De afkoopsom van Libië

Vriend Khadafi

Afgelopen week ontstond commotie toen bekend werd dat de vrijlating van vijf Bulgaarse verpleegsters en een Palestijnse arts door Libië niet uitsluitend te danken was aan de charmes van de Franse president Nicolas Sarkozy en zijn vrouw Cécilia. Het zestal werd ervan beschuldigd vierhonderd Libische kinderen te hebben besmet met het aidsvirus. Na bemiddeling door Sarkozy en de Europese Unie kregen de getroffen families schadevergoedingen en zagen zij af van de doodseis. Het vonnis werd omgezet in levenslang en de zes werden overgevlogen naar Bulgarije waar hun onmiddellijk gratie werd verleend. Een stralende Cécilia Sarkozy vergezelde hen.

Enkele dagen later vertelde Khadafi’s zoon Saif in Le Monde over de levering van wapens aan Libië in ruil voor de vrijlating. Hij vertelde dat Libië voor een slordige honderd miljoen euro Milan-antitankraketten zou kopen. Aanvankelijk ontkende Sarkozy deze smet op zijn goedertierenheid. Maar enkele dagen later meldde hij dat het Europese wapenconcern eads een contract met Libië had gesloten. eads is voor vijftien procent eigendom van de Franse staat. Volgens Sarkozy duurden de onderhandelingen achttien maanden en stonden ze los van de vrijlating van het zestal, maar de dictatorzoon noemde de wapendeal in Le Monde de kern van de overeenkomst. ‘We hebben aan Sarkozy gevraagd de zaken te versnellen.’

De EU is een Amerikaanse weg ingeslagen. Zoek bondgenoten in strategische regio’s, liefst daar waar veel olie en gas zit, en stouw ze vol met wapens. Dat levert je niet alleen de zekerheid van energietoevoer op, maar ook werkgelegenheid en belastinginkomsten door middel van je eigen wapenindustrie. Onlangs kondigden de Amerikanen aan dat Egypte en Israël voor tientallen miljarden militaire steun krijgen. Libië beschikt over grote olie- en gasvoorraden die zeer welkom zijn nu de bodem van de oliebronnen in het Midden-Oosten in zicht komt. De eerste Europese stappen op de Amerikaanse weg waren al gezet, maar kregen weinig aandacht. Eind mei al deed de scheidende Britse premier Tony Blair Tripoli aan. Hij sloot een oliedeal ter waarde van negenhonderd miljoen dollar en tekende een overeenkomst die Libië toestond Britse luchtverdedigingsapparatuur en raketten te kopen. Diezelfde maand bezocht de Portugese minister van Defensie de Libische leider om met hem te spreken over militaire samenwerking in het Middellandse Zeegebied en eind vorig jaar sloot het Franse bedrijf Sofema een contract voor het gevechtsklaar maken van twaalf verouderde Libische Mirage-gevechtsvliegtuigen.

Khadafi’s zonden zijn hem vergeven. Libische agenten zouden achter de aanslagen zitten op het Amerikaanse passagierstoestel boven Lockerbie in 1988 (270 doden) en een Frans toestel in 1989 (170 doden). Ook de aanslag op een Berlijnse disco in 1986 (twee doden) die werd gefrequenteerd door Amerikaanse militairen werd aan Libië toegeschreven. Dat leidde in datzelfde jaar tot het bombarderen van Tripoli door Amerikaanse en Britse vliegtuigen. De Libische leider werd geïsoleerd door een stelsel van (inmiddels opgeheven) sancties. Het waren echter de sancties noch de militaire dreiging die Khadafi ertoe brachten zich tot zijn oude vijanden te wenden.

