Arabistenstrijd: Hans Jansen tegen de rest

Vrees aanjagen of terroriseren

Arabisten verbijten zich over hoe collega Hans Jansen sinds 11/9 de discussie over de islam domineert. ‘We zitten in dezelfde positie als Kamerleden tegenover Wilders.’

HET DEBAT onder arabisten over de rol van de islam in Nederland in twee scènes. Scène 1: een vrijdagochtend in de werkkamer van Ruud Peters, hoogleraar islamitisch recht en het Midden-Oosten aan de Universiteit van Amsterdam, een rommelige en gezellige bovenetage, met boekenkasten vol vakliteratuur en souvenirs van vijftig jaar reizen naar het Midden-Oosten. Een propagandaposter van de Iraanse Revolutie, met ayatollah Khomeini die zich over een angstige Yank buigt, waakt over het trapgat. We hebben het over problemen in de Nederlandse maatschappij waar grote groepen moslims mee kampen. Ziet Peters een maatschappelijk probleem dat met de islam samenhangt? ‘Nee, wat voor probleem dan bijvoorbeeld?’
We opperen politiek geweld. Peters: 'Ach, dat was zo marginaal, zo klein.’ Maar Mohammed B. dan, dat had toch moeilijk een christen kunnen zijn? 'Natuurlijk wel!’ zegt Peters. 'In de Verenigde Staten heb je radicaal-christelijke terroristen, in Israël orthodox-joodse terroristen. De moord op Van Gogh was een identiteitskwestie en heeft niets met de islam te maken.’
Scène 2: herhaalde pogingen om Hans Jansen, tot 2008 bijzonder hoogleraar hedendaags islamitisch denken in Utrecht, te spreken te krijgen. 'Ik heb er geen zin in om weer als pispaaltje te dienen voor de jongelingen of de ouderlingen van de linkse kerk’, schrijft hij in een e-mailreactie. 'Er valt voor mij niets te winnen behalve weer een nieuwe golf haatdragende reacties.’ Nu is zijn standpunt, dat hij ook in zijn e-mails herhaalt, genoegzaam bekend: de cultuur van moslims is de koran, en die schrijft hun de vreselijkste dingen voor. Om dat nu opnieuw te herhalen? 'Ik heb mijn plicht wel gedaan, vind ik.’
Na negen jaar integratiedebat weten de meeste Nederlanders direct de clou in deze tegenstelling te vinden. Enerzijds heb je het veld van wetenschappers, genuanceerd en goed ingevoerd maar ook te soft, te links en te vergoelijkend over de donkere kanten van de islam. Anderzijds heb je de polemist, scherp en onafhankelijk maar ook te radicaal, te rechts en te boos op alle moslims bij elkaar. De waarheid zal wel ergens in het midden liggen.
Het vaste mediaformat van een voor- en een tegenstander citeren, heeft de afgelopen jaren het beeld geschapen van een kampenstrijd onder Nederlandse arabisten, van wetenschappers die de koran en andere Arabische teksten kunnen lezen en op basis daarvan een fel wetenschappelijk debat voeren over de rol van de islam in Nederland. Twee dingen kloppen niet aan dat beeld: de kampen zijn er niet, de wetenschappelijke discussie is er ook niet.
Wat het eerste betreft, is er alleen Jansen tegen de rest. Hij is zelf de eerste om dat te signaleren. ’“Meningsverschillen onder arabisten”, laat me niet lachen’, mailt hij. 'Er bestaat onder arabisten volstrekte consensus over het karakter van de islam.’ (Met hemzelf daar buiten, welteverstaan.) Martin van Bruinessen, hoogleraar vergelijkende studie van moderne islamitische samenlevingen aan de Universiteit Utrecht, beaamt dat: 'Jansen staat echt alleen. Hij heeft er zelf voor gekozen een Einzelgänger te worden.’
Dat was niet altijd zo. Jansen was decennialang een gerespecteerd arabist die standaardwerken schreef die nog altijd aan universiteiten worden gebruikt. Weinigen in Nederland zijn zo goed bekend met de Arabische bronteksten als hij. Daarnaast is hij ook een begenadigd spreker en schrijver. Maar sinds hij zich toelegde op het maatschappelijk debat na 11 september 2001 en de moord op Theo van Gogh is hij mijlenver van zijn collega’s af komen te staan. 'Hij wordt door zijn collega’s niet meer serieus genomen’, zegt Van Bruinessen.
Dat is minder zielig dan het lijkt: Jansen is veruit de meest gelezen, meest geciteerde en meest zichtbare arabist van Nederland. 'Hij is de belichaming van de arabistiek in Nederland’, constateert Maurits Berger, hoogleraar islam in de westerse wereld te Leiden. En dat steekt. 'We hebben het er als collega’s wel eens over hoe we er iets tegenover kunnen stellen. Nu zitten we in dezelfde positie als Kamerleden tegenover Wilders: wij moeten altijd reageren op radicale uitspraken van Jansen en dan heb je al snel de rol van apologeet. We krijgen geen vat op hem en ons eigen verhaal is kennelijk niet interessant voor de media. We hebben wel eens gedacht aan een dagje op de hei met journalisten om te vragen waar dat nou aan ligt. Of aan gezamenlijk een stuk schrijven waarin we sec en wetenschappelijk alle fouten aanwijzen in Jansens claims.’
Dat gezamenlijke antwoord op Jansen is er nooit gekomen. Van een wetenschappelijk debat tussen Jansen en zijn collega’s is überhaupt geen sprake. Daarvoor liggen de uitgangspunten te ver uiteen. 'Alleen Jansen meent dat godsdienst het gedrag van mensen kan verklaren. Hij ziet moslims als eendimensionale mensen die zich enkel volgens de voorschriften van de koran kunnen gedragen’, zegt Ruud Peters. 'Je mag het bij elke godsdienstwetenschapper gaan vragen, maar er is niemand anders die gelooft dat religie mensen op zo'n manier stuurt.’
Omdat arabisten menen dat het gedrag van moslims niet door de letter van de koran wordt gestuurd, betekent dat ook dat zij hun specifieke kennis van de islam - cru gezegd - als irrelevant zien voor het integratiedebat. 'Ik zie niet in hoe je maatschappelijke verschijnselen anders zou moeten verklaren dan met maatschappelijke factoren’, verwoordt Martin van Bruinessen de consensus. Hans Jansen wil bij elk maatschappelijk probleem waar moslims bij betrokken zijn juist wel over religie praten, maar krijgt daarin zijn collega’s niet mee. Omdat ze elkaars uitgangspunten van onderzoek afwijzen, treden beide partijen niet met elkaar in wetenschappelijk debat. 'Er is nooit een gedachtenwisseling geweest zoals die wel tussen andere onderzoekers plaatsvindt’, aldus Van Bruinessen. Einde debat.

