Op het speelveld van de internationale hulpverlening

Vrienden van Atjeh

Atjeh zoekt verklaringen voor de verwoestende aardbeving en vloedgolf van tweede kerstdag. De getroffen provincie van Indonesië is nu het speelveld van internationale hulpverlening. De bevolking is dankbaar, maar twijfelt tegelijkertijd over de oprechtheid van de buitenstaanders.

BANDA ATJEH – Door een hevige naschok schrikt iedereen wakker. Het is twee uur ’s nachts. Ruim een week is gepasseerd sinds op tweede kerstdag de aardbeving voor de westkust van Atjeh de ergste natuurramp sinds mensenheugenis veroorzaakte. Iedereen rent naar buiten, de straat op. Behalve grootvader en grootmoeder, die niet verder komen dan het achtertuintje. Het huis staat op zijn grondvesten te schudden. Na een minuut is de rust weer teruggekeerd.

Slapen gaat niet meer. Er wordt druk gespeculeerd of de ramp die in Atjeh alleen al ruim honderdduizend levens heeft gekost zich zou kunnen herhalen. Grootvader, een man van tachtig, met witte sik en een vriendelijke glimlach op zijn magere gezicht, haalt een oud schrift te voorschijn. «Hierin heb ik mijn beschouwingen opgeschreven nadat ik dertig jaar geleden met pensioen ging», zegt de voormalige onderwijzer gewichtig, maar met een knipoog. Hij slaat het boekwerk open waarin hij jarenlang teksten uit de koran kopieerde en voorzag van zijn eigen interpretaties.

«Kijk, uiteindelijk roepen we de ramp over onszelf uit», zegt hij, weer serieus en trekt een vouwblad uit waarop hij jaren geleden het planetenstelsel tekende. «De aarde ligt gevangen in de magnetische banen tussen Jupiter en de zon. Wanneer wij ons slecht gedragen ontstaat er een negatief krachtenveld. Dan wordt onze planeet naar de magnetische banen ge trokken en als hij daarmee in aanraking komt, komt de aarde onder spanning te staan en ontstaan er aardbevingen en andere natuurrampen.»

«Allah heeft het speelveld en de spelregels neergezet», concludeert hij. «Daarbinnen bepalen wij zelf ons lot.» De man heeft in ieder geval zichzelf overtuigd. Maar wat hebben de Atjeeërs dan zo verkeerd gedaan, om een ramp van bijbelse omvang over zich uit te roepen? «We zijn allemaal zondaars. Iedereen. Jij en ik ook. Op een gegeven moment is het teveel. Kijk maar hoe de Amerikanen elk jaar opnieuw door orkanen worden bestraft.»

Andi, zijn kleinzoon, luistert met een half oor mee. Hij steekt een joint op een geeft die door aan het vijftal ontheemde vrienden die in het huis een toevluchtsoord hebben gevonden. Het is een publiek geheim dat in Atjeh op grote schaal hasj wordt geteeld. «Heb je gezien dat de grote moskee in Lhoknga nog overeind staat», zegt Andi. De kustplaats ten westen van Banda Atjeh, waar hij met zijn vrienden vaak ging surfen, is door de vloedgolf volledig weggevaagd. Maar in het puinlandschap staat inderdaad nog een witte moskee. Ook elders in het rampgebied valt het op dat veel gebeds huizen relatief ongedeerd bleven. Grootvader ziet er een teken in. Maar een van Andi’s vrienden gelooft er niets van: «De moskeeën zijn gewoon beter gebouwd dan de huizen.»

Op de dag van het gebed klinkt de preek van Din Syamsuddin, hoofd van de Indonesische raad van schriftgeleerden, als een echo van de woorden van Andi’s grootvader. «Allah zal niet van ons houden zonder onze liefde voor hem te testen», aldus de imam in de Baituramande-moskee, het beroemde gebedshuis van Banda Atjeh dat eerder in de week nog bezaaid lag met de stoffelijke overschotten van Atjeeërs die omkwamen in de vloedgolf. «Misschien kwam deze ramp omdat we hem en zijn geboden zijn vergeten en hebben nagelaten de sharia te implementeren.»

Banda Atjeh staat bekend als de «Veranda naar Mekka». De provinciale hoofdstad is de meest westelijk gelegen plaats van de Indonesische archipel en daarmee het dichtst bij de bedevaartsplaats in Saoedi-Arabië. Atjeeërs zijn daar trots op. Het overgrote deel van de bevolking is moslim. In 2002 besloot de centrale regering in Jakarta dat Atjeh de sharia moest worden gegund. De geste maakte deel uit van een pakket dat de provincie een hoge mate van autonomie zou geven. Daarmee zou de separatistische rebellen van GAM de wind uit de zeilen worden genomen.

