Het Barre Land

Vrees in een handvol stof

T.S. Eliot
Het Barre Land
Vertaling, commentaar en nawoord Paul Claes
De Bezige Bij, 223 blz., € 29,50

Midden in de Eerste Wereldoorlog schrijft de halsoverkop getrouwde T.S. Eliot, Amerikaans dichter wonend in Londen, aan zijn collega-dichter Conrad Aiken een opmerkelijke brief. Zijn vrouw, Vivienne Haigh-Wood, is dan, in januari 1916, door huisvriend Bertrand Russell meegenomen op een zeevakantie in Torquay. Daar is Vivienne meer dan de secretaresse van deze filosoof en pacifist. Eliot schrijft aan Aiken dat hij in het turbulente half jaar van zijn huwelijk niets heeft geschreven. Dat kwam door financiële problemen, maar meer nog door de precaire geestelijke gezondheid van Vivienne. ‘Maar toch maak ik een fantastische tijd mee. De afgelopen zes maanden heb ik het materiaal voor een reeks lange gedichten geleefd. Een heel ander leven waarnaar ik twee jaar geleden verlangde. Cambridge komt mij nu voor als een saaie nachtmerrie.’

Een jaar later is Eliot, gekweld door het overspel van zijn vrouw maar niet minder door zijn eigen willoosheid, bezig met het ontwikkelen van zijn poëtica. In zijn beroemde essays Tradition and the Individual (1917) en The Metaphysical Poets (1921) formuleerde hij zijn onpersoonlijke poëzietheorie. De vooruitgang die een dichter boekt, valt samen met zelfopoffering, met ‘een voortdurende vernietiging van persoonlijkheid’. De dichter moet niet op zoek gaan naar nieuwe emoties, maar te rade gaan bij de gewone emoties. Door juist die tot poëzie om te werken of te transformeren kan hij gevoelens uitdrukken die los staan van de eigenlijke emoties. Zo wordt poëzie geen gevoelsuitbarsting, maar ‘een ontsnapping uit de emotie’, geen uitdrukking van een persoonlijkheid, maar ‘een ontsnapping aan een persoonlijkheid’.

Medium eliot 20op 20maakt

Voor deze manier van dichten gebruikte Eliot afstand scheppende termen als ‘objectieve correlatief’ (een reeks objecten of gebeurtenissen die een specifieke emotie uitdrukt) en ‘dissociatie van sensibiliteit’ (het scheiden van gevoelens en het ‘redenerende’). Maar de gevoeligheid van de ideale dichter, zoals Eliot die ziet in The Metaphysical Poets, lijkt eerder geïntegreerd te zijn en intact gebleven dan losgekoppeld: ‘Als een dichtersgeest geschikt is voor het werk, verbindt hij voortdurend uiteenlopende ervaringen; de ervaring van de doorsnee mens is chaotisch, ongeregeld, fragmentarisch. Laatstgenoemde wordt verliefd of leest Spinoza, en die twee ervaringen hebben niets met elkaar te maken, of met het lawaai van de typemachine of de kookgeuren; in de geest van de dichter vormen deze ervaringen altijd nieuwe gehelen’ (uit: James E. Miller Jr., T. S. Eliot’s Personal Waste Land. Exorcism of the Demons, 1977).

Zo’n nieuw geheel is The Waste Land, waarin traumatische autobiografische ervaringen gemaskeerd en vervormd zijn verwerkt. Maar wie Eliot alleen op dat niveau wenst te lezen, mist wel heel veel. Als we Ulysses van James Joyce, gepubliceerd op 2 februari 1922, een modernistische stadsroman noemen, mag Eliots fameuze The Waste Land, uitgekomen in december 1922 en schatplichtig aan Joyce en tientallen andere schrijvers, een modernistisch stadsgedicht heten: de Londense ‘Onwezenlijke City’, het geld- en handelscentrum waarin Eliot jarenlang werkte, lijkt op Dante’s città dolente, de droefgeestige metropool uit het Inferno. De stad als amorele hel vol uitgebluste zoekenden naar een nieuw samenbindend houvast, vlak na de Grote Oorlog. Eliot verzet zich als een lethargische romanticus, met moeite op zoek naar een nieuwe Graal, tegen de (stadse) leegheid, voosheid en richtingloosheid van na de Eerste Wereldoorlog. Aan het slot van Principles of Social Reconstruction (1916) signaleert Bertrand Russell een schijnbare tegenstelling: de overlevenden van de loopgravenoorlog zijn geestelijk dood en dienen opnieuw tot leven gewekt te worden.

Paul Claes, medevertaler van Ulysses, heeft Eliots The Waste Land vertaald als Het barre land. Russells paradox ziet hij als ‘een van de kerngedachten’ van het vijfdelige gedicht, dat na redactionele ingrepen van Ezra Pound bijna gehalveerd was. In vertaling telt het vijftien bladzijden, exclusief de noten van Eliot (tien), Claes’ inleiding (zestien), commentaar (135) en bibliografie (veertien).

