Essay: De ontmoeting Bohr-Heisenberg

Vrienden en doodsvijanden

Michael Frayn overziet het debat rond zijn toneelstuk ‹Copenhagen›, gebaseerd op de ontmoeting in 1941 tussen de atoomgeleerden Niels Bohr, een Deen, en Werner Heisenberg, Duitser. Onlangs vrijgegeven brieven werpen nieuw licht op een ontmoeting die beide mannen de rest van hun leven zou achtervolgen.

Nu de beroemde, nooit verzonden brief van Niels Bohr aan Werner Heisenberg eindelijk is gepubliceerd, ben ik gaan terugkijken op het debat rond mijn toneelstuk Copenhagen, over de ontmoeting in 1941 tussen de atoomgeleerden Bohr en Heisenberg. In New York toonden enkele critici grote twijfels over de hele onderneming. Paul Lawrence Rose, auteur van Heisenberg and the Nazi Atomic Bomb Project: A Study in German Culture, de meest uitgesproken criticus van zowel Heisenberg als mijn drama, ontwaarde in het toneelstuk zelfs een «subtiel revisionisme… destructiever dan [David] Irvings evident belachelijke beweringen — destructiever voor de integriteit van de kunst, van de wetenschap, en van de geschiedenis».

Een van de meest gehoorde klachten was dat ik meer nadruk had moeten leggen op de misdaden van het nazi-regime, en met name op de holocaust. Men wees erop dat Heisenbergs bezoek aan Bohr in Kopenhagen in 1941 samenviel met de Wannsee-conferentie. Er werd beweerd dat ik Heisenbergs bezoek aan Kopenhagen in de context had moeten plaatsen van een serie reizen die hij gedurende de oorlog maakte naar andere bezette landen. Ook heerste het gevoel dat ik meer nadruk had moeten leggen dan ik had gedaan op Heisenbergs uitspraak dat de veroveringen van Duitsland, in elk geval in Oost-Europa, gerechtvaardigd waren, en dat Duitslands overwinning op Rusland toegejuicht zou worden.

Achteraf gezien denk ik dat ik sommige opmerkingen van mijn critici accepteer. Misschien had ik Heisenberg de oorlogsdaden van Duitsland aan het oostfront direct moeten laten rechtvaardigen, in plaats van Bohr naar zijn argumenten te laten verwijzen in één boos maar terloops terzijde.

Ik ben minder zeker over een grotere nadruk op de misdaden van het nazi-regime. Ik dacht dat die te bekend waren om er nog eens op te hoeven wijzen. Per slot van rekening is dat het thema van het stuk; dat was exact waarom Heisenberg voor een probleem stond (of had moeten staan), en wij een probleem hebben met hem begrijpen. In elk geval keert het stuk steeds weer terug naar de vervolging van de joden in nazi-Duitsland, van de onderdrukking van zogenaamde «joodse natuurkunde» (relativiteit) tot de gedwongen vlucht van alle joodse natuurkundigen, de dood van Samuel Goudsmits ouders in Auschwitz en de poging van de SS de joodse bevolking van Denemarken te deporteren naar de vernietigingskampen, wat Margrethe Bohr beschrijft als «die enorme duisternis binnen in de menselijke ziel (…) die naar buiten stroomt om ons allemaal te overspoelen».

Sommige opmerkingen waren zelfs nog radicaler. Het stuk draait om de moeilijkheid vast te stellen waarom Heisenberg zijn reis maakte. Voor een aantal critici was er geen enkel probleem — zij wisten absoluut zeker wat de juiste verklaring was; hoewel die van persoon tot persoon verschilde. Voor sommigen was het Heisenbergs wens Bohr te overtuigen van de rechtvaardigheid van Duitslands oorlogshandelingen en zijn onvermijdelijke overwinning; volgens Rose en anderen was hij op een spioneermissie, om via Bohr uit te vinden of de Geallieerden ook aan de atoombom werkten.

