1980 een speciale commissie zich heeft gebogen over het dilemma van de vreemdeling in de tbs. Op basis van de aanbevelingen van de commissie is in 1983 een richtlijn uitgegaan naar de hoofdofficier van justitie met de boodschap: 'Aangezien de migrant toch wordt uitgewezen naar het land van herkomst ligt een tbs minder voor de hand.’ Liever geen tbs eisen dus, maar een andere straf.
Bij het Pieter Baan Centrum is deze circulaire bekend. De rapportage besluit daarom vaak met een terughoudend advies in voorzichtige volzinnen als: 'Op grond van deze bevindingen zouden wij Uw College - indien betrokkene een Nederlander zou zijn of vast zou staan dat hij in Nederland kan blijven - adviseren om hem de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Betrokkene bezit echter de Marokkaanse nationaliteit en uitzetting behoort tot de mogelijkheden…’
Desondanks kan het moeizaam tot stand gekomen psychologische rapport nog altijd tot het volgende scenario leiden: de officier van justitie eist toch tbs, de rechter wikt en beschikt, en de observandus wordt patient - hij wordt overgebracht naar een tbs-kliniek. Naar Veldzicht, bijvoorbeeld.
'HOE GAAT HET?’ vraagt Stoet. We zijn in de zuidvleugel van Veldzicht voor een bezoek aan Abdehl. 'Slecht!’, roept die meteen. Abdehl heeft een zenuwtrekje bij zijn rechteroog en lijkt voortdurend op het punt te staan in huilen uit te barsten. Met handen en voeten en brokjes zinnen klaagt hij over communicatieproblemen. Als hij met een psycholoog gaat praten, begrijpt hij die dan wel? 'Nee’, schudt Abdehl. Maar hoe verloopt zo'n gesprek dan? 'Moeilijk! Omdat hij spreekt heel goed Nederlands, en ik niet. Ik praat Berbers. Maar tolk is niet. Wat ik doe?’
En hoe zit het met zijn verblijfsvergunning? 'Is probleem.’ Zijn advocaat geeft het antwoord. 'Die is ingetrokken. Hij heeft een herzieningsverzoek aangevraagd maar dat is afgewezen.’ 'Nee, nee’, roept Abdehl, die het gesprek gespannen volgt, 'niet goed! Wat ik doe in Marokko, geen werk, geen geld! Ik woon in berg, arme mensen, mijn kinder liggen allemaal in een bed, als sardien. Ik moet hier stukje brood verdien voor mijn kinder.’
Hij laat een polaroidfoto zien van zijn vrouw, omringd door drie jongens en twee meisjes. Van de 360 gulden zakgeld die hij in Veldzicht krijgt, stuurt hij 300 gulden naar hen, zegt hij.
Dan pakt hij er een stencil bij, waarop het dagprogramma van Veldzicht staat. Iedere dag hetzelfde: om kwart over zeven op, douchen, ontbijten, tandenpoetsen. Dan 'kamer reinigen’ - daar staat vier uur voor, tot de lunch. En dat geeft het volgende probleem. 'Eten is moeilijk’, zegt Abdehl. 'Boterham en jam is voor jullie goed, ik aardappel en olijfolie.’ Het vlees laat hij staan, want dat komt niet van een rituele slager, en zijn ramadan werd dit jaar een sof.
Op de gang spreken we een van de 'STM'ers’ aan: een sociotherapeutisch medewerker. Hoe dat nou moet, met Abdehl in Veldzicht. 'Moeilijk, moeilijk’, verzucht de man. 'Er is een taalprobleem maar er is ook een bevattingsprobleem. Hij begrijpt niet goed wat hij hier doet en er is verschrikkelijk veel protest bij hem. Hij is door en door Marokkaans en hij wil niet weten dat hij hier in een heel andere samenleving zit. Dat valt dus niet mee in de sociotherapie. Het is aanmodderen.’
WE DWALEN door de gangen van het reusachtige complex voor een gesprek met de geneesheer-directeur van Veldzicht, Oppedijk. Er zijn geen tralies voor de ramen, maar er is een gevarieerd beveiligingssysteem met intercoms, grendels, openzoevende deuren en camera’s. Overal lopen vriendelijke STM'ers rond die, met hun grijze baarden, allemaal een beetje op elkaar lijken.
'Abdehl is een schokkend voorbeeld’, geeft Oppedijk in zijn ruime werkkamer toe. 'Hij dacht dat hij hier maar voor zes weken opgenomen was. Wij hebben niet altijd een Berbertolk bij de hand, en dat is met name vervelend als je een onpretti ge boodschap voor hem hebt, bijvoorbeeld dat hij hier voor onbepaalde tijd zit.’
De geneesheer-directeur is een sympathiek ogende man, behulpzaam en openhartig. Maar het lijkt alsof hij zijn werk in Veldzicht met zoveel betrokkenheid doet, dat hij geen tijd en aandacht meer heeft voor wat er buiten de imposante hekken gebeurt. Hij wil maar niet geloven dat deze patienten na afloop echt het land worden uitgezet. Met een verontschuldigend lachje: 'Tja, dat speelt zich buiten ons gezichtsveld af. Wij houden ons bezig met de behandeling, maar soms komt inderdaad de aap uit de mouw. Dan zitten ze hier al twee jaar en horen ze opeens dat ze terug moeten. Ik heb wel meegemaakt dat een patient bij de rechter vurig pleitte voor verlenging van zijn tbs, omdat dat de enige mogelijkheid was om in Nederland te kunnen blijven. Maar worden ze echt op het vliegtuig gezet?’
