Vrienden in New York

Stan van Elderen
Charlie Wallace
Nieuw Amsterdam, 176 blz., € 11,50 (14+)

‘Men are not prisoners of fate but only prisoners of their own minds’, luidt het aan de Amerikaanse oud-president Franklin D. Roosevelt ontleende motto voor in Charlie Wallace, de opvallende jeugdroman van Stan van Elderen. Een beter motto had Van Elderen niet kunnen kiezen voor zijn verrassende variant op Amerikaanse romans als Salingers The Catcher in the Rye en John Greens Looking for Alaska (in vertaling verschenen als Het grote misschien). Zijn hoofdpersonage is een eenzame beschouwelijke puber in New York die vlucht in boeken en zijn eigen gedachten, en een antwoord probeert te vinden op het waarom van zijn wanhoopsdaad in het nabije verleden. Dankzij een ontluikende vriendschap met de vrijgevochten, extraverte durfal Charlie Wallace, die net in New York is komen wonen, lukt hem, Jonathan, dat bijna. Bijna. In een sobere stijl en met een heel eigen stem, passend bij deze Amerikaans aandoende roman, vertelt Jonathan hoe door een tragisch toeval hij het antwoord uiteindelijk schuldig moet blijven. Want was Charlie niet net zo plotseling en toevallig úit Jonathans leven gestapt als hij was binnengekomen, dan had Jonathan het antwoord, dat lag opgesloten in hun groeiende vriendschap en vertrouwen, vermoedelijk wel gevonden.
Die vriendschap ontluikt na de Engelse les waarin Charlie als nieuwe leerling een gedurfde discussie met de starre Britse docent Wainwright aangaat over wat Literatuur is en waarin Van Elderen het smaakdictaat van de culturele elite fijntjes bekritiseert. Amerikaanse auteurs en ‘boeken die je bij de videotheek kon huren’ als Tom Wolfe’s The Right Stuff en Ken Kesey’s One Flew over the Cuckoo’s Nest tellen natuurlijk niet mee voor Wainwright. Gefrustreerd over het literatuuronderwijs besluiten Charlie en Jonathan, die elkaar vinden in hun afkeer van onoprechtheid, de resterende dag te spijbelen.

Jonathan neemt Charlie mee naar het Museum of Modern Art, een pizzatent en ‘ground zero’. Charlie nodigt Jonathan bij hem thuis uit: vader oncoloog, hippe moeder, vier kinderen. Vrolijk gezin. Die spijbeldag en de dagen erna leren de jongens elkaar kennen.

Charlie maakt van zijn hart geen moordkuil. Jonathan daarentegen verbergt een geheim. Hij is een solist. Hij heeft een baantje als apenverzorger in de dierentuin. Hij loopt bij een psychiater. Hij heeft als enig kind en rijkeluiszoon een afstandelijk contact met zijn ouders. En hij zat op een kostschool waar iets dramatisch heeft plaatsgevonden. Iets onomkeerbaars. Daardoor hangt in Charlie Wallace een dreigende sfeer. Je voelt dat er iets vreselijks is gebeurd, zoals je ook voelt dat er iets vreselijks staat te gebeuren. Van Elderen schrijft knap suggestief en laat veel onbenoemd, waardoor hij vakkundig spanning opbouwt en bewijst dat hij schrijven kan.

Jonathans speculatieve licht cynische opmerkingen als ‘een keer had ik [Jonathan] op internet het woord zelfmoord opgezocht’ en ‘alles rozengeur en maneschijn, totdat er, surprise, surprise, iets vreselijks gebeurt’ (over Charlies gezinssituatie) doen wel vermoedens rijzen. Die raken echter op de achtergrond bij het lezen van de levendige, maatschappijkritische gesprekken tussen Jonathan en Charlie over kunst, literatuur, onderwijs, pizza’s en apen. En bij het lezen van de sfeervolle beelden van New York ‘waar wolkenkrabbers zich naar je toe buigen, alsof het reuzen zijn’ en waar de Hudson ‘als een levend wezen de stad met hongerige armen omsluit’.

De ontknoping komt daardoor toch nog onverwacht. En ook al eindigt Charlie Wallace met Jonathan die wil geloven in dromen en zielsgraag wil ontsnappen aan de ellende in zijn hoofd die hem gevangen houdt, het slotdrama is evengoed schrijnend. Vooral omdat ‘alles allemaal toeval is.’ De plaats waar je geboren wordt. De kansen die je daarom wel of niet krijgt. De mensen die je treft. De gebeurtenissen die daaruit volgen.