Ik ben het ermee eens dat Heisenberg misschien de Duitse zaak aan Bohr heeft willen voorleggen; maar hij ging absoluut niet helemaal naar Kopenhagen om alleen dat te doen. Ook onderschrijf ik het spioneren. Maar dat doet de Heisenberg in mijn toneelstuk ook. Hij zegt tegen Bohr dat hij «een of andere aanwijzing, een of andere sleutel» wilde over de vraag of de Geallieerden een atoomprogramma hadden. Er is niets in tegenspraak met wat volgens hemzelf zijn doel was: praten over de vraag of het Duitse team gerechtvaardigd was aan een Duits wapen te werken. Alle informatie die hij kon krijgen over de bedoelingen van de andere kant zouden een noodzakelijke voorwaarde zijn geweest om te beslissen wat hij moest doen.

Sommige kritiek verwerp ik, en ik wil graag opheldering geven. Rose suggereerde dat ik Heisenbergs angst had «verzonnen» dat zijn leven werd bedreigd door de Gestapo omdat hij met Bohr had gepraat. Niet waar — ik borduurde alleen maar voort op wat de echte Heisenberg zei.

Dat zijn allemaal tot op zekere hoogte betwistbare dingen. Van andere opmerkingen vond ik het buitengewoon moeilijk om ze te begrijpen — van sommige zelfs om ze te geloven. Rose, die het subtiele revisionisme van het stuk ontdekte, vond een bijzonder onheilspellende betekenis in een detail — de fictieve Heisenberg-opmerking over de ironie van de geschiedenis dat de beslissende berekening (van de kritische massa), die de Geallieerden overtuigde van de mogelijkheid een atoomwapen te bouwen, werd gemaakt door een Duitser en een Oostenrijker, verbannen naar Engeland omdat ze joods waren. Rose zag dat als een poging «de joden» de schuld te geven van de uitvinding van de bom.

Nog iets ongewoner was de visie op het toneelstuk van Gerald Holton, hoogleraar natuurkunde en emeritus hoog leraar wetenschapsgeschiedenis aan Harvard. Hij vond dat het «goeddeels was opgezet» om weer te geven wat Thomas Powers beweert in Heisenberg’s War: dat Heisenberg de kritische massa juist had berekend, maar het verhulde door een foute uitkomst «te verzinnen» die elke mogelijkheid vernietigde om binnen een enigszins plausibele tijdschaal een bom te fabriceren. Tegen de tijd dat het toneelstuk werd opgevoerd in New York, zo geloofde hij, was ik gedwongen geworden (door Jeremy Bernstein) dit idee terzijde te schuiven, zodat ik nu een «onoplosbaar probleem» had met de motivatie van het stuk.

Ik kan alleen maar veronderstellen dat Holton was misleid doordat ik in mijn naschrift met waardering spreek over Powers’ boek. Het is veel bekritiseerd, maar ik hou van de gulheid van zijn toon, het bereik van Powers’ onderzoek, en ik ben hem zeer dankbaar omdat hij mij kennis heeft laten maken met het verhaal van het bezoek aan Kopenhagen. Ook ben ik het eens met een deel van zijn stelling: dat de Duitse natuurkundigen een fataal gebrek aan ijver toonden in vergelijking met de Geallieerden. Maar dat doet Holton zelf ook, en dat doet, zegt hij, iedereen die de zaak heeft bestudeerd. In het naschrift bij de gepubliceerde tekst van Copenhagen maak ik echter omstandig duidelijk dat ik Powers’ opvatting van het «verzinnen» niet accepteer en dat ook nooit heb gedaan.

Maar je hoeft het naschrift niet eens te lezen om dat te ontdekken, aangezien het hele stuk er vol mee zit. Het centrale thema is Heisenbergs bekentenis aan Otto Hahn (in een van de gesprekken die stiekem werden opgenomen door de Britse Inlichtingendienst tijdens de internering van het Duitse atoomteam in Farm Hall in 1945) dat hij de berekening niet had geprobeerd. Naar mijn telling zijn er zo’n 35 clauzen in het stuk gewijd aan het laten zien hiervan, aan de vraag waarom hij het niet geprobeerd had, en aan de suggestie wat er zou zijn gebeurd als hij het wél had gedaan. Dat iemand dit stuk kan lezen, hoe oppervlakkig ook, zonder dat op te merken, is nauwelijks te begrijpen.

