Jeroen Bosch als humorist

Vreemde drollen en zeldzame grillen

In de zestiende eeuw werd in Brabant de basis gelegd voor de vrolijke kant van de Nederlandse schilderkunst. En dus ontwaren we in het werk van Jeroen Bosch, dat lange tijd werd gezien als moralistisch, nu ook en vooral de humor.

Medium nar 36

De schilderijen van Jeroen Bosch hebben op latere generaties altijd een raadselachtige indruk gemaakt. Al snel na zijn dood in 1516 en vooral in de twintigste eeuw buitelden de excentrieke interpretaties van zijn werk over elkaar. Bosch was een Adamiet, een krankzinnige, een naaktloper, een drugsverslaafde, een spiritualist, een alchemist, een Rozenkruiser en een Kabbalist. Deze verklaringen zijn allemaal snel van tafel geveegd, alleen de typering van Jeroen Bosch als humorist lijkt nog toepasselijk en in lijn met de wel alom geaccepteerde visie van Bosch als moralist.

De laatste jaren is er echter meer naar de moraal dan naar de humor van Jeroen Bosch gezocht. De moraal is dan ook veel beter herkenbaar voor de hedendaagse beschouwer. In Bosch’ eigen eeuw lag dat nog anders. Lodovico Guicciardini vermeldde de schilderijen van Bosch in zijn reisverslag in de Lage Landen uit 1567 en noemde ze ‘vreemde drollen en zeldzame grillen’ van een schilder die een miraculeus vermogen had om fantastische en bizarre taferelen te schilderen. De Italiaan typeerde Nederlanders als ‘zeer gezellig en vol humor’ en hij vond ze soms zelfs te ‘grappig en kluchtig’. Jeroen Bosch paste in dat beeld. In zijn Schilderboek uit 1604 wees ook Karel van Mander op de details bij Bosch die hij ‘zeer wonderlijk en grappig’ vond. Zo waren ketters afgebeeld met ‘grappige, vreemde tronies’.

Tijdgenoten werden vaak vrolijk van de schilderijen van Jeroen Bosch, toch zullen hedendaagse museumbezoekers zelden in lachen uitbarsten. Het is moeilijk om nu nog in te zien wat er zo grappig was op zijn schilderijen. Humor is nu eenmaal vluchtig. Van veel gevierde Nederlandse cabaretiers is al na vijftig jaar amper meer na te voelen waarom ze zo leuk waren. Bij Jeroen Bosch is dat na vijfhonderd jaar nog veel moeilijker.

Dat ligt anders bij Pieter Bruegel de Oude, een Brabantse schilder van een latere generatie. Van Mander schrijft over hem dat er maar weinig schilderijen zijn ‘waarnaar een beschouwer ernstig, zonder lachen kan kijken’. Hij zou bekend hebben gestaan als ‘Pieter den Drol’. Jeroen Bosch was een voorbeeld voor Bruegel, die tijdens zijn leven een tweede Bosch werd genoemd. ‘Jeroon van nieuws gekomen’. De grappige kanten van Bruegel staan echter dichter bij de huidige tijd. Zijn dansende boeren zijn in elk pannenkoekenhuis terug te vinden, en er loopt een rechtstreekse lijn van zijn schilderijen naar de grappen van Lambiek in de stripalbums over Suske en Wiske. Bij Jeroen Bosch is de humor vervlogen en resteert alleen de moraal, zo lijkt het.

Medium 11a

Zeker is dat na circa 1500 de opvattingen over humor sterk veranderden. Sommige historici zien een bevrijding van de humor, andere vinden juist dat het lachen meer en meer aan banden werd gelegd. Voor beide benaderingen valt iets te zeggen. De mediëvist Jacques LeGoff zag de eerste verandering intreden rond het jaar 1000. Voordien werd lachen onderdrukt door de kerk, omdat het als een ongecontroleerde lichamelijke functie was verbonden met de duivel. Zoals bekend wordt door duivels veel gelachen. In sommige kloosterregels was lachen expliciet verboden. Dat wilde niet zeggen dat er door monniken niet werd gelachen, er was zelfs een term voor: de ‘risus monasticus’, die niet werd aangemoedigd maar wel geduld.