Maar Atjeh zat niet te wachten op de sharia. De islamitische wetten werden slechts gedeeltelijk geïmplementeerd en nauwelijks gebruikt. «Ze proberen ons gewoon de mond te snoeren», zegt Judi wanneer we de volgende dag in Lhoknga op de fundering van zijn vroegere huis staan. Judi is twintig jaar. We kijken uit over de onkarakteristiek kalme zee. Hij droomt ervan om als een van de beste surfers van Atjeh rond de wereld te kunnen reizen. Judi houdt zich niet bezig met politiek, maar zegt wel te weten waarom de relatie tussen de hoofdstad en Atjeh zo slecht is: «Jakarta vindt ons opstandig, maar begrijpt niet waarom. We willen gewoon onze eigen baas zijn.»

Atjeeërs zijn diep gelovig, maar hebben weinig op met de manier waarop de islam in de Arabische wereld wordt gepraktiseerd. Buitenshuis dragen vrouwen bescheiden hoofddoeken, maar het gebruik is niet universeel. De alles verhullende burka komt vrijwel niet voor. Van xenofobie of extremisme is niets te merken. Via de televisie, sinds het herstel van de elektriciteit, is het de Atjeeërs dan ook niet ontgaan dat veel islamitische landen, met name het rijke Saoedi-Arabië, pas laat doorkwamen met noodhulp en donaties. Na enig aarzelen deed de Saoedi-regering aanvankelijk een toezegging van slechts tien miljoen dollar. In reactie op de kritiek werd dat bedrag verdriedubbeld en bracht een nationale inzamelingsactie 82 miljoen dollar op. Koeweit, de Emiraten en Katar hebben respectievelijk tien, twintig en tien miljoen beloofd. In de Arabische landen zijn veel Atjeese gastarbeiders werkzaam.

Wanneer de straten van Banda Atjeh weer grotendeels zijn opgeruimd, tuigen allerlei islamitische groeperingen hulpacties op voor de ontheemde overlevenden. Met de spandoeken maken de organisaties reclame voor zichzelf. De meeste houden zich bezig met de distributie van zelf ingezamelde noodgoederen aan de opvangkampen.

De populaire moslimpartij voor welvaart en rechtvaardigheid Partai Keadilan Sejaterah (PKS) is het meest zichtbaar. De functionarissen zijn druk in de weer om zakken rijst van vrachtwagens uit Medan te lossen. Honderden mensen hebben zich verzameld rond het partijkantoor. De PKS haalde grote stemmenwinst bij de eerste vrije parlementsverkiezingen in april. Landelijk heeft de partij een goede reputatie vanwege de gemeenschapszin en een actieve campagne tegen de corruptie.

Hoewel de partij voorstander is van een landelijke invoering van de sharia wordt het religieuze aspect door de PKS doorgaans niet op de spits gedreven. Totdat het lot van de nieuwe weeskinderen van Atjeh ter sprake komt. Kaderlid Azmi Fajri Usman heeft zich ontfermd over een kind van hooguit tien jaar. «Alle weeskinderen moeten naar de PKS worden gebracht», zegt Usman. «Wij zullen de kinderen opvangen en in Atjeh bij madrassahs onderbrengen», zegt hij, verwijzend naar de islamitische kostscholen waar weeskinderen en kinderen uit arme gezinnen in Indonesië vaker terechtkomen. Adoptie door buitenlanders is uit den boze. «Wie garandeert ons dat de kinderen dan wel goede moslims worden? Dit is in de eerste plaats een ideologische kwestie», zegt hij zonder blikken of blozen.

Het Islamitische Verdediging Front (FPI) en de Indonesische Raad van Mudjahedien (MMI) die uit Java zijn overgekomen, houden zich bezig met noodhulp in combinatie met de prediking van islamitische beginselen. Beide zijn extremistisch en voorstander van een strikte invoering van de sharia in het hele land. De FPI staat vooral bekend om de aanslagen op nachtclubs in Jakarta tijdens de heilige maand ramadan in de afgelopen jaren. De oprichter van de MMI, Abu Bakar Bashir, wordt vervolgd wegens vermeende betrokkenheid bij de terreuraanslagen in Bali in 2002 en op het Marriott-hotel in Jakarta in 2003.

De meeste Atjeeërs, radeloos na de ramp, kennen de achtergrond van deze organisaties niet. Maar de GAM verzet zich tegen de infiltratie van extremisten van buitenaf. «De regering in ballingschap betreurt de aankomst in Atjeh van boeven zoals de zogenaamde FPI en de terroristische MMI», verklaart de rebellenorganisatie vanuit Zweden.

Hoe is dan de ontvangst voor die andere vijand: de Amerikanen? De financiële toezeggingen van de Verenigde Staten waren in eerste instantie ook bescheiden. Maar de inzet van het vliegdekschip USS Abraham Lincoln waarvandaan zeventien Seahawk-helikopters met noodgoederen af en aan vliegen naar