Nog moeilijker te geloven was de reactie in sommige kringen op de «vreemde nieuwe kwantumethiek» die werd gerepresenteerd door de fictieve Heisenberg. Ik had vermoedelijk een flitsende neonreclame met IRONIE moeten plaatsen. De verwijzing betreft zijn opvatting, in zijn oorspronkelijke inleiding tot de kwantummechanica, dat de natuurkunde beperkt zou moeten blijven tot wat we daadwerkelijk kunnen waarnemen — de uiterlijke effecten van gebeurtenissen binnen in het atoom. We zouden een vergelijkbare soort ethiek nodig hebben, stelt hij in mijn stuk voor, als we mensen puur zouden beoordelen op de uiterlijke effecten van hun daden, zonder rekening te houden met hun bedoelingen. Volgens Holton «juicht» Heisenberg dat er in het nieuwe stelsel zelfs voor hem een plek in de hemel zou zijn. Holton vergeet te zeggen dat Heisenberg eveneens «juicht» dat er, onder de nieuwe kwantum-ethische wetten, ook een plek in de hemel zou zijn voor de SS’er die in 1945 bereid leek hem te vermoorden, simpelweg omdat hij uiteindelijk liever koos voor een pakje Amerikaanse sigaretten. Jonathan Logan, een natuurkundige die schrijft in American Scientist, weet zichzelf wijs te maken dat ik serieus voorstel zelfs de SS’er de hemel te laten betreden.

Laat ik absoluut duidelijk zijn: mijn Heisenberg zegt dat we wel rekening moeten houden met bedoelingen als we de daden van mensen beoordelen. (De epistemologie van intentie is het thema van het stuk!) Hij stelt dat Bohr respect en liefde zal blijven opwekken, ondanks zijn betrokkenheid bij de productie van de bommen op Hiroshima en Nagasaki; en hijzelf zal met wantrouwen bejegend blijven worden ondanks het feit dat hij niemand doodde. De reactie van Holton, Rose en anderen op het stuk is wellicht een indirecte bevestiging van de waarheid van die visie.

Een van de meest treffende opmerkingen over het stuk werd gemaakt door Jochen Heisenberg, Werner Heisenbergs zoon, toen ik hem ontmoette na de première van het stuk in New York. «Natuurlijk is uw Heisenberg geheel anders dan mijn vader», zei hij tegen me. «Ik heb mijn vader nooit enige emotie zien tonen over iets anders dan muziek. Maar ik begrijp dat de personages in een toneelstuk een stuk toeschietelijker moeten zijn dan dat.» Dit lijkt me een louterende herinnering aan de moeilijkheid een reëel persoon in fictie neer te zetten. Het is echter zinnig om dat toch te proberen, met als doel het expliciet maken van ideeën en gevoelens die nooit tot uitdrukking komen in het gewone leven, en om de onderliggende structuur van gebeurtenissen naar boven te halen.

Ik denk dat de Duitse toneelschrijver Friedrich Hebbel dat bedoelde met zijn beroemde uitspraak: «In een goed toneelstuk heeft iedereen gelijk.» Ik neem aan dat hij hiermee niet bedoelt dat het publiek wordt gevraagd ieders daden goed te keuren, maar dat iedereen de vrijheid en welsprekendheid wordt gegund om zo goed mogelijk zichzelf te verdedigen. Deze regel is in elk geval van toepassing op dit bepaalde toneelstuk, met als thema de onmogelijkheid om, in onze waarneming van zowel de fysieke wereld als de mentale, eraan te ontkomen bepaalde standpunten in te nemen.

Ik denk dat dat mensen dwars zit: dat mijn Heisenberg het voor zichzelf mag opnemen — en zelfs anderen bekritiseren. Zijn beweringen over zijn bedoelingen worden tegengesproken door een ander personage, Margrethe Bohr. Noch Heisenberg, noch Margrethe Bohr, voor zover ik kan overzien, wordt neergezet als winnaar van het debat. Ik zie niet in waarom Mar grethe haar verdenkingen over Heisenberg niet scherper en snijdender mag uitdrukken dan de reële Margrethe in haar bescheidenheid ooit zou hebben gekund, en ik zie niet in waarom mijn Heisenberg niet de diepere gevoelens mag uitdrukken waar de echte Heisenberg over zweeg. Waarom zou hij niet dezelfde strijdige sympathieën en dezelfde gemengde motieven en emoties hebben als wij allemaal? Waarom zou hij niet proberen om principe en eigenbelang te mengen, zoals wij allemaal? Waarom mag hij niet bang zijn voor de nederlaag van zijn land, en de vernietiging ervan door atoomwapens? Waarom zou hij niet de vernietiging van het land en de dood van de mensen die er wonen betreuren?