Volgens LeGoff vond de eerste bevrijding van de lach plaats aan de middeleeuwse hoven. Vorsten werden bij uitstek gezien als personen die ad rem en grappig waren. Ook daar was een term voor, de ‘rex facetus’. Tegelijkertijd werd het lachen aan het hof gedomesticeerd. De Franse koning Lodewijk de Heilige, bijvoorbeeld, nam zich als compromis voor om op vrijdagen niet te lachen.

Dit aspect van het koningschap werkte door tot in de tijd van Jeroen Bosch. Keizer Karel V, een jongere tijdgenoot van Bosch, had een grote reputatie in dit opzicht en er verscheen later zelfs een moppenboek rond zijn persoon, De heerelycke ende vrolycke daeden van keyser Carel den V. Zijn zoon Filips II, koning van Spanje, zou heel wat minder gevoel voor humor hebben gehad. Toch had hij wel een verzameling van schilderijen van Jeroen Bosch in zijn paleis El Escorial bijeengebracht. Na zijn dood voelde de bibliothecaris zich gedwongen die voorkeur te verdedigen. Hij schreef dat de schilderijen van Bosch niet alleen zotheid weergeven, maar ook wijsheid en dat diens satires juist de zonden van de mensheid aan de kaak stelden.

In die tijd werd de stedelijke feestcultuur geleidelijk gereguleerd. Allerlei vrolijke gebruiken werden afgeschaft, van het gooien met dode of levende katten tot en met het zingen van schunnige liedjes. Charivari-bendes die tijdens het Carnaval de boel op stelten zetten, werden omgevormd tot Rederijkerskamers met op schrift gestelde reglementen. De nieuwe burgerlijke cultuur legde het ongebreidelde lachen en spotten aan banden. En ook de hofcultuur werd serieuzer. Overal in Europa verdween bijvoorbeeld tussen 1550 en 1650 de hofnar.

Demonie en zotheid waren van oudsher nauw verwant, want angst en humor sluiten elkaar niet uit

De geleidelijke scheiding van het profane en het wereldse hield onder meer in dat de lach definitief uit de kerk werd verbannen. In de Middeleeuwen was het gebruikelijk dat in preken af en toe vrolijke verhaaltjes – exempla – werden verteld om de kerkgangers bij de les te houden. Het is geen toeval dat het oudste gedrukte moppenboek geschreven was door een Duitse monnik, Johann Pauli (gestorven kort na het overlijden van Bosch). Zijn bundel Ernst und Schimpf bestond uit komische scènes die hij in zijn preken had gebruikt. Veel van deze ‘moppen’ betroffen geestelijken, vooral monniken en begijnen, en vaak met een seksuele of scatologische inhoud. In de Nederlandse vertaling van 1554 waren echter de moppen over geestelijken en de kerk weggelaten.

Lang was ook de duivel een geliefde figuur om mee of over te lachen. Een voorbeeld is het volgende raadsel. Vraag: hoe kan iemand een contract met de duivel ontbinden? Antwoord: door van hem iets te vragen wat hij niet kan. Vraag: wat dan? Antwoord: een scheet laten en hem dan vragen er een knoop in te leggen. De Italiaanse harlekijn was in oorsprong een duivel, en werd later op het toneel een duivelse grappenmaker. In religieuze toneelstukken, bijvoorbeeld Mariken van Nimwegen, waren er entr’actes waarin duiveltjes, zoals Moenen en Masscheroen, voor entertainment zorgden.

Via een onjuist etymologisch verband dat werd gelegd tussen satyr en satire werden deze van bokkenpoten voorziene volgelingen van Dionysus ook gezien als duivels en zo afgebeeld in moppenboeken en op schilderijen. Satyrs stonden voor alles wat ongebonden was, inclusief onmatig lachen. Ook tovenaars en heksen werden met lachen in verband gebracht, al hadden zij eerder een schril en geniepig lachje. Meer in het algemeen werden alle mensen met een lichaamsgebrek in verband gebracht met de duivel, en daarom waren lammen, blinden en kreupelen zowel angstaanjagend als een bron van vermaak. Demonie en zotheid waren van oudsher nauw verwant, want angst en humor sluiten elkaar niet uit.