Volgens de Amerikaanse Libië-specialist Lisa Anderson, geïnterviewd op de website van de Council on Forein Relations, kampt de Libische leider al sinds het midden van de jaren tachtig met een in kracht toenemende binnenlandse oppositie. ‘En waar niemand enige aandacht aan besteedde, behalve Khadafi zelf, was het feit dat deze georganiseerde oppositie bestond uit wat wij later een “al-Qaeda-achtig” netwerk zouden gaan noemen.’ Khadafi besefte dat hij de combinatie van politieke tegenstanders en een groeiend moslimfundamentalisme niet blijvend het hoofd zou kunnen bieden, hoe gruwelijk zijn geheime diensten ook optraden, en dat alleen economische hervormingen en een betere verdeling van de Libische oliebaten over de bevolking hem zouden kunnen redden. En daarvoor had hij westerse bedrijven nodig. De eerste toenaderingspogingen tot zijn oude vijanden stammen uit de jaren negentig en leidden in 1999 tot het uitleveren van verdachten van de Lockerbie-aanslag. Toen hij op 11 september 2001 president Bush hoorde zeggen ‘Wie niet voor ons is, is tegen ons’, beleefde hij zijn overwinningsmoment. Anderson: ‘Hij zei tegen zichzelf: dit is mijn kans om duidelijk te maken: ik ben voor jullie. Het was geen plotselinge bekering; 11 september vormde slechts het moment waarop hij zijn kans greep.’

Musa Kusa, hoofd van de Libische inlichtingendiensten, gaf vlak na de aanslagen de cia een lijst met al-Qaeda-verdachten die zich in het vizier van de Libiërs bevonden. De samenwerking bleek vruchtbaar en Musa Kusa stond dan ook enkele jaren later aan de basis van de onderhandelingen over de Libische massavernietigingswapens. In 2003 ontmantelde Khadafi vrijwillig zijn in embryonale staat verkerende nucleaire programma en gaf hij inzage in zijn biologische en chemische wapencapaciteit, die eveneens weinig voorstelde. Bovendien zwoer hij het terrorisme af en beloofde hij, nu in het openbaar, behulpzaam te zijn bij het bestrijden van moslimextremistisch geweld. Slechts de slepende verplegerszaak stond een definitieve westerse toenadering in de weg. Direct ingrijpen door Khadafi zou gevaarlijk gezichtsverlies betekenen. Entrez madame et monsieur Sarkozy.

‘Als een land door een proces van normalisering gaat en het terrorisme afzweert, kies ik ervoor dat land te helpen op de weg naar democratisering’, zei Sarkozy. Maar Khadafi’s zoon Saif zei al in 2004 tegen de bbc: ‘Ik kan niet overleven in een democratie. Je kunt niet tegelijkertijd een democratie en een overerfelijk regime hebben.’ Hoe cynisch de weg is die door de EU is ingeslagen, toont de afwezigheid van enige aandacht voor de Libische mensenrechten. Libië mag dan veranderd lijken, op het lidmaatschap van een politieke partij staat nog steeds de doodstraf. Wie zich positief uitspreekt over democratie, wacht minstens acht jaar opsluiting in een smerige, overbevolkte cel. Dat overkwam Husain Shafei, die na zijn vrijlating vluchtte naar de VS. Daar legde hij onder meer bij Human Rights Watch een getuigenis af over een slachting in de beruchte Abu Salim-gevangenis in Tripoli. In 1996 brak daar een opstand uit onder de gevangenen. Meer dan elfhonderd van hen werden gedood door militairen die de weerloze gevangenen bestookten met handgranaten, luchtafweergeschut en kalasjnikovs. Gewonden werden afgemaakt met pistoolschoten. Husain Shafei werkte in de keuken en moest de met bloed besmeurde horloges van de doden schoonwassen voor de rovende soldaten. Aan de hand van het aantal maaltijden dat hij voor en na de opstand bereidde, kon hij het dodental vaststellen.

Ook de vraag wat Khadafi met al die wapens moet, wordt niet gesteld door de EU. Khadafi voerde jarenlang een agressieve buitenlandse politiek. Nog altijd steunt hij rebellengroepen in Tsjaad, waar hij eerder een bloedige burgeroorlog faciliteerde met troepen, wapens en geld. In 2004 werd zijn regime in verband gebracht met een moordaanslag op de Saoedische koning. En vorig jaar nog werd Khadafi door een VN-commissie beschuldigd van wapenleveranties aan rebellen in Darfur, waar de VN binnenkort een troepenmacht naartoe willen sturen.