Ik kan me de vraag voorstellen hoe ver dit principe volgens mij gaat. Vind ik dat een fictieve Hitler dezelfde privileges moet krijgen? Ik begrijp de moeilijkheden van Hitler op het toneel zetten, maar ik zie er geen probleem in om het te proberen als hij simpelweg een beeld is voor rituele vernedering. Waarom zouden wij een representatie van zijn aanwezigheid moeten verdragen als hij ons niet enig begrip bood vanuit zijn perspectief van wat er in zijn hoofd omging? Het publiek kan zonder meer zijn eigen morele conclusies trekken.

Het meest verrassende gevolg van het debat naar aanleiding van het toneelstuk was echter het vrijgeven van Bohrs documenten. Ik werd persoonlijk geïnformeerd over het bestaan van een van de documenten op een symposium over het toneelstuk in Kopenhagen dat in de herfst van 1999 was georganiseerd door het Niels Bohr-archief. Heisenberg had zijn eigen versie van de ontmoeting in 1941 met Bohr wereldkundig gemaakt, met name op twee plaatsen: in een memorandum dat hij in 1957 schreef aan Robert Jungk, die het materiaal voorbereidde van Brighter than a Thousand Suns, en in zijn memoires, die werden gepubliceerd in 1969. Bohr daarentegen had nooit publiekelijk zijn kant van het verhaal verteld, en historici moesten vertrouwen op wat anderen (vooral zijn zoon Aage — ook natuurkundige, en later zelf Nobelprijswinnaar — en zijn collega Stefan Rozental) zich herinnerden van wat hij erover zei.

In 1957 was Bohr echter zo boos geworden over Heisenbergs versie van het verhaal, die hij las in Jungks boek, dat hij aan Heisenberg schreef dat hij met hem van mening verschilde, en zijn versie gaf. Hij verstuurde de brief echter nooit, en na zijn dood in 1962 werd hij door zijn familie in het archief gedaan, om daar vijftig jaar in verborgen te blijven. Ik zei hier niets over omdat ik geloofde dat het me in vertrouwen was verteld. Het bestaan van de brief werd voor het eerst publiekelijk genoemd, voor zover ik weet, door professor Holton, op een ander symposium over het toneelstuk in New York in maart 2000 ter gelegenheid van de opvoering daar. Hij zei dat hij daadwerkelijk de brief had gezien — de familie Bohr had hem die getoond. Hij voelde zich verplicht niet over de inhoud uit te weiden, maar ik weet nog dat hij ons beloofde dat de brief als hij uiteindelijk openbaar zou worden gemaakt, in 2012, onze visie op de ontmoeting volledig zou veranderen. Nu was de geest uit de fles, en op een volgend symposium over het toneelstuk, in het Niels Bohr-archief in september 2001, werd gemeld dat de familie Bohr had besloten de brief vervroegd vrij te geven. Vorige maand hebben ze hem op het internet gepubliceerd. Ook bleken er verschillende versies van te bestaan, alsmede aantekeningen erbij. De documenten bevestigen volgens mij overtuigend de zeer gedetailleerde reconstructie die Powers met behulp van andere bronnen maakte van Bohrs houding. Het meest verrassende voor mij in Bohrs eerste versie van de brief is zijn opmerkelijk scherpe toon — vooral van een man die zo beroemd was om zijn vreedzaamheid:

Ik denk dat ik je verschuldigd ben te vertellen dat ik uitermate verbaasd ben om te zien hoe erg je geheugen je heeft misleid…

