Ger Groot

Vrienden

Zevenendertig jaar is jong om zich terug te trekken uit de wereld, maar toen Michel de Montaigne in 1570 die stap genomen had, voelde hij zich juist thuisgekomen. In een torenkamer bij zijn landhuis zocht hij het gezelschap van zijn vrienden: de duizend boeken die hem, vijf rijen hoog, tegen de wand omringden. In de lezing ervan verkeerde hij met de gelijkgestemden die hij moest missen sinds zijn hartsvriend Étienne de la Boétie overleden was. Eén troost was er: de meeste van die boeken waren uit diens bibliotheek afkomstig.

In dat gezelschap ontstonden de Essais, die bijna 1500 bladzijden zouden omvatten. Montaigne schreef ze als een vorm van lezen. Hij citeerde veel, en zeker aanvankelijk lijken zijn «proeven» voornamelijk een opsomming van vindplaatsen. Gaandeweg vindt hij een eigen stem en roept daarmee een nieuw literair genre in het leven, aldus Tanny Dobbelaar in haar charmante boekje Schrijven met Montaigne (uitg. Ambo). Had hij twee eeuwen later geleefd, dan hadden we in hem een romantische letterheld kunnen zien. Maar hij was geen Hölderlin en zijn torentafereel geen waanzinsscène. In plaats van bevlogen is hij sceptisch: de uitgelezen instelling voor een essayist, zo benadrukt Dobbelaar. Alleen zijn necromantie lijkt vreemd aan die nuchterheid. Voor eeuwig tot zwijgen gebracht, komen de doden hoogstens tot spreken bij een lichte staat van delirium.

Toch is die begoocheling te hardnekkig om louter illusie te zijn. Enkele decennia geleden noemde W.H. Auden haar nog «de voornaamste manier om het brood te breken met de doden». Onder bijna letterlijk datzelfde motto begint Jürgen Pieters zijn onlangs verschenen essaybundel De tranen van de herinnering (Historische Uitgeverij): «I began with the desire to speak with the dead.» Stephen Greenblatt opende er ooit zijn boek Shakespearean Negotiations mee. Maar veel eerder beschreef Petrarca al de omgang met zijn boeken als een voortgaand vrienden gesprek: twee eeuwen vóór Montaigne, zes vóór Greenblatt.

Waarom behouden literaire teksten (althans de beste onder hen) het vermogen ons aan te spreken alsof zij geen dode woorden maar onze leefgenoten zijn, zo vraagt Pieters zich in een zevental sublieme essays af. Hoe bewegen we ons überhaupt door de tijd, historische wezens als wij zijn, ogenschijnlijk niet gebonden aan het eigen moment dat ons niettemin gekluisterd houdt? En hoe bewegen zij zich tot ons, overleden maar toch sprekend, om ons tot diep in de nacht uit de slaap te houden, zoals ook Constantijn Huygens al beschreef: «’t Zijn doode Menschen, dien ick ’t wijten magh; niet eenen,/ Maar thienen, vijftigen, ja vele honderden,/ En, dat sal een botten Boer wel meest verwonderden,/ ’t Zijn menschen sonder ziel en lijf, die met mij spreken,/ Als mij het hooren lust.»

Zielsverwantschap is dan ook misschien niet de beste term om dit verkeer met «menschen sonder ziel» mee te beschrijven. Roland Barthes voelde in ieder geval niet veel voor zo’n soort quasi-dialoog en George Steiner sprak liever van de «resonante stilte» van de doden. Schrijven is dan, aldus Pieters, «vanuit het autisme van de eigen verbeelding iets produceren wat anderen doet lezen, denken en terugschrijven». Hij noemt het, net als Huygens, «een zielsverhuizing zonder ziel».

Zo wordt de herkenning van het vriendengesprek de ontnuchterde illusie van de eigen echo – die het klankbord van de ander niettemin nodig heeft. Begrip en vreemdheid vormen een vruchtbaar amalgaam aan gene zijde van de rouw, want elk verleden is verlies. Ook Montaigne moest dat ervaren: het zwijgen van zijn dode schrijvers was dat van zijn dode vriend. «De stilte van de doden doet ons spreken, maar niet dan nadat ze ons eerst met verstomming hebben geslagen», aldus Pieters. Schreef Montaigne ook daarom? Dobbelaar lijkt, misschien ongewild, zelfs die mogelijkheid open te houden. Schrijven, zo stelt zij vast, is op zijn beurt een zoektocht naar de lezer als een vriend.

(Van het boek van Jürgen Pieters staat volgende week een uitgebreide recensie door Piet Gerbrandy op deze pagina’s)