Kunst & identiteit: Othello

Vreemdeling in Venetië

Niet weg te branden van onze podia in de afgelopen kwart eeuw: Othello, de zwarte antiheld van William Shakespeare. Komend seizoen gaat Daria Bukvic het stuk regisseren. Haar vraag aan het stuk: hoe gaat de witte wereld om met het succes van een zwarte man?

Medium othello het nationale theater c robin de puy web
Werner Kolf en Sallie Harmsen © Robin de Puy

Het toneelstuk Othello werd in de jaren zeventig van de vorige eeuw lang niet zo vaak gespeeld als nu, maar het was wel omsingeld door analyses en interpretaties waar de hooggeleerde vonken vanaf vlogen. Er bestond toen al een min of meer gelukte verfilming (Orson Welles, 1951) en ook een min of meer mislukte (Laurence Olivier, 1965), eigenlijk een magere televisieregistratie van een onverdraaglijk perfecte toneeluitvoering. Beide vertolkers waren overigens naturel zwart of bruin geschminkte (blackface) witte acteurs. Zoals in vrijwel de gehele geschiedenis van het spelen van dit stuk. Met, nu we het er toch over hebben, in vroeger tijden twee nogal in het oog springende uitzonderingen. Eerst de grote Afrikaans-Amerikaanse toneelspeler Ira Aldridge (1807-1867), de eerste zwarte Othello in de toneelgeschiedenis, die de rol echter nooit in Amerika mocht spelen. En dan de legendarische Amerikaanse zwarte zanger-acteur Paul Robeson (1898-1976), beroemd geworden door zijn vertolking van het lied Old Man River, acteur van de Othello-rol in de jaren dertig (Broadway en West End), en voor het laatst in 1959 in Stratford-upon-Avon in Engeland. De uitvoering waarover Ton Lutz mij ooit vertelde dat er een stille huiver door de grote zaal van het Shakespeare Memorial Theatre ging toen Robeson de tekst ‘Because I’m black’ uitsprak. (Op internet is zijn stem nog te horen, in één minuut monoloog uit het stuk.)

En toen kwam in de jaren zeventig de Duitse jood Peter Zadek (bijgenaamd der Verderber, de verderfzaaier). Hij nam zich voor om het stuk over de ‘nobele Moor’ Othello flink uit te wonen en wat roet van racistische ressentimenten door het klassieke Shakespeare-maal te strooien. ‘Ik herinner mij’, zo zei Zadek indertijd in een toelichting bij zijn enscenering van Othello, ‘een karakteristieke advertentie voor zeep uit het einde van de negentiende eeuw. Een negerbaby gaat in een wastobbe met Pearl-zeep. Als hij er weer uitkomt is hij wit. Washing the Blackamoor white. Dat zijn oerbeelden. Als kind vroeg ik aan mijn moeder: mama, als je een neger een hand geeft, geeft-ie dan af? En: kun je dat zwart er dan weer vanaf wassen? Met díe vragen wil ik dit stuk te lijf.’ In Zadeks voorstelling (Schauspielhaus Hamburg 1976, in datzelfde jaar naar Nederland gehaald) was de roomwitte toneelspeler Ulrich Wildgrüber met schoensmeer toegetakeld, met als resultaat een reusachtige nepneger die bij elk fysiek contact met de andere personages fors afgaf. Iedereen werd zodoende in de loop van de toneelavond geroetveegd en Othello werd steeds witter.

Zadek: ‘In onze voorstelling tonen we het begin van een antwoord op het concept van de nobele neger dat aan Othello vastkleeft. We laten een tegenbeeld zien van een kapotte, intellectueel achtergebleven en in de war geschopte piekeraar, die alles stukmaakt. En die dat niet kan helpen.’

Het leverde een sterke en ook hilarische voorstelling op. Een van de beste versies van Othello die in die tijd te zien waren. Maar ook een beetje een gemakkelijke knieval voor de dramatische ironie in het stuk. En dat is weer een oude truc uit de poppenkast. De toeschouwers weten meer dan de arme hoofdfiguur Othello. Wij hebben de neiging almaar tegen hem te schreeuwen: pas op, stomkop, achter je! Maar dat mogen we niet. En dat willen we ook niet. Dan immers zouden we onze eigen toeschouwerglazen ingooien. En wij willen de titelheld nu juist zien lijden.