Wel weet Oppedijk dat er in zijn kliniek op het ogenblik vier buitenlanders met dit vooruitzicht leven. Navraag bij het ministerie van Justitie leert, dat er in totaal 75 mensen in tbs-klinieken zitten die niet de Nederlandse nationaliteit hebben; 32 van hen mogen hun verblijfsvergunning houden, 9 worden zeker uitgezet, en 34 verkeren nog in onzekerheid, bijvoorbeeld omdat hun procedure nog loopt. 'Ha’, schampert advocaat Stoet, 'maar de kans dat ze die winnen is te verwaarlozen.’
Het hoofd van de afdeling Individuele Tbs-zaken, Broeksteeg, ziet het probleem niet zo. Oppedijk wel. 'Het is natuurlijk iets waar wij als instituut mee worstelen. Wij zijn een rijksinrichting, wij moeten deze mensen opnemen. En dat doen we loyaal hoor’, zegt hij haastig. 'Maar je kunt je afvragen of het wel zo slim is van de rechter om iemand die zo slecht Nederlands spreekt als Abdehl, tbs te geven. Al onze therapeuten zijn vreselijk met taal bezig, en praten voortdurend over: wat voel je, wat denk je. En gewoonlijk werken wij hier natuurlijk volgens de normen die in Nederland gelden. Maar wij kunnen mensen die ongewenst vreemdeling zijn verklaard, toch niet helemaal Nederlands brainwashen?’
'Ach,’ zegt Broeksteeg van Justitie, 'ze leren misschien dingen waar ze in Marokko niet zoveel aan hebben, maar ze krijgen nog wel meer mee in de kliniek. Ze kunnen er een vak leren.’
In ons gesprek had Hamza zich daar echter weinig dankbaar voor getoond. 'Ik mag naar houtbewerking, maar ik zal nooit een timmerman worden. Ik kan gaan tuinieren, maar ik zal nooit tuinman worden. Ik heb twee linkerhanden, moeder Natuur heeft mij met andere vaardigheden uitgerust.’
ABDEHL EN HAMZA mogen, anders dan de Nederlandse 'bewoners’ van Veldzicht, niet met onbegeleid verlof. Abdehl mocht zelfs niet onder begeleiding naar de begrafenis van zijn zwager in Zeewolde, vorige maand. Stoet: 'Deze mensen worden vluchtgevaarlijk geacht en krijgen daarom veel minder vrijheden. Nederlandse tbs-patienten kunnen in de loop van de behande ling werken aan hun drie w’s: woning, werk en wijffie. Dat zijn heel belangrijke stappen richting beeindiging, maar dat is voor de meeste illegalen niet weggelegd.’
'Er is door tbs-zaken en vreemdelingenzaken bepaald dat deze mensen in principe niet onbegeleid met verlof mogen’, bevestigt Oppedijk. 'Maar verlof is iets waar de patienten heel erg naar uitkijken en waardoor ze vooruitgaan. Bij de ongewenste vreemdelingen stokt de behandeling wanneer ze niet meer vrijheden krijgen. Dat is een groot probleem; we moeten dan wachten tot de rechtbank zegt dat het welletjes is geweest.’
'Deze mensen wordt onrecht aangedaan’, vindt Stoet. 'Geef ze dan tenminste een verblijfsvergunning aan het einde van de rit.’ Er zijn nog wel meer alternatieven, voegt hij eraan toe, die stuk voor stuk humaner zouden zijn dan deze oplossing. Zoals het voorbeeld waarover Oppedijk vertelt: 'We hebben hier ooit een Turkse man gehad die nog slechter Nederlands sprak dan Abdehl. Hij was psychotisch, en het is gelukt hem naar een psychiatrisch ziekenhuis in Turkije over te plaatsen. Dat wilde hij zelf ook graag.’
Iedereen zit ermee in zijn maag: het Pieter Baan Centrum, de STM'ers in de kliniek, hun geneesheer-directeur, de advocaat en natuurlijk de betrokkene zelf. Op zijn lange weg wordt die steeds vergezeld door iemand anders, die een klein stukje met hem oploopt en hem dan weer uit het oog verliest. En al die begeleiders plegen nauwelijks onderling overleg voor ze de observandus, alias patient, alias ongewenste vreemdeling als een estafettestokje aan elkaar overgeven. 'Er is in ons land een strikte scheiding tussen observatie en rapportage aan justitie, en de uitvoering van de tbs’, vertelt Oppedijk. En daar wringt het nu juist, want, zo zegt Koenraadt: 'Na onze rapportage zou natuurlijk een behandeling moeten volgen die op de individuele problematiek is toegesneden. Zoals het nu gaat, is het dweilen met de kraan open.’
'Je moet deze mensen gewoon geen tbs geven’, zegt Stoet. 'Dat staat nota bene in een richtlijn - het Openbaar Ministerie zou die moeten naleven. En ook de rechtbank en de advocatuur onderschatten de consequenties van zo'n eis.’
En dan gaan de beschuldigende vingers nog uit naar het ministerie van Justitie want, zo zeggen alle betrokkenen, er is een gebrek aan beleidsafstemming tussen de strafrechtelijke en vreemdelingrechtelijke autoriteiten. 'Ook dat is in Nederland naar mijn mening te zeer gescheiden’, zegt Oppedijk. 'Dan is iemand strafrechtelijk veroordeeld en komt die administratief-rechtelijke procedure er nog eens overheen. Ik heb hier weleens meegemaakt dat een patient zijn uitzetting absoluut niet verwacht had - bepaald een onaangename verrassing.’
WE GAAN NOG even afscheid nemen van Hamza. 'Ik weet nu hoe ik iemand een compliment moet geven, meneer Stoet’, zegt Hamza, en hij lacht: 'Mooi jasje heeft u aan.’ Hij geeft een hand. 'Dag, doe geen dingen die ik zou laten.’
Voor de betrokken patienten zijn gefingeerde namen gebruikt.