The Waste Land – waarin elk woord echo, citaat of commentaar blijkt – is sinds jaar en dag bedolven onder uitleg en interpretatie. Hoe kunnen we Het barre land lezen; hoe ontdekken we het kunstig verstopte schrijversalfabet, te weten de citaten van Augustinus, Byron, Chaucer, Dante, Eliot, Frazer en bovenal Shakespeare? Paul Claes biedt voor Eliots mythisch-modernistische gedicht aanvankelijk zes leessleutels aan. Je kunt het lezen aan de hand van de indeling in vijf fragmenten, die zich afwisselend concentreren op de natuurelementen. In Het begraven van de doden is er de aarde: ‘Ik laat je vrees zien in een handvol stof.’ De delen De vuurrede, Verdrinkingsdood en Wat de donder zei behoeven geen uitleg. De lezer die let op leidmotieven zal bijvoorbeeld de vele herhalingen van het getal drie opmerken. Het eindeloze panorama van chaos en richtingloze historie in zijn gedicht geeft Eliot vorm en betekenis door Frazers vegetatiemythe als basis te gebruiken. Ook het laten vervloeien van literaire, historische en verzonnen figuren uit verschillende tijdperken en plaatsen is een beproefde methode. En dan is er de intertekstualiteit. Of zoals Eliot het eens prikkelend zei: ‘Onrijpe dichters imiteren, rijpe dichters stelen; slechte dichters verminken wat ze overnemen en goede dichters maken het tot iets beters of althans iets anders.’

Paul Claes eindigt zijn inleiding op Het barre land met een zin die onnodig sensationeel is door het smeuïge dat de lezer beloofd wordt, als toetje: ‘Een zevende en laatste sleutel bewaar ik voor het nawoord: hij opent onverwacht een biografische toegang tot een onpersoonlijk lijkend gedicht.’ Maar dat Bertrand Russell tussen 1915 en 1919 Viviennes minnaar was, is al tientallen jaren bekend, en ook dat de driehoek Eliot, Russell en Vivienne in The Waste Land doorklinkt. Vandaar dat ik de kern van Claes’ al te opzichtige nawoord maar meteen in de eerste alinea van dit artikel heb verklapt. Want wie The Waste Land per se terug wil brengen tot een schrijfsessie fungerend ‘als therapie voor een zware depressie en een mislukt huwelijk’ (Claes) is een lezer met oogkleppen. Eliot zelf schreef aan zijn vader dat de loopgraafgruwelen van de Eerste Wereldoorlog elk privé-lijden tot een bagatel maakten.

Maar dat flauwe uitsteltrucje van Claes, die zeker niet van de biografisme-school is, blijft dan ook de enige smet op een meer dan voortreffelijke vertaling van dit klassiek-modernistische gedicht, deze allegorie rond de ontgoocheling van de naoorlogse Britse generatie. Bovendien heeft Claes zo ongeveer alles over Eliots gedicht gelezen en dat, samen met eigen inzichten, verwerkt in zijn commentaar.

Het gedicht opent met het bekende ‘April is the cruellest month, breeding/ Lilacs out of the dead land, mixing/ Memory and desire, stirring/ Dull roots with spring rain’. Claes maakt daarvan: ‘April is de grimmigste maand, hij wekt/ Seringen uit het dode land, vermengt/ Herinneringen en verlangen, port/ Lome wortels op met lenteregen’. Eliot eindigt 430 regels later met Sanskriet: ‘Datta. Dayadhvam. Damyata./ Shantih shantih shantih’. Claes vertaalt die zes woorden als ‘Geef, voel mee, beheers./ Vrede vrede vrede’. Heel nadrukkelijk verwerpt Claes de interpretatie van Het barre land als een gedicht van louter ontgoocheling. In het slotdeel ziet hij de kiemen van verlossing uit de hel van het barre land, holle mensen en de hebzuchtige, zondige hellestad. Misschien schemert daarin ook al Eliots latere bekering door tot het doopsgezinde christendom: vanuit een geestelijke woestijn onderneemt Eliot een queeste naar religieuze genade of goedertierenheid. Als hij, in het openingsdeel Het begraven van de doden, de mensenzoon aanspreekt, gaat dat zo: ‘Alleen/ Onder deze rode rots is er schaduw,/ (Kom hier in de schaduw van deze rode rots),/ En ik zal jou iets anders laten zien dan/ Je schaduw die ’s ochtends achter je aan stapt/ Of je schaduw die ’s avonds op je toe komt…’ Vanuit het perspectief van de eenzame zoeker in de woestijn dichtte Eliot over de kaalslag in de twintigste-eeuwse beschaving. Het rood was het bloed van Jezus. De geciteerde dichtregels lopen uit op de angst tot stof te vergaan. Het is aan de obsessieve dichter om dat stof weer tot leven te wekken en het barre land weer vruchtbaar te maken.

Wie Het barre land elk jaar herleest mag die onmogelijke tocht vol troostrijke drenkplaatsen meemaken. (‘If we were all suddenly somebody else’ liet Joyce Leopold Bloom al verzuchten in Ulysses). Elk jaar ontdekt hij nieuwe literaire echo’s en opmerkelijke versregels. Maar vanaf nu is daar de leesgids en vertaler Paul Claes, die elke Eliot-regel uitputtend heeft becommentarieerd en niet meer weg te denken is in het Eliot-discours.