Vreemde hand

‘Ik lag in bed en opeens kom ik met mijn rechterhand een vreemde hand tegen. Hij voelt precies zoals de hand van mijn vader: weinig vet, beetje lang en knokig. Ik denk: dat kan niet waar zijn. Dus ik ga met mijn rechterhand langs mijn linkerarm naar boven, naar mijn schouders, tot waar ik mijn lichaam weer voel, en ik denk: zie je wel, het is gewoon mijn eigen hand, hij zit aan mij vast.’

Deze maandag in de NRC: een gesprek van Jannetje Koelewijn met Henk Lindeman. Vorig jaar verscheen zijn boek Hersteld maar niet genezen. Lindeman kreeg 24 jaar geleden een infarct in zijn rechterhersenhelft. Toen hij naar het ziekenhuis werd gereden, kon hij niet interpreteren wat hij zag. Hij zei tegen de broeders: ‘Ik zie bijna niets en ik kan me niet bewegen, dus het zal wel iets met mijn hersenen zijn.’ Hij genas zo voorspoedig dat hij nog tot dit jaar kon werken. Het gevoel links is teruggekomen, het zicht ook grotendeels. Maar hij is nooit helemaal van de oriëntatieproblemen af gekomen.

Een beschadiging in de linkerhersenhelft kan leiden tot afasie, terughoudendheid, zelfonderschatting, depressie. Een beschadiging rechts heeft andere gevolgen: impulsiviteit, zelfoverschatting, neiging tot euforie. En het negeren van prikkels vanuit een kant van de omgeving, zodat je schrikt als er iets opdoemt wat je niet hebt zien aankomen.

De hand die een eigen wil lijkt te hebben, die dingen doet zonder dat je het wilt, is in de neurologie bekend als het alien-handsyndroom, ook wel vreemde-handsyndroom genoemd.

Ik moest denken aan Hans Faverey. Een van de gedichten in zijn Chrysanten, roeiers eindigt zo:

Als ik straks een hand zie
voor ogen, help ik mij hopen
dat het een eigen hand is,
of dat het een hand is
die bij mij wil horen.

Ik had het gedicht tot nu toe in verband gebracht met de hand waar Ludwig Wittgenstein en George Edward Moore het over hebben gehad. Moore had gesteld dat we op grond van het gezonde verstand niet aan alle veronderstellingen hoeven te twijfelen, zoals sommige filosofen doen. Naar zijn idee kon hij bijvoorbeeld met zekerheid stellen dat het voorwerp waar hij nu op wees zijn hand was. En dat er dus een wereld buiten onze geest bestaat, dat je weet dat je een mens bent en dat de aarde al lang bestaat.

Wittgenstein wijdt een groot deel van zijn Over zekerheid (1969) aan deze hand van Moore. Anderhalf jaar voor zijn dood schreef hij 676 korte beschouwingen waarin hij nadenkt over begrippen als weten, zekerheid, waarheid en twijfel. Hij noteerde bijvoorbeeld:

125 Als een blinde me vroeg ‘Heb je twee handen?’, dan zou ik me daar niet van vergewissen door te gaan kijken. Ik weet niet waarom ik mijn ogen zou vertrouwen, als ik daar ook maar enige twijfel over had. Want waarom zou ik niet mijn ogen onderzoeken, door te kijken of ik beide handen zie? Wat moet waardoor onderzocht worden?! (Wie beslist wat vaststaat?) En wat betekent de uitspraak: dat en dat staat vast?

En: 461 Veronderstel dat ik een dokter ben, en een patiënt komt bij me, laat me zijn hand zien en zegt: ‘Dit hier, wat er als een hand uitziet, is geen uitmuntende imitatie, maar werkelijk een hand.’ Waarop hij over zijn verwonding vertelt. – Zou ik dit werkelijk voor een mededeling, zij het een overbodige, aanzien? Zou ik het niet eerder voor onzin verslijten, al heeft het dan de vorm van een mededeling? (…)

Je hoort op het moment niet veel over Moore en Wittgenstein. Maar nu ik weer in Over zekerheid zit te grasduinen, vind ik het een verademing dat we kunnen beredeneren wat kennis is, en zekerheid. Dat geeft moed in deze tijd waarin machthebbers en potentiële machthebbers chaos scheppen met leugens en onzin.

Faverey’s ‘help ik mij hopen dat het een eigen hand is’ is een reactie op het kennistheoretische debat, en natuurlijk een spel met de uitdrukking ‘ik help het je hopen’. Maar na het interview met Lindeman zie ik het ook als een wanhopig optimistische uitspraak over de vervreemding die een herseninfarct kan veroorzaken.