Vriend

Het is ‘beter slapen met een nuchtere kannibaal dan met een dronken christen’. Dat schreef Herman Melville in Moby Dick. Hoofdfiguur Ismaël wordt door de waard ondergebracht in een reeds bezet bed, dat toebehoort aan een harpoenier die met gebalsemde mensenhoofden leurt. Maar niet gevreesd, de monsterlijke Queepueq blijkt uiterst lieflijk en wordt zijn vriend.

Medium joostens300

Het is een van de passages die smakelijk is samengevat door Piet Joostens in het boek Over de vriend. Je zou haast denken dat het een gelegenheidsboek voor de laatste Boekenweek was, maar het essay is ontstellend rijk en pakkend. Het tot een bepaalde gelegenheid beperken zou zonde zijn, de auteur heeft hier duidelijk jaren aan gewerkt. Het is een erudiete, eerlijke en begeesterde studie naar de rol en de betekenis van de vriend, in de literatuur, de geschiedenis en de maatschappij van nu. Piet Joostens redeneert kalm en formuleert uiterst helder. Met een niet-aflatende leeshonger onderzoekt hij hoe Aristoteles, Cicero, Montaigne, Nietzsche, Kafka, Deleuze, Agamben en Badiou over de vriend dachten. Hij citeert ze en spreekt ze waar nodig tegen, hij vergelijkt de plek die de vriend krijgt toebedeeld, de rol die hij vervult. En ook Bert en Ernie komen voorbij, een film van Gus van Sant genaamd Gerry en ook Wikipedia-artikelen en kleine voorbeelden uit het eigen leven van de auteur en zijn vrienden.

Een vriend heeft een andere plek dan een geliefde of familie. Maar er zijn raakvlakken. En het kan gebeuren dat gesprekken met een vriend inniger zijn, dat men vertrouwelijker is omdat de band vrijblijvender is. Van een vriend kan men minder verwachten, minder verlangen, de affectie van de vriendschap komt eerder als cadeau. Het vormt een thema dat Piet Joostens nooit los lijkt te laten, dat hij binnenstebuiten keert en optilt en in het volle licht zet. Op geen enkele pagina verveelt zijn studie, door zijn passie en begeestering voor het onderwerp beklijft het in elke passage. Tegelijk is de toon rustig en onderkoeld, Joostens legt overwogen uit en citeert alleen wat hij nodig heeft binnen de context van zijn verhaal.

De vriend is een ‘schimmig personage’ en vriendschap heet een ‘uiterst troebel concept’. Maar er is een belangrijk onderscheid tussen vriend en goede kennis. Volgens Aristoteles in de Ethica Nicomachea is de goede kennis alleen belangrijk als we hem tegenkomen of om een dienst verlegen zitten. ‘Vrienden zijn op een veel complexere manier met elkaars leven verweven’, schrijft Joostens. ‘Ze willen op zoveel mogelijk vlakken met elkaar omgaan, elkaar op zoveel mogelijk punten in vertrouwen nemen en aan zo'n veel mogelijk dingen samen plezier beleven.’ Het is de meest optimistische passage van het boek, en doet zelfs even denken aan verliefdheid. De vriend als levensgezel. Het onderscheid tussen vriend en kennis moge duidelijk zijn, waar het Joostens in zijn studie om te doen is, is het verschil van vriend en geliefde.

Montaigne bezong zijn vriend Etienne de la Boétie net iets te veel, te uitbundig, vooral na de dood van die vriend. Hij plaatst hem op een voetstuk. Hij gaat, zo toont Joostens aannemelijk aan, ‘helemaal in overdrive’. Onderhoudend is de passage die Joostens wijdt aan Bouvard en Pécuchet, de twee heerschappen uit de gelijknamige roman van Flaubert, die elkaar tegenkomen en merken dat beiden hun naam in hun hoofddeksel hebben geschreven, zodat niet iemand anders het op kantoor mee zou nemen. Het is reden om direct bevriend te raken, en niet zo'n beetje ook. Vrolijk kwebbelend trekken de twee heren met elkaar op, gaan zelfs in een huisje buiten de stad wonen. De toevalligheid van de naam in de hoofddeksels leest Joostens als een parodie op de ‘onverklaarbare macht’ of ‘op een door het lot voorbestemde wijze’ hoe volgens Montaigne de vriendschap zou ontstaan. ‘Wat liefde op het eerste gezicht heet, geldt voor alle hartstochten.’

Ook Charlotte Mutsaers passeert de revue met haar boek Koetsier Herfst. Er is een parallel met de vriendschap met de kannibaal in Moby Dick, als een schrijver die ‘als bij wonder smoorverliefd is op een hupse, frisgroene Nokia-gsm die hij in het Vondelpark heeft aangetroffen’ de rauwdouwer Freddy Blondeel ontmoet. Het blijkt een vent van goud, wiens vuist na elk biertje keihard op de rechterdij van de schrijver neerdaalt, terwijl hij ‘Fun!’ schreeuwt.

