Geert van Istendael, De zwarte steen

Vreten maar

Geert van Istendael

De zwarte steen

Atlas, 239 blz., € 18,50

We verplaatsen de camera met een tijdmachine lijkt het naar een duistere toekomst in een gebied dat Onland heet en maken samen met de journalist en veelvraat Nicolaas Helmers een zoektocht naar een geheimzinnige steen, die al eeuwen door de geschiedenis van de Mensheid rondspookt. Is het dezelfde steen die de held op een dag van het bureau van zijn hoofdredactrice, Suzanne Preijput, meeneemt? Wie is de Grote Commissaris waar Helmers terechtkomt en aan wie hij zijn avonturen in Onland vertelt? Is het Ida Belyce, de vrouw naar wie Helmers hartstochtelijk op zoek is?

Wanneer je een poging onderneemt deze roman van Van Istendael samen te vatten, is het vrijwel uitgesloten niet diens jachtige en jagende toon over te nemen. Zie boven. Alles staat onder stroom in deze roman of is uitvergroot. «Ach, ze was een raspaard, Penelope, twee handenvol borst, exact zijn maat, benen als kreeftenscharen, een groot, een rozenstruik, een smeerkuil voor zijn rode racewagen, allemaal namen die ze voor haar eigen geslacht bedacht had, bij iedere vrijpartij had ze er zes nieuwe klaar, verse versiering, zo noemde ze het en ze regen samen de namen tot nieuwe kettingen, iedere stoot een schakel, tijger, roompot, tuil, likkepot, flauw, twee keer pot, tompoes dan, schaamlap, pausin, nobelprijs, ze was gek op haar eigen onderdeel, ze masturbeerde dat de stoom uit haar neusgaten floot, tegelijk haar Nicolaas, haar goedheiligman afrukkend, haar hand een fluwelen trektang.»

Dit is niet wat je noemt proza dat als een trillend juffershondje op je afkomt en bibberend je handen aflikt, dit is proza van de man die in een gevlekte, gepokte en gemazelde schrijversoverall in een reusachtige hangar zinnen bakt in grote overborrelende schrijfpotten waaronder vervolgens de bezoekers, die angstig bijeen schuiven aan te kleine tafels, worden bedolven. Open die bek en vreten maar. Deze eetmetafoor is er niet eens door mij met de haren bijgesleept, het hele boek staat bol van overvloedige, vaak smerige eetpartijen, compleet met het daarbij horende gekots en geschijt. De ik-figuur beschrijft regelmatig zijn medelanders in termen van eten, tot zich nemen, naar binnen werken, de maaltijden in het Kasteel van de Grote Commissaris volgen elkaar in sneltreinvaart op. Alles is eten in dit voort jakkerende boek.

De veelheid, de overdrijving, de grote brokkenschrijverij, het gedreun op reusachtige schrijfbekkens, krijgt vaak genoeg een metaalachtige en schrille bijklank in dit boek, waarbij je je oren wel eens een tijdje dicht zou willen stoppen om heel even niks te hoeven horen of weten van dat sterk aan België herinnerende Onland waar iedereen en alles verloedert en waar alleen in kleine enclaves de consumptiemaatschappij nog hoog gehouden wordt. Waarbij ik me tegelijkertijd toch erop betrapte bewonderend te zitten grijnzen om dit hardnekkige en schaamteloos volgehouden schrijfbarbarisme.

Ja, die Van Istendael heeft gelijk. Waarom altijd die verrekte omweg in beeldspraak, zoals in de meeste Nederlandse romans, waarom dat stille gefluister van doodzieke schrijvers over hun doodzieke ego’s die maar geen aandacht krijgen (en nog steeds niet begrepen worden)? «Dit boek is een brok basalt, een diamant, een veeg slijk…» staat doodleuk op de achterflap en dan volgt een ellenlange opsomming van wat het boek allemaal nog meer is. En daarboven die mooie kop van de schrijver, leeuwenmanen in een net pak. Ach, de ironie druipt ervan af natuurlijk, maar het is niet alleen ironie: deze schrijver is in de letterlijke betekenis een woordbakker, een woordkakker zelfs, en dan bedoel ik dit zeker niet denigrerend want zijn stijl mist het dodelijk ernstige dat veel van dit soort boeken onverteerbaar maakt. Van Istendaels stijl, dat is ook om mee te mogen leven en om te lachen en om te bewonderen.

Zou dit een typisch Vlaams boek zijn? Het is verschrikkelijk dit op te schrijven, laat staan het te denken. Maar toch schoot het ineens mijn pen uit. Een typisch Vlaams boek, wat zou dat kunnen wezen? In ieder geval is de laatste twintig, dertig jaar in Nederland niet meer een boek als dit verschenen, met deze volgehouden eetmetaforiek erin en dit wellustige schrijfpathos. Hoogstens kun je in Gewassen vlees van Rosenboom fragmenten van deze stijl aanwijzen. Dit genieten van taal en van grappen en grollen over maatschappelijke verhoudingen. Zoals ook de trilogie van Lanoye niet alleen een beeld geeft van maatschappelijke wanhoop, maar ook een taalgenietend boek is. Houden Vlaamse schrijvers meer van taal dan Nederlandse? Je leest de laatste tijd steeds vaker analyses over toenemende verschillen tussen de Vlaamse en de Nederlandse culturele mentaliteit. En in Antwerpen schijnt men een geweldige hekel te hebben aan die brutale en schreeuwerige Nederlanders. Maar dit boek van Van Istendael is toch echt een verregaand brutaal en schreeuwerig boek. Iemand moet er maar eens een forum over organiseren, ik kan het me niet voorstellen, die verschillen, er is geen sprake van, er mág geen sprake van zijn. Het ligt vast en zeker aan uitgevers die het niet vaak meer aandurven dit soort uit hun voegen barstende boeken uit te geven.