Persoonlijk herinner ik me elk woord van onze gesprekken, die plaatsvonden tegen een achtergrond van extreme zorgen en spanning voor ons hier in Denemarken. In het bijzonder maakte het veel indruk op zowel Margrethe als mijzelf, en op iedereen op het instituut met wie jullie beiden spraken, dat jij en Weizsäcker jullie stellige overtuiging uitdrukten dat Duitsland zou winnen en dat het daarom nogal dom was als wij de hoop behielden op een andere afloop van de oorlog en om terughoudend te zijn over alle Duitse voorstellen voor samenwerking. Ook herinner ik me erg scherp ons gesprek in mijn kamer op het instituut, waar je in vage termen sprak op een manier die me alleen maar de sterke indruk kon geven dat, onder jouw leiding, alles werd gedaan in Duitsland om atoomwapens te ontwikkelen en dat jij zei dat het niet nodig was over details te praten aangezien jij volledig vertrouwd met ze was en de voorgaande twee jaar min of meer exclusief aan dergelijke voorbereidingen had gewerkt. Ik luisterde hiernaar zonder iets te zeggen omdat er een belangrijke zaak voor de mensheid aan de orde was waarin, ondanks onze persoonlijke vriendschap, wij moesten worden beschouwd als vertegenwoordigers van twee kampen die in een dodelijke strijd verwikkeld waren.

Het is een openbaring om dit allemaal te kunnen lezen in Bohrs eigen stijl, en ik wilde dat het beschikbaar was geweest toen ik het toneelstuk schreef. Ik begrijp dat de echte Bohr veel langer veel bozer bleef dan mijn personage, dat hij beweerde beter te hebben opgelet op wat Heisenberg zei, en dat hij beweerde het zich veel beter te herinneren. Maar verandert het echt ons idee van wat Heisenberg zei, en van wat zijn bedoelingen waren? Een beetje, denk ik, maar niet wezenlijk. Er is allereerst nooit enige onenigheid over geweest dat Heisenberg publiekelijk aan verscheidene mensen op het instituut heeft verteld dat Duitsland de oorlog ging winnen, en dat Duitslands daden, in elk geval in het oosten, gerechtvaardigd waren. Maar Aage en Rozental hadden al officieel verklaard zich te herinneren dat Bohr had gezegd dat Heisenberg over de militaire toepassingen van atoomenergie praatte. Volgens Aage: «Mijn vader was erg terughoudend en toonde zijn scepsis vanwege de grote technische moeilijkheden die moesten worden overwonnen, maar hij had de indruk dat Heisenberg dacht dat de nieuwe mogelijkheden de uitkomst van de oorlog konden beslissen als de oorlog bleef voortslepen.»

De brief is de eerste directe bevestiging dat Bohr dacht dat hij werd aangemoedigd een Duits «aanbod van samenwerking» te accepteren, wat hij volgens Weizsäcker wellicht Heisenberg heeft horen voorstellen. Uit de brief wordt niet duidelijk wat volgens Bohr die «samenwerking» zou behelzen, en de herinnering zal niet helemaal in tegenspraak zijn met de herinnering van Weizsäcker aan wat Bohr zei volgens Heisenberg: dat hij contact zou moeten opnemen met de staf van de Duitse ambassade voor zijn eigen veiligheid.

Sommige verschillen tussen Bohrs versie van de ontmoeting en die van Heisenberg zijn minder duidelijk dan Bohrs verontwaardiging ze doet lijken. Volgens Heisenberg vertelde hij in zijn memorandum aan Jungk tegen Bohr dat hij wist dat het gebruik van uraniumsplitsing om wapens te maken «in principe mogelijk was, maar een enorme technische inspanning zou vereisen, waarvan men slechts kan hopen dat die niet in deze oorlog gerealiseerd kan worden». Bohr, zei hij, was geschokt, «omdat hij overduidelijk aannam dat ik hem had willen vertellen dat Duitsland grote vooruitgang had geboekt in de richting van het maken van atoomwapens». Dat is helemaal niet zoveel anders, volgens mij, dan wat Bohr zich herinnert.

Hetzelfde geldt voor Bohrs vervolg waarin hij Heisenbergs interpretatie van zijn reactie betwist:

Dat mijn stilte en ernst, zoals je schrijft in de brief, konden worden gezien als een uitdrukking van geschoktheid over jouw berichten dat het mogelijk was een atoombom te maken, is een nogal merkwaardig misverstand, dat te wijten moet zijn aan de grote spanning in jouw eigen geest. Vanaf de dag drie jaar eerder toen ik besefte dat trage neutronen alleen splitsing konden veroorzaken in uranium 235 en niet 238, was het me natuurlijk duidelijk dat een bom met een bepaald effect kon worden geproduceerd door de uraniums te scheiden… Als iets in mijn gedrag kon worden geïnterpreteerd als geschoktheid, kwam het niet voort uit zulke berichten maar eerder uit het nieuws, zoals ik het moest begrijpen, dat Duitsland verwoed meedeed in een wedloop om de eerste te zijn met atoomwapens.

