Vreemdelingen in allemansland

De jury - Graa Boomsma, Yves van Kempen, Marc Reugebrink en Xandra Schutte - koos deze keer Cormac McCarthy’s Angel tot boek van de maand. De andere mededingers waren:
Tomek Tryzna, Meisje Niemand (uitg. De Geus, 381 blz., f49,90). Een fascinerend en sprookjesachtig boek waarin een vijftienjarige meid kopje-onder gaat in de genialiteit en het materialisme van twee volstrekt tegengestelde vriendinnen.
Roger Scruton, Xanthippische dialogen (uitg. De Bezige Bij, 352 blz., f49,50). Vermakelijke dialogen waarin de filosofie van Plato binnenstebuiten wordt gekeerd, niet in de laatste plaats door het vrouwelijke perspectief van waaruit een en ander wordt bekeken. ‘Waarheid is niet abstract maar concreet. Waarheid bevindt zich in het specifieke’, zo houdt Xanthippe haar man, Socrates, voor.
Fleur Jaeggy, De angst voor de hemel (uitg. Meulenhoff, 111 blz, f29,90). Bedrieglijk sober geschreven verhalen waaruit een medogenloze visie op de wereld spreekt. Ze gaan over levens die nooit echt een toekomst hebben gehad en die van het begin af aan in het teken van de dood staan.
Cormac McCarthy, Angel. Vertaling Harrie Lemmens. Uitgeverij De Arbeiderspers, 488 blz., f59,90
DE SCHRIJVER lijkt in de eerste drie bladzijden van zijn meesterwerk Angel (1979) - waarom houdt die roman in de voortreffelijke vertaling van Harrie Lemmens niet de originele titel Suttree? - de lezer met een verleidelijke woordenstroom de stad binnen te loodsen. Maar welke stad is dat, waarin ‘niemand (zal) rondlopen behalve jij?’ De stad wordt een kamp van verdoemden genoemd en is een allegaartje aan bouwstijlen: ‘Een op de riviervlakte opgetrokken vormenkermis die mijlen in de omtrek het sap der aarde heeft opgedroogd.’

De schrijver, Cormac McCarthy, loodst de lezer een wereld-binnen-de-wereld in, een gebied vol riolen, onderaardse holen, braakvelden, vuilstortplaatsen, besmeurde rivieroevers, achterbuurten, hoerenkasten en autokerkhoven. En daar ‘droomt een ander leven. Misvormd of zwart of gestoord, vluchtend voor iedere orde, vreemdelingen in allemansland.’
Aan het slot noemt McCarthy ze nog eens allemaal op, al die ontheemde zielen en verdoolden, veldmuizen en stadsratten die zijn boek bevolken. Het is een liefdevolle opsomming van alle personages in al zijn romans, al die grensgangers of grensoverschrijders, of ze nu John Grady Cole (All the Pretty Horses), Billy Parham (The Crossing) of Cornelius Suttree heten. Ook Suttree vergooit zijn leven en verkeert, als hij niet moederziel alleen is of de rivier bevist, in het gezelschap van 'dieven, schooiers, godverzakers, paria’s, labbekakken, schobbejakken, duitenklievers, ezelskoppen, moordenaars, gokkers, hoerenmadammen, sletten, snollen, bandieten, drinkebroers, pimpelaars, zuipers en aartszuipers, lomperiken, wufteriken, vagebonden, losbollen en ander liederlijk gespuis’.
McCarthy-personages zijn overlevers, opgejaagden met een oerinstinct voor solidariteit, om eens een woord te gebruiken dat 25 jaar geleden op de lippen van 'links’ bestorven lag. Niet het recht maar de redeloze, gewelddadige macht telt in McCarthy’s wereld. En in die rechteloze wereld is het lot altijd een verrassing. Maar overeind blijft het onverwoestbare rechtvaardigheidsgevoel van zijn protagonisten, die zo trouw als een hond blijven waar het mensen betreft die hen nooit belazeren.
