Vreemdsoortige stroefheid

TOM VAN DE VOORDE
VLIESGEVELS FILTER
Poëziecentrum, 56 blz., € 17,50

De natuur, daar is iets mee aan de hand. Dichter en boomarcheoloog Esther Jansma schreef in haar vierde bundel Hier is de tijd: ‘Natuurgedichten schrijven is sloopwerk.’ In de inhoudsopgave van de tweede bundel van Mustafa Stitou, Mijn gedichten, staat de reeks ‘Over de natuur’ die niemand die de bundel doorbladert zal vinden. En Arnoud van Adrichem schreef in zijn debuut Vis: ‘Het groene hart met daarin/ geplant een vlag: natuur’. De natuur lijkt er in gedichten niet al te florissant bij te staan. Zodra er een thema in poëzie taboe raakt of juist verplicht wordt gesteld, is het oppassen geblazen. Volgens de Amerikaanse dichter Claudia Keelan zou een woord als wilderness te besmet zijn om nog in poëzie te kunnen gebruiken.
Stel dat een of andere onverlaat op een nacht alle bomen in het park omzaagt en de volgende ochtend zet een dichter zich aan het raam en noteert: ‘ik droomde dat ik een boom was’, dan heeft die regel iets larmoyants. Maar ook al is een begrip beladen, het lijkt me geen belemmering erover te schrijven. Gevaarlijker lijkt het me er restricties op na te houden waarover poëzie zou moeten of mogen gaan.
Tom Van de Voorde debuteert met de bundel Vliesgevels filter. De bundel die verscheen bij het Poëziecentrum in Gent is bijzonder fraai vormgegeven. Het omslag stelt een aflopend dak voor van ronde loden dakpannen. Alleen uiterst links steken er wat boomtoppen bovenuit. ‘beweging wordt door kleuren stilgezet/ wanneer de wind langs paden of door tuinen jaagt’, dicht Van de Voorde. Het is poëzie die registreert, maar eerder ontleedt de dichter de beelden dan dat zijn poëzie ze genereert.

hoe eenstemmig klinkt het
bovenwindse luiden
bij het winters gloren van de tak
wanneer in oeverbekken
langs dauw en groen
een veelheid ganzen overtrekt
gesnater en gegak
komen deze plek voorbij
zodra het zonlicht tussen kruinen hangt

De exacte locatie van het geluid, in bovenstaand gedicht ‘bovenwinds’, komt vaker aan bod in dit debuut. Klanken die door de wind worden gedragen vinden onderdak in wapperende bomen. Ook in de regels ‘hoe de wind in bomen boven water orgelt/ kruin of blad een klank kan vormen’ is er een vreemde nadrukkelijke aanduiding van waar het geluid zich bevindt.
Vliesgevels filtert is een opvallend debuut. Niet zozeer is de thematiek per se archaïsch, wel het toeschrijven van menselijke eigenschappen aan bomen tamelijk onverwacht en een beetje oneigenlijk. Zoiets lijkt een poëzie te behoren die Van de Voorde ondertussen helemaal niet schrijft. En dat is de frictie in dit werk, het eigenaardige. Bomen gaan wuivend uit elkaar staan. En ook een stam die ‘treurt’ om ‘het afhangende beginsel/ van een bomenrij’ is en blijft een observatie. Door het werkwoord treuren klinkt het ouwelijk.
Van de Voorde zoekt samenhang tussen techniek en natuur. Hij doet dat door op een onderzoekende manier te omschrijven. Zijn toon is beheerst. Dat maakt dat de gedichten een aantrekkelijke kalmte hebben. In bepaalde korte gedichten waar de regels niet direct een logisch verband met de voorafgaande hebben, klinkt invloed van het werk van F. van Dixhoorn door. Op één pagina staan bijvoorbeeld niet meer dan twee woorden: ‘groen zeil’. Soms klinkt Van de Voorde nadrukkelijk plechtstatig: ‘waar regen in de slag het water treft/ aan gene zijde het kanaal/ het scherp gerande blad/ in tijen naar de oever reikt.’ Mooi ingehouden is een regel als ‘tekent zich het dralen van de wolken af’. De vreemdsoortige stroefheid in het werk maakt dat deze bundel zich niet snel prijsgeeft en hoe dun hij ook is en hoe kort de gedichten ook zijn, vrijwel direct om herlezing vraagt. Van de Voorde dicht vooral erg ingehouden, maar is duidelijk een talent.

alsof je dagelijks tracht bij te houden
of naderhand noteert
hoe ver men voor zich uit kan kijken
scheef bezien als was je vogels aan het tellen
iets dat lijkt op wachten
tot een zwerm de lucht betrekt

Van de Voorde (1974) was redacteur van het tijdschrift Yang en poëzierecensent voor De Financieel Economische Tijd. Hij vertaalde onder meer gedichten van de Amerikaan Michael Palmer voor Tirade en Parmentier. Hoewel zijn debuut duidelijk van taal is, blijven bepaalde passages raadselachtig. ‘pigment verdunt getal’ en ‘opdat een vleugel hier niet merkbaar wordt/ verdreven vogels kleuren/ zonder veren na te laten.’ Het werk lijkt voort te komen uit een gevoelige manier van observeren, met een hang naar precisie. Maar die precisie raakt verstrikt in toeschrijvingen. Vliesgevels filter is een serie, in feite een doorlopend gedicht. De curve waar de bundel mee opent, waarvan ‘de uitvloei’ op een lijn gaat lijken, keert herhaaldelijk terug. Die eenheid een bundel lang volhouden is knap, maar om er achter te komen met wat voor dichter we van doen hebben, zou ik meer willen zien.