Vriendelijke vijanden

Ooit hoorde ik Chantal Mouffe in Engeland een rede houden. Chantal Mouffe is een politicologe uit België. Een aantrekkelijke blonde vrouw. Tien jaar ouder dan ik. Zij wordt gezien als een postmarxiste. De lezing boeide me wel, maar ik was te weinig geschoold om alles goed te begrijpen. Veel Habermas, veel Carl Schmitt. Ze ging tekeer tegen het liberalisme, maar geloofde wel in een doorgevoerde democratie. Ze sprak met enige regelmaat over de paradoxen die in de democratie zitten. (De titel van haar boek was dan ook The Democratic Paradox). Die paradox – in één zin – is meen ik de volgende: er is verdeeldheid onder het volk, tegelijkertijd moet juist die democratie ervoor zorgen dat het volk één blijft. Ze maakte een onderscheid tussen ‘enemies’ en ‘adversaries’. Je hebt vijanden en tegenstanders (‘friendly enemies’) en
wat je in een democratie moet doen, is van vijanden tegenstanders maken en van tegenstanders geen vijanden. Want als je vriendelijke vijanden bent, bestaat er een mogelijkheid tot ‘conflictual consensus’. Consensus, zoals zij zei, over de principes, maar onenigheid over de interpretatie.
Of ik het goed weergeef, weet ik niet – op een gegeven moment ben ik gestopt met het maken van aantekeningen. Ik moest aan haar denken en diepte het aantekeningenboekje op, omdat ik op het ogenblik het gevoel heb dat er in Nederland alleen maar vijanden zijn. De verharding van de toon is een feit en dus wordt de taal ook vijandelijk. Je drijft van elkaar weg, en dan gaat de eenheid ook verloren.
Wilders is een vijand. De islam is een vijand. Pechtold is een vijand. Bos is een vijand. Cohen is een vijand. Balkenende niet te vergeten. Klink. We raken steeds verder verwijderd van de vriendelijke vijandschap.
Ik doe daar ook lustig aan mee. Ik ben oprecht bang voor de islam – niet voor islamieten zeg ik er meteen bij – en beschouw de islam als een vijand. Maar ik zie ook wel in dat zoiets uiteindelijk uitloopt op gewapende conflicten. Ik zou misschien best ‘vriendelijke tegenstanders’ willen hebben, maar daar zit hem nu net de kneep. Wie zet de eerste stap, en hoe doe je dat?
Neem Wilders. Hij haat links, links haat hem. Dat valt nog te begrijpen. Maar rechts (VVD) haat hem ook, omdat Wilders electoraal een bedreiging voor ze vormt. Wie moet nu de eerste schrede naar tegenstanderschap zetten? Wilders? Hij heeft voorlopig baat bij vijandschap. Dus moeten de andere partijen dat doen. Maar welke? Wie moet wat inleveren?
Ik heb lange tijd gedacht dat het debat een mogelijkheid was om van vijanden vriendelijke tegenstanders te worden. Maar al die gesubsidieerde debatten die ik meemaakte na de moord op Van Gogh, maakten in feite de vijandschap alleen maar groter. Ik voelde me op den duur beter bewapend (met argumenten) dan mijn aanvankelijk vriendelijke tegenstanders die zich domweg niet in de stof verdiepten.
Wederzijds begrip? Gooi maar in m’n petje; iedereen wilde bij zo’n debat winnen (ik ook) en het eindigde bijna altijd in scheldpartijen.
Heeft Mouffe gelijk met haar streven naar vriendelijke vijanden die het eens zijn over de principes? Mijn vijanden willen eigenlijk geen democratie, maar er wel misbruik van maken. Mijn vijanden willen niets weten van mijn principes, en ik wil eigenlijk ook niets weten van die van hen. In vijf jaar tijd zijn we geen stap nader tot elkaar gekomen. Integendeel. Hoe moeten we ooit vriendelijke vijanden worden?
Het effect van mijn opstelling (‘Kom, laten we kijken of we vrienden kunnen zijn’) heeft me meer vijanden opgeleverd dan ooit.
De paradox van de democratie is dat we ons dan nu maar om de troon scharen die kunstmatig in gevaar werd gebracht, omdat we bang zijn voor de gevolgen van de uitslag van de verkiezingen.