Profijt kan alleen het gevolg van vriendschap zijn, niet het uitgangspunt. Ontstaan doet vriendschap uit een natuurlijke neiging. Een lang hoofdstuk gaat over het gemiddelde aantal vrienden dat een mens zou kunnen hebben. Veelvrienderij, een neologisme analoog aan veelwijverij, wordt afgeraden, de persoon in kwestie zou in te veel verschillende gedaantes moeten kruipen om aan zijn vrienden verwant te kunnen zijn. Typerend is dat Piet Joostens het fenomeen Facebook heel kalm analyseert, er niet hip of meesmuilend over schrijft. Joostens neemt alle facetten serieus. Vrienden staan buiten de wet. ‘De ambtelijke wet is alleen geïnteresseerd als er op de een of andere manier bloed, seks of geld mee gemoeid is’, oftewel als het niet om vriendschap gaat maar bloedverwantschap, partners of zakenrelaties. Gelukkig ook maar, want als Saint Just, een gezel van Robespierre, een blauwdruk wil geven van de vriendschap als republikeinse instelling krijgt de vriendschap heel andere eigenschappen. Saint Just wil een ieder die niet in vriendschap gelooft uit de republiek verbannen, wil dat volwassen mannen verklaren wie hun vrienden zijn en daar verantwoordelijk voor zijn. Na hun dood zijn het de vrienden die elkaars rouw dragen. Ze zijn de voogden van hun kinderen. Ze moeten elkaars graf delven en elkaars uitvaart regelen. Saint Just is de enige die de vriendschap in de wet wil opnemen, hij belandt zelf echter onder de guillotine.

Waarom zeggen Britten zo graag mate, maat, kort voor kameraad? Sommige vriendschappen duren langer dan relaties. Een vreemde vertrouwelijkheid kan dan ontstaan, ook tussen man en vrouw. Piet Joostens keert zich tegen de populaire schrijver Michel Onfray, die schreef ‘naastenliefde is geleuter, geroep in de woestijn’ en die vriendschap wegens zijn buitenwetmatigheid tot hedonisme verklaart.

‘Wat is vriendschap anders dan een nabijheid die zo groot is dat je je er geen voorstelling van kunt maken en dat je ze niet kunt conceptualiseren?’ Dat schrijft Giorgio Agamben, volgens wie iemand (h)erkennen als vriend zou betekenen dat je hem niet als ‘iets’ kunt herkennen. De nabijheid lijkt een sleutelwoord, maar paradoxaal genoeg ook weer de afstand, in vergelijking tot geliefden en familie. Joostens haalt Agamben aan bij een schilderij van Giovanni Serodine uit 1626, waarop Petrus en Paulus elkaar de hand schudden en diep in de ogen kijken, vlak voor hun beider marteldood. Piet Joostens is dan al twee hoofdstukken afscheid aan het nemen van zijn project. Dat doet hij in dit hoofdstuk ‘In beeld’, over foto’s van vriendschappen die minder exemplarisch zijn dan geliefden die hand in hand lopen. En hij doet het in een hoofdstuk getiteld ‘Iets seksistisch’ over zijn keuze zich in zijn boek te beperken tot vriendschappen tussen mannen, wat hij aan diverse vriendinnen ter commentaar voorlegt. Hij begint zijn eigen project te evalueren en stapt daarmee buiten het boek.

Maar we zijn nog niet klaar. Joostens komt terug en zijn gedachtegang over de rol van de vriend zet zich voort. Wie te gedienstig is of te dominant kan geen vriendschap ervaren, zijn ze te passioneel, dan kan niemand tegen hun al te grote hartstocht optornen, zo formuleert Nietzsche het in Aldus sprak Zarathoestra. En dan komt de kernzin: ‘Kunt gij uwen vriend zeer nabij treden, zonder naar hem over te lopen?’ Daar zit ‘m de afstand in de nabijheid: 'In raden en stilzwijgen moet de vriend een meester zijn: niet alles moet gij willen zien.’

Toch is er geen conclusie in het boek Over de vriend. Na zijn twee apologische hoofdstukken komt Joostens aan bij een slothoofdstuk met zijn meest steekhoudende voorbeelden. Er is het aangrijpende verhaal Het vonnis van Franz Kafka dat men vaak ziet in het perspectief van de dominante vader, die een verwaarloosde vriend van zijn zoon bijvalt voor wie belangrijke gebeurtenissen zijn achtergehouden, en die door hem daarin te kennen de hoofdpersoon vlak voor zijn huwelijk de rivier in laat springen. Interessant is dat Joostens hier varianten geeft: het is niet alleen Kafka’s eeuwige vaderfiguur, het gaat evengoed om de wraak van de vriend dat hij ‘geen enkele brug meer over kan’. Hij hoopte een ‘gelukkig vriend’ te worden en sterft toch als zoon. Minstens zo cruciaal is een niet altijd eenvoudige maar wel zo intrigerende notie van Maurice Blanchot: ‘Wat ons scheidt, meer dan wat ons samenbrengt, is wat ons werkelijk met elkaar in verband brengt.’ Dat gaat veel verder dan de gedachte that opposites would attract. ‘Niet de gelukkige aanwezigheid van herkenbare raakvlakken, niet het communicatie-ideaal houdt de vriendschap in stand en verklaart haar aantrekkingskracht, wel (Joostens citeert vanaf hier Blanchot) “de herkenning van de gemeenschappelijke vreemdheid, waardoor we niet over onze vrienden maar alleen mét onze vrienden kunnen praten”.’ Het gaat ‘over de verte die in die nabijheid duidelijk’ wordt.

Piet Joostens eindigt stukken eenvoudiger, met een film waarin vrienden alles voor elkaar doen, zonder ervoor te hoeven bedanken, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. De schrijver van dit boek heeft zichzelf laten zien desondanks en eigenlijk juist dankzij het encyclopedische karakter van dit boek over de vriendschap. Het vraagstuk wat de vriendschap nu precies is, is niet opgehelderd, het mysterie is juist vergroot en vooral verdiept en daarmee beter geduid. En dat is de grote verdienste van dit boek. Ik wens een helder en verbaal zo lenig intellectueel als Piet Joostens alle ruimte, ook buiten zijn ideologische kader. Er zijn er weinigen die zoveel kennis paren aan zo'n prettige en toegankelijke stijl.

Piet Joostens, Over de vriend. De Bezige Bij Antwerpen, 184 blz., € 15,90