Suggestieve verhalen
die steeds vunziger worden.

wat gebeurt er in Othello?

De zwarte, uit het Noord-Afrikaanse Barbarije of Barbarië afkomstige generaal Othello, in dienst van de senaat van Venetië, is in het geheim getrouwd met de jonge Desdemona, dochter van een senator. Die verbintenis wekt beroering en woede. Maar het politieke bedrijf moet verder: Othello wordt naar Cyprus gestuurd om een aanval van de Turken af te slaan. In zijn gezelschap reist de net benoemde luitenant Cassio mee. En ook vaandrig Jago, die voor deze benoeming is gepasseerd en mede daarom Othello zegt te haten. En dan is er nog Roderigo die heimelijk op Desdemona verliefd is.

Je kunt met vragen van psychologische aard beter uit de buurt van dit stuk blijven

Bij aankomst op het eiland blijkt dat een fikse storm de aanval van de Turken al heeft afgeslagen. De verveling slaat toe onder de militairen. Jago voert Cassio dronken, zet Roderigo tegen hem op, ontketent een vechtpartij. Hij schuift alle schuld op Cassio, die door Othello uit zijn functie wordt gezet. Jago adviseert Cassio verhaal te gaan halen bij Desdemona. Vervolgens begint hij stap voor stap Othello de argwaan aan te praten dat Desdemona hem met Cassio bedriegt. Daartoe vertelt hij suggestieve verhalen die steeds vunziger worden en hij organiseert een paar verdachte incidenten. Othello trapt in alle voor hem opgezette vallen, raakt blind van woede en zint op de dood van Cassio en op die van zijn vrouw. Cassio overleeft dit spel maar net. Desdemona niet. Othello wurgt haar in het echtelijk bed. Als hij zijn vergissingen doorziet pleegt hij zelfmoord.

Het aanvankelijke succes van de zwarte man Othello is in deze vertelling tweeledig. Hij is een hoge militair, type Colin Powell. En: hij heeft een blanke topvrouw aan zijn zijde. Voor dat eerste heeft hij hard moeten werken, zoals hij ons omstandig uitlegt. Over dat tweede moet Othello meteen aan het begin van het stuk publiekelijk verantwoording afleggen. Hij is een vreemdeling in Venetië (lees: in Londen) en bovendien een angst en afkeer oproepend zeldzaam ‘verschijnsel’. Namelijk een neger. Hij moet de boven hem geplaatste politieke ambtdragers duidelijk maken dat hij Desdemona op een eerlijke wijze heeft verworven. En dat heeft hij. Door haar zijn levensverhaal te vertellen. Zowel door dat verhaal zelf als door de manier waarop hij het vertelt, is Desdemona als een blok voor hem gevallen. ‘Toen mijn verhaal voorbij was’, zegt Othello, ‘schonk ze mij een wereld van zuchten.’ Desdemona is dus verliefd geworden op een verteller van goeie verhalen. Othello: ‘Dank, zei ze, en ook: hebt u een vriend die mij bemint/ Leer hem slechts úw verhaal te doen/ En ik verlies mijn hart.’ Willem Jan Otten, die over Othello en over deze wonderlijke passage een prachtig essay heeft geschreven (De wraak van de toneelschrijver, opgenomen in zijn bundel De letterpiloot) vat deze reuzensprong over racistische vooroordelen heen, in de woorden van Desdemona als volgt samen: ‘Lieve Othello, jij bent zoals ik je zie, en dat ik je zo zie, komt door hoe jij verteld hebt wie en wat je bent.’

Oftewel: Desdemona ziet dat Othello’s ware uiterlijk een verhalen vertellend brein is, en daar is ze zo verliefd op geworden dat zij het risico neemt om door haar vader en zijn vriendenclan uit Venetië verstoten te worden. Dat dit alles niet zomaar hear say is komt Desdemona kort hierop persoonlijk bevestigen met een krachtig zinnetje: ‘I saw Othello’s visage in his mind’ – ‘Othello’s aangezicht zag ik in zijn geest.’ Waarom en waardoor deze geest vervolgens in korte tijd dermate vertroebeld raakt dat hij het rotsvaste vertrouwen dat uit dit zinnetje spreekt volledig kwijt speelt, moet voor Desdemona een hel zijn die met dieptepsychologisch peillood niet meer te meten valt.