Het verschil tussen de «schok» die Heisenberg waarnam en de waardiger «stilte en ernst» die Bohr zelf zich herinnert, verdwijnt enigszins in een latere versie van de brief, waar Bohr zijn reactie beschrijft als «schrik». Zijn bewering dat hij de mogelijkheid al inzag een wapen te maken gebaseerd op kernsplitsing is een simplificatie die niet wordt onderschreven door zijn gedrag erna. Hij had in werkelijkheid tot op dat moment geloofd dat het praktisch onmogelijk was, vanwege de moeilijkheid het splijtbare U-235 te splitsen, en Heisenberg kon hem niet vertellen waarom de balans van waarschijnlijkheid inmid dels iets was verschoven — vanwege het besef van het Duitse team dat een reactor, als ze er een aan de gang konden krijgen, plutonium zou produceren als alternatief. Na Heisenbergs bezoek was Bohr, volgens Rozental, behoorlijk geschokt door Heisenbergs zekerheid dat hij zijn berekeningen opnieuw zou doen. Toch lijkt hij niet overtuigd te zijn geweest toen hij zijn behoedzame verslag van de ontmoeting doorspeelde naar de Britse natuurkundige James Chadwick, zijn contactman bij de Britse Inlichtingendienst, en zei: «Boven alles heb ik naar mijn beste oordeel mezelf ervan overtuigd dat ondanks alle toekomstige vooruitzichten elk onmiddellijk gebruik van de recente prachtige ontdekkingen van de atoomfysica onrealiseerbaar is.»

De werkelijke kern van de onenigheid over de ontmoeting duikt pas op in latere versies van de brief, waar Bohr zegt dat «er geen aanwijzing van uw kant was dat er inspanningen werden gedaan door Duitse natuurkundigen om zo’n toepassing van atoomwetenschap tegen te houden». Dat lijkt een weerlegging te zijn van een of andere bewering van Heisenberg. Maar voor zover ik weet heeft Heisenberg nergens de bewering gedaan die Bohr aan hem lijkt toe te schrijven. Zelfs in het uitgebreide verslag van de ontmoeting in Heisenbergs memoires, bleef hij extreem voorzichtig:

Ik wees erop dat (…) natuurkundigen zich misschien moesten afvragen of ze überhaupt op dit gebied moesten werken (…) Er was een enorme technische inspanning vereist. Voor mij was dat zo belangrijk exact omdat het natuurkundigen de mogelijkheid bood te beslissen of de constructie van atoombommen al dan niet moest worden geprobeerd. Ze konden ofwel hun regeringen adviseren dat atoombommen te laat zouden komen om in de huidige oorlog te gebruiken, en dat het werk eraan derhalve zal afleiden van de oorlogsinspanningen, ofwel stellen dat, met uiterste inspanning, het net mogelijk zou zijn om ze het conflict binnen te brengen. Beide opvattingen konden met gelijke overtuiging naar voren worden gebracht.

Je zou kunnen vinden dat dit klinkt als een onbegrijpelijk verstandelijke weergave van iets dat hij heeft gezegd. Het feit blijft echter dat hij niet beweert dat hij zich heeft ingespannen om werk aan wapens te verhinderen. Hij beweert niet eens dat tot op dit punt het Duitse team de optie had gebruikt negatief advies te geven, alleen dat het dat op enig moment kon doen als het dat wilde. In elk geval zegt Heisenberg dat Bohr «zo gruwde van alleen al de mogelijkheid atoomwapens te produceren dat hij de rest van zijn opmerkingen niet eens hoorde».