Als ik Cormac McCarthy in een Amerikaanse literaire traditie moet plaatsen, is het noemen van Mark Twain, Sherwood Anderson, William Faulkner en Flannery O'Connor gerechtvaardigd maar al te zeer voor de hand liggend. Liever noem ik William Gass (Omensetter’s Luck), Thomas Pynchon (V) en Richard Brautigan - schrijvers die ook een voorkeur hebben voor allerlei dumpplaatsen waar het menselijk afval vrolijk en wanhopig overleeft. Bovendien zijn dit stuk voor stuk auteurs die een naargeestige wereld zeer geestig en taalbehendig kunnen oproepen, een straatleven dat in Angel wordt omschreven als 'een pantomime van de hulpelozen en onmachtigen’.
SUTTREE LEEFT op een primitieve woonboot aan de oever van de rivier die als een Hades of Styx door Knoxville, Tennessee stroomt. Het is 1951, als de roman begint met het opdreggen van een man die in de rivier is gesprongen. Suttree zet elke dag zijn vislijnen uit en verkoopt zijn vangst op de markt. Van het verleden van deze man aan de zelfkant krijgt de lezer zeer weinig te weten. Dat is niet verwonderlijk, want het heden slokt al zijn creatieve vermogens op. Bovendien is vergetelheid (drank) een welkom middel om het verleden op afstand te houden. Wel staat Suttree soms stil bij het feit dat hij de jongste is van een tweeling. Zijn broer is dood geboren, met een vlek op zijn rechterslaap. Suttree heeft er een op zijn linkerslaap. 'Spiegelbeeld. Slordig aftreksel. Hij ligt in Woodlawn, wat er ook over moge zijn van het kind waarmee je de buik van je moeder hebt gedeeld. Hij heeft nooit iets gezegd of gezien en doet dat ook nu niet. Misschien zat er zeewater in zijn schedel. Zowel dood als hersenloos geboren, of een griezelig uitziend teratoom. Nee, want we leken als twee druppels water op elkaar. Ik volgde hem de wereld in, ik. Een stuitgeboorte. Achterkant voor, net als bij walvissen en vleermuizen, levensvormen zonder affiniteit met de aarde, bestemd voor een ander milieu.’
Dat verleden duikt ook op tijdens familiebezoekjes waarbij fotoboeken op tafel komen, allemaal portretten van verloren zielen, kiekjes waarop, in een flits, beelden 'tussen worden en vergaan’ zijn vastgelegd.
Dat hij ook een vader is die er vandoor is gegaan, komt de lezer pas te weten als het bericht van de dood van zijn zoontje hem bereikt. Hij gaat per bus naar de begrafenis en laat zich aftuigen door in de steek gelaten familieleden. 'Wroeging stak in zijn keel als een grote klomp zout.’ Tussen de bomen op de begraafplaats ziet Suttree toe hoe de kleine kist met zijn zoontje ter aarde wordt besteld. Als iedereen weg is en de kist nog niet met aarde is bedekt, komt hij tevoorschijn en gooit het gat vol. Suttree is gekomen om zijn zoontje te begraven en hij zal dat doen, waarna de sheriff hem de stad uitzet. 'Hoe waar het is dat de doden boven de dood staan. Dood is iets wat de levenden met zich meeslepen. Een staat van angst, als een soort groezelige voorsmaak van een bittere herinnering. Maar de doden herinneren zich niets en het niets is geen vloek. Integendeel.’
Suttree, net vrijgekomen uit de gevangenis voor een klein vergrijp, wordt een loslopende hond genoemd in de roman, een halfslachtige balling en een schuifelende gek der laatste dagen. Hij sleept zich soms als een schim voort door de ruines van Knoxville, 'een geest die tussen dorre artefacten rommelde als een obscure paleontoloog tussen de beenderen van verlaten nederzettingen, waar geen ziel overgebleven is om een stem te geven aan het verleden’. McCarthy beschrijft hem zoals Joyce Stephen Dedalus en Leopold Bloom in Ulysses vormgeeft: beschrijvingen van handel en wandel in de derde persoon, gedachten weergevend in de eerste persoon.