Medium 11b

Door de Reformatie en de reactie daarop, de Contra-Reformatie, kwam humor nog meer in de verdachtenbank terecht. Grappenmakers die spotten met kerk en geloof werden voortaan terstond opgepakt en veroordeeld, zoals een poppenspeler in Brussel die werkte met poppen van Sint Petrus en Sint Paulus, of de man die in een kroeg op een ton staand een monnik imiteerde. Dat gebeurde ook met degenen die op straat spotprenten verkochten waarop geestelijken in compromitterende houdingen waren afgebeeld, zoals die van een priester die een mis opdraagt terwijl een duivel zijn kazuifel optilt. De Reformatie had aan wat eerder als betrekkelijk onschuldige humor gold een nieuwe, subversieve dimensie toegevoegd.

Zowel aan de hervormde als aan de katholieke zijde werd de strijd aangebonden met grappen over religieuze thema’s. De calvinistische predikant Jacobus Hondius schreef dat wie in de bijbel ‘boerterij en gekkerij’ ziet en daar ‘kwinkslagen’ over maakt schuldig is aan ‘spotten met God zelve’. Het uitbannen van dit soort humor was wel een langdurig proces, en Constantijn Huygens jr. stelde in 1691 met verbazing vast dat hij in Den Bosch vlak bij de grote kerk een huis had gezien met houtsnijwerk waarop monniken en begijnen waren afgebeeld in ‘Aretino’s posturen’.

In de loop van de zestiende eeuw ging men anders naar schilderijen en prenten kijken. De censuur, toegepast op Pauli’s moppenbundel, trof bijvoorbeeld ook Bruegels tekening Luxuria, toen deze in prent werd gebracht. Op die tekening zit een overspelige man naakt op een monster, met een bisschopsmijter op zijn hoofd. Op de prent naar de tekening is die mijter vervangen door een gewone hoed. Op veel schilderijen van Jeroen Bosch staan eveneens scènes afgebeeld die latere kijkers de wenkbrauwen deden fronsen. In de Tuin der Lusten bijvoorbeeld behoren geestelijken tot de hebzuchtigen. En op zijn andere schilderijen, zoals De hooiwagen en Het narrenschip, zijn ook priesters en monniken te zien.

Deze thema’s zijn ook bij Bruegel te vinden, zoals in zijn Dulle Griet, waar een vrouw de duivel op het kussen bindt. Dat beeld – lachen om een bazige vrouw en spotten met de duivel – gaat terug op een spreekwoord, zoals zo vaak bij schilders uit die eeuw. Spreekwoorden waren vaak zowel wijs als grappig, en ze hebben veel gemeen met de mopjes uit die tijd: ook die moest je snappen omdat ze anders betekenisloos bleven. De duivels, narren, harlekijns en satyrs verdwenen maar geleidelijk uit de schilderkunst in de Nederlanden. Adriaan van der Venne schilderde scènes met een nar die de toeschouwer op iets grappigs wijst, Jan Steen bracht satyrs in beeld en Cornelis Saftleven tekende nog in 1660 een tovenaar als harlekijn. Ook is er een tekening van Jacob de Gheyn bewaard waarop een heks spottend een lange neus maakt. Zelfs een heks kon dus grappig zijn.

Komische scènes bleven daarentegen wel populair, en steeds vaker werden personen lachend afgebeeld door schilders als Frans Hals en Jan Steen. Ook de Hollandse genre-schilderkunst is lange tijd, net als het werk van Jeroen Bosch, gezien als in de eerste plaats moralistisch. Tegenwoordig is het inzicht gekomen dat zulke schilderijen ook humoristisch kunnen zijn bedoeld. Ondanks alle latere transformaties in humor en het lachen en in de opvattingen daarover is in de zestiende eeuw in Brabant de basis gelegd voor de vrolijke kant van de Nederlandse schilderkunst. En welbeschouwd heeft de humor van Jeroen Bosch na vijf eeuwen niets aan actualiteit ingeboet

Rudolf Dekker is historicus


Beeld: Philips Galle, Narrenkop, ca. 1560, gravure, 370 x 293 mm. Foto Noord-Hollands Archief, Haarlem; (2) Satirisch tweeluik, ca. 1520, binnenpanelen, 58,5 x 44 cm (elk). Foto Artistiques de l’Université de Liège