Enkele berichten over de vrijgave van de documenten hebben gesuggereerd dat ze een bewering weerleggen van Heisenberg dat hij Bohr een «deal» had aangeboden, waarin de Duitse natuurkundigen hun regering zouden afhouden van het voortgaan met atoomwapens als Geallieerde natuurkundigen hetzelfde zouden doen. Ik meen dat Heisenbergs vage term «de natuurkundigen» sloeg op de natuurkundigen aan beide kanten, maar het enige bewijs dat ik kan vinden dat Heisenberg een stelliger suggestie heeft gedaan dan dat, is in een deel van het memo aan Jungk dat wordt geciteerd door Powers: «Vervolgens vroeg ik Bohr nog een keer of, vanwege de duidelijke morele bezwaren, het mogelijk zou zijn dat alle natuurkundigen het onder elkaar erover eens zouden zijn dat men zelfs niet zou moeten proberen aan atoombommen te werken…»

Dat mag misschien worden geïnterpreteerd als een hint naar een mogelijke overeenkomst, hoewel hij zich in het interview dat hij gaf aan David Irving voor The Virus House (gepubliceerd in de VS als The German Atomic Bomb) in 1965 zelfs hiervan lijkt terug te trekken en vooral zegt dat Bohr «wellicht voelde dat ik er de voorkeur aan zou geven als natuurkundigen in de hele wereld zouden zeggen: wij gaan geen atoombommen maken». In zijn brief verwijst Bohr niet naar zo’n bewering, of dat hij een dergelijk voorstel op enig moment heeft gehoord.

Het verbaast nauwelijks dat er tegenstrijdigheden zitten in de verhalen van de twee deelnemers. Beiden proberen zich iets te herinneren dat zestien jaar eerder gebeurde, en hun waarnemingen worden onvermijdelijk gekleurd door sterke gevoelens en conflicterende loyaliteiten. Al met al denk ik dat wat verrassend is, is hoe klein de verschillen in essentie zijn, en hoe gemakkelijk de meeste ervan kunnen worden begrepen. Het enige echt scherp omlijnde verschil tussen de twee verslagen betreft een bijkomstig detail — waar de ontmoeting plaatsvond.

Maar ik kan er niets aan doen, ik word ontroerd door het beeld dat de nieuwe documenten schetsen van Bohr, hoe hij de laatste vijf jaar van zijn leven de tekst van de brief steeds weer opnieuw schrijft — en hem nooit verstuurt. Hij stond erom bekend dat hij alles wat hij schreef eindeloos bijschaafde, en hier probeerde hij niet alleen zijn karakteristieke bezorgdheid te bevredigen voor de exacte nuance, maar ook zijn al even karakteristieke consideratie voor Heisenbergs gevoelens. Er loopt een droeve parallel met het verhaal dat professor Hans-Peter Dürr vertelde op het Heisenberg-symposium in Bamberg vorig jaar, over Heisenbergs zeer vergelijkbare pogingen te begrijpen wat er was gebeurd.

Professor Dürr, die na de oorlog vele jaren met Heisenberg werkte in Göttingen, zei dat Heisenberg tot het eind van zijn leven van Bohr was blijven houden, en herinnerde zich dat Heisenberg steeds en steeds weer in gedachten de fatale ontmoeting beleefde en probeerde uit te vinden wat er precies was gebeurd. Professor Dürr geeft wat in mijn ogen de meest plausibele, zinnige inschatting van Heisenbergs bedoelingen is tot nu toe. Hij dacht dat Heisenberg gewoon alleen maar wilde praten. Heisenberg en Bohr waren zo goed bevriend geweest dat ze elkaars zinnen konden afmaken, en hij nam aan dat hij aan een half woord genoeg had om Bohr te doen begrijpen wat hij bedoelde. Wat hij totaal niet begreep, was dat de situatie veranderd was, en dat Bohrs woede over de Duitse bezetting de vroegere gemakkelijke communicatie geheel onmogelijk zou maken.

Wat er ook allemaal werd gezegd op de ontmoeting, en wat Heisenbergs bedoelingen ook waren, er zit iets dat zeer karakteristiek is, en zeer schrijnend, voor de problemen in menselijke relaties, in dat beeld van die twee oudere mannen, één in Kopenhagen en één in Göttingen, die al die lange jaren piekeren over die paar korte momenten die hun vriendschap vertroebelden zoniet eindigden. Dat is vanzelfsprekend wat hun schimmen doen in mijn toneelstuk. In elk geval zoeken ze in het stuk elkaar op om het uit te praten.

Vertaling: Rob van Erkelens