ARABISTEN ONDERVRAGEN over maatschappelijke problemen van moslims is daarom een moeizame exercitie. Ze zijn vaak achterdochtig tegenover de media, bang dat hun uitspraken uit hun verband worden gerukt en überhaupt niet geneigd om hun expertise over de koran te koppelen aan de problemen die moslims in Nederland ervaren of veroorzaken. Wie toch doorvraagt, komt direct in de kwalificaties en vergelijkingen terecht. 'Als je moslims wilt analyseren, moet je meteen moslims gaan onderverdelen in groepen’, zegt Maurits Berger. 'Er zijn ook Nederlandse christenen die homoseksualiteit afwijzen, de gelijkheid van man en vrouw, de moderne medische wetenschap. Ook bij moslims heb je een scala dat loopt van agnosten tot extreem-orthodoxen.’
Arabisten hanteren deze benadering bij elk maatschappelijk probleem, ook als de islam daarbij duidelijk een rol speelt - bijvoorbeeld wanneer fundamentalisten de koran aanhalen als rechtvaardiging voor religieus geweld, vrouwenonderdrukking of afwijzen van homoseksualiteit. De afgelopen tien jaar wendde het Nederlandse publiek zich tot de arabisten als een fundamentalist zich op de koran beriep voor het weigeren van een hand of het neersteken van een filmmaker. Alleen Hans Jansen sprong in dat gat, terwijl andere arabisten er telkens op hamerden dat we moesten kijken naar de specifieke moslims die de islam aanhaalden als ze een hand van een minister weigerden of een filmmaker neerschoten, niet naar de islam op zich. Dat was wetenschappelijk gezien misschien verdedigbaar, maar ze hebben zichzelf daarmee buitenspel gezet in het maatschappelijke debat.
Mogelijk is er wel enige verandering op komst. Gemeten naar media-aandacht en opwinding lijkt er sprake van een intredende moeheid met de slepende is-de-islam-een-religie-of-ideologie-kwestie. Bovendien lijkt een nieuwe generatie arabisten niet van zins om in dezelfde richting verder te gaan. 'Het is een generatieconflict tussen oudere arabisten, tussen gepensioneerde of bijna gepensioneerde babyboomers. Een achterhoedegevecht’, zegt de 33-jarige arabist Robbert Woltering. Voor Woltering is het beste voorbeeld voormalig Midden-Oosten-deskundige van de Wereldomroep Bertus Hendriks, die in de eerste plaats een activist voor de Palestijnse zaak was.
In zijn krappe werkkamer aan de Universiteit van Amsterdam pakt Woltering er een Nederlandse koranvertaling bij om zijn punt te illustreren. Hij bladert naar vers 60 van hoofdstuk 8, berucht geworden door Wilders’ film Fitna. Volgens de vertaling uit de film, toegeschreven aan Jansen, staat daar: 'te terroriseren: Allah’s vijand en uw vijand’. De Nederlandse standaardvertaling schrijft: 'vrees aanjagen’. Wat de vertaling betreft geeft Woltering Jansen gelijk: 'vrees aanjagen’ is inderdaad onnodig verzachtend. Maar dat is voor Woltering niet het centrale punt: dat is dat Jansen een belangrijke ideologische betekenis geeft aan dit soort onbeduidende kwesties. Woltering: 'Het is niet zo dat de nieuwe generatie heel nieuwe denkbeelden heeft, maar we hebben wel minder ideologische bagage.’
Hij heeft in ieder geval weinig zin in het soort mediasalvo’s waar zijn vakgenoten toe worden gedwongen. Of in het soort schizofrenie waar Maurits Berger zich toe gedwongen voelt. 'Weet je nou wat het erge is’, zegt hij opeens, midden in een verhandeling over de radicalisering van moslims. 'Als ik hierover praat, krijg ik meteen de neiging om er haastig bij te zeggen: “Maar wat er in Afghanistan gebeurt, de terreur in de naam van de islam, de problemen in Nederland, dat vind ik natuurlijk vreselijk.”’