Er is nog een ander perspectief in Angel, dat van de jonge en naieve bajesklant Gene Harrogate, eerst veldmuis (hij is opgepakt vanwege 'bestialiteit’, dat wil zeggen het neuken van watermeloenen), later stadsrat en rioolrat. Harrogate is een hopeloos en hulpeloos geval dat altijd aan het kortste eind trekt. Al zijn grote-geldplannen lopen op een fiasco uit, of het nu gaat om geld te vangen voor tientallen doodgemaakte vleermuizen of een bankoverval via de oude Burgeroorlogholen onder Knoxville. Harrogate is de vleesgeworden onschuld die voor veel hilarische en onthullende dialogen zorgt.
De menselijke ellende kent geen grenzen, het kan altijd nog erger, denkt Suttree. Maar McCarthy weet die tomeloze ellende vol moord, doodslag, ontrouw, hoererij en ziekte dank zij zeer geestige en razendsnelle tweegesprekken een glans van opgewektheid mee te geven: de opgeruimde, vlotte en soms cynische humor van de man die overleven moet en weet dat de jager van het ene op het andere moment de opgejaagde kan worden.
De afdaling in de onderwereld wordt schitterend beschreven in de fragmenten waarin Harrogate een tunnel graaft in het holenstelsel onder Knoxville en met staven dynamiet zijn beslissende slag wil slaan. Maar de stadsrat laat het riool springen en een golf drek overspoelt hem. Als een rat (de roman wemelt van de vergelijkingen tussen mens en dier) zit hij in een stikdonkere val: 'en er sloot zich een zo absoluut donker om hem heen dat hij zijn eigen grenzen verloor, tegelijkertijd zo groot werd als het heelal en zo klein als iets.’ Suttree redt hem, na dagenlang zoeken. Hij is trouw als een hond aan Harrogate, die goudeerlijk is.
Beiden worden daarna weer speelbal van liefde en lot. Suttree vormt een compagnonschap met een mosselvisser die de parels uit de schelpen voor grof geld meent te kunnen verkopen, wat andermaal een debacle oplevert, en zijn jonge maagdelijke dochter met wie hij neukt, komt later om in een hevig onweer. Harrogate wordt bij zijn eerste inbraak opgepakt en verdwijnt voor een paar jaar in de bak.
Suttree lijkt zich steeds meer te verwijderen van de andere bezitlozen in Knoxville, ondanks een kortstondige verhouding met een oudere hoer. Hij sjokt soms door de miezerige straten als een haveloze zwerver, een halve gek die in huilen uitbarst om een verdriet 'waarvoor geen naam is’. Hij is in wezen een krankzinnige, dat wil zeggen iemand die voortdurend het toneel van oude herinneringen en nieuwe vernielingen betreedt en die een zekere mate van autoriteit uitstraalt. Hij is met de dood in aanraking geweest en weer teruggekeerd.
AAN HET SLOT van Angel verlaat onze antiheld het strijdtoneel om dat ongetwijfeld te verruilen voor een ander. Hij staat langs de kant van de weg en steekt zijn duim omhoog. Een vrachtauto neemt hem mee de grenzeloze ruimte in die Amerika heet. Er duikt een scharminkelige hond uit de berm op, zoals zo vaak aan het slot van indrukwekkende romans. Deze 'jachthond uit de diepten’ besnuffelt de plek waar Suttree zojuist nog stond. Waarna de slotalinea volgt en er sprake is van een ik: 'Ergens in het kreupelhout langs de rivier loert de jager, en in het golvende koren en de gekanteelde drukte van de steden. Zijn werk ligt overal en zijn honden worden nooit moe. Ik heb ze in een droom gezien, kwijlend en wild, de ogen gek van de honger naar aardse zielen. Ontvlucht hen.’
Suttree lijkt nog een keer zijn gedachten aan de lezer te tonen, gedachten die kunnen samenvallen met die van de verteller en de schrijver. En misschien wel met die van de lezer, die dan bijna vijfhonderd bladzijden in de onderwereld van de menselijke geest heeft vertoefd en het 'blind gezwoeg op het kleed van de aarde’ heeft aanschouwd. Hij heeft de lectuur overleefd, ontvlucht niet maar begint opnieuw, want in een meesterwerk raakt hij nooit uitgelezen.