Je kunt met vragen van psychologische aard ook beter uit de buurt van dit stuk blijven. Othello is van de eerste tot de laatste seconde zowel realistisch als geloofwaardig. Maar met freudiaanse verklaringen komt je hier niet ver. Ook niet in het vinden van de oorzaken van de grootste ramp in het stuk: dat Othello razendsnel vatbaar is geworden voor de kwade inblazingen van zijn vaandrig en kwelgeest Jago. De primaire reden daarvoor ligt in het beroep dat beide heren uitoefenen: het krijgsbedrijf. Ze moeten elkaar onder alle omstandigheden kunnen vertrouwen. De ongemeen felle bewoordingen die Othello gebruikt bij het eerste het beste militaire incident onder zijn eigen mensen spreekt boekdelen. Vertrouwen is in het leven van Othello net als de liefde: is het weg, dan breekt de chaos los. Othello vertrouwt Jago. Blind. Dus neemt hij alles van hem aan. Blind. Dus gelooft hij ook alles wat Jago hem op de mouw speldt. En dat is veel.

Een hekel aan de aanblik
van goedheid en noblesse

over de motieven van Jago’s handelen zijn boekenkasten vol geschreven. Ze zijn in de tekst naspeurbaar, ze zijn vanuit de tekst bewijsbaar, ze lijken desalniettemin vaak raadselachtig of door Jago lukraak uit de lucht geplukt. Misschien heeft Othello inderdaad gerommeld met Jago’s vrouw, zoals Jago ons probeert wijs te maken. Jago’s huwelijk is sowieso een ruïne. En hij is zeker gepasseerd in een militaire bevordering, daarmee vernederd ook, hij wordt ongetwijfeld verteerd door gekwetste trots en door een nauwelijks te stillen honger naar macht en aandacht. Maar of dat zijn motieven zijn? Tegenover hem staan louter zuivere karakters, zoals Othello en Cassio, en personages van pure goedheid en schoonheid, zoals Desdemona. En Jago heeft nu eenmaal een grondige hekel aan alleen al de aanblik van goedheid en noblesse, juist omdat hij er part noch deel aan heeft.

De gerenommeerde Shakespeare-kenner A.C. Bradley concludeert in zijn geboekstaafde colleges over de grote tragedies van de Engelse dichter: ‘Wat is voor iemand als Jago het meest bevredigende? Dat is anderen te zien lijden. Dat is de kick dat die anderen werkelijk alles geloven wat jij ze wijsmaakt. Dat is risico’s lopen, gevaar trotseren, erop los improviseren. Jago maakt in het stuk een paar bijna-fouten, hij redt zich daar groots uit en krijgt daar weer een nieuwe kick van. Jago is een kunstenaar, een amateurtoneelspeler in het echte leven, hij maakt van zijn bestaan een goed lopende toneelplot. William Shakespeare stopte nogal wat van zichzelf in het karakter van Jago.’


Daria Bukvic (27) brak in 2014 (na de Toneelschool Maastricht) door met de voorstelling Nobody Home, over vier vluchtelingen in Nederland. Afgelopen jaar maakte ze de productie Jihad over geradicaliseerde jongeren en regisseerde ze de afstudeerproductie van de acteursopleiding aan de Toneelschool Maastricht, Augustus Oklahoma. Momenteel heeft ze voor vier jaar een eigen plek bij het Nationale Theater in Den Haag onder de nieuwe leiding van Eric de Vroedt. Esther Duysker maakt voor Bukvic een nieuwe vertaling van Othello, waarin de titelrol gespeeld zal worden door Werner Kolf (De gouden draak, Race). Verder spelen mee: Joris Smit, Sallie Harmsen, Rick Paul van Mulligen, Lotte Driessen, Claire Hordijk, Mark Lindeman en Martijn Nieuwerf. Speelperiode van 30 januari t/m 31 maart 2018. Inlichtingen: hnt.nl.