Vriend van alle obers

De oude kolonel Richard Cantwell is een veteraan van vele veldslagen en naar Venetië gekomen om de negentienjarige Renata te veroveren. Daarover gaat Across the River and into the Trees, Hemingway’s laatste bij leven gepubliceerde roman.

Maar voor we verder gaan, wil de kolonel graag iets drinken. Terwijl zijn chauffeur voor de bagage en de auto zorgt laat hij zich een Campari-gin inschenken door een oude bekende, een anarchistische barman met wie hij ondanks politieke tegenstellingen een op diep wederzijds respect gebaseerde verstandhouding heeft, net zoals hij die by the way had met Erwin Rommel en Ernst Udet. Bij aankomst in het hotel neemt hij een dubbele droge Martini.

Tel nu even mee. Na de Martini’s volgen twee glazen bittere vermouth (punt e mes) van het merk Carpano, dan nog een Martini, en nog een. Eenmaal op zijn kamer aangekomen blust hij het zaakje af met weer een stevige Campari-gin. Had ik al verteld dat de kolonel een ernstige hartkwaal heeft?

Hoe het ook zij, het is tijd om met de geliefde af te spreken, waar anders dan in Harry’s Bar aan het San Marco-plein, waar men altijd een tafel voor hem klaar heeft staan omdat iedereen hem kent en van de overige gasten kent ook hij bijna iedereen, wat vooral een reden is om ze te mijden. Harry Cipriano zelf zet meteen weer een Martini neer en met Renata drinkt hij er daarna nog drie, of vier, dat wordt me niet helemaal duidelijk maar wel dat ze extra sterk en groot zijn, het zijn super Montgomery’s, heel droge, met knoflook en met olijven, van die kleine zwarte die vast ergens in de ochtenddauw geplukt zijn door zwijgzame kerels met een gelooide huid en ogen die veel gezien hebben, in de oorlog en ook daarvoor en daarna.

Terug naar het hotel, voor het diner. Er verschijnt een fles witte wijn uit Capri bij de kreeft en een rode Valpolicella bij het vlees, gevolgd door twee flessen champagne (Roederer ’42) om de maaltijd af te blussen en daarna nog een (Perrier-Jouet, de Roederer was op), die meegaat in de gondel waar, zodra ze van wal gestoken zijn, de oude man in steeds eendere bewoordingen almaar zijn liefde verklaart en onder een deken zijn doel bereikt en het meisje tot een hoogtepunt brengt.

Het stormt. Maar het is niet eens het smalle en wiebelende schip dat het volbrengen van de daad tot een nogal onwaarschijnlijke prestatie maakt. Al evenmin ligt het aan de circa veertien glazen sterke drank en de vijf flessen wijn die het paar inmiddels achter de kiezen heeft. Nee, het is de taal, het is de beeldspraak die ervoor zorgt dat alle suspension of disbelief reddeloos ten onder gaat in de wild klotsende golven.

Een roman hoort beter te zijn dan zijn maker, groter

Het oversteken van een rivier tussen twee berghellingen en in het zicht van de vijand is een tot mislukken gedoemde militaire operatie waarbij veel manschappen worden verloren, zo heeft de kolonel Renata uitgelegd. Maar moeiteloos vindt hij nu de weg tussen de hellingen van haar dijen naar het eilandje in het midden van die rivier, ‘het enige mysterie waarin hij geloofde behalve van tijd tot tijd de mannelijke dapperheid’.

Het is moeilijk om de kolonel serieus te nemen en het is gemakkelijk om Hemingway belachelijk te maken. Een roman hoort beter te zijn dan zijn maker, groter. Een goede roman gaat, anders dan een kort verhaal, zijn eigen gang. Er is een reportage van Lilian Ross waarin Hemingway vanuit Cuba aankomt in New York, het manuscript van Across the River onder zijn arm: hij toont zich het evenbeeld van zijn kolonel, precies even oud, even stellig in zijn uitspraken en drinkend van de vroege ochtend tot in de nacht. Het nieuwe boek is het beste wat hij ooit schreef, meent hij, blind voor het feit dat karakter en karikatuur volledig zijn gaan samenvallen, op papier en in zijn dagelijks leven.

De scène hierboven is pure kitsch en dat geldt ook voor het toeristische decor, het gepoch op historische kennis, de stoere praat over de oorlog, het gedweep met eten, jagen, drinken en – een constante in zijn hele werk, fictie en non-fictie – de diepe eerbied voor een bepaald soort gewone man: de visser, de jachtopziener, de stierenvechter, de mecanicien, maar bovenal de bediening in het café- en restaurantwezen. De maîtres, sommeliers, hoteleigenaren, kroegbazen, bartenders, obers. Zij weten iets, zij verkopen zekerheden. Het is van het grootste belang ze te kennen en door hen gekend te worden. Hij hunkert naar hun waardering, ook al betaalt hij ervoor. Het duidt op een immense onzekerheid, op een steeds groter wordende leegte die met geen Nobelprijs maar alleen maar met kogels uit een jachtgeweer bleek te vullen.

Ik lees, tegen de kater, het laatste hoofdstuk van zijn twintig jaar eerder geschreven en met meer dan vijfhonderd pagina’s volkomen uit de hand gelopen boek over stierenvechten, Death in the Afternoon. Het is een litanie voor alle in datzelfde boek gemiste kansen, een opsomming zonder al die lapidaire stelligheid maar vol van liefde, gemis, verdriet. Een erkenning van onmacht die me altijd weer kippenvel bezorgt en tranen in mijn ogen.

De komende twee maanden heeft H.M. van den Brink op deze plek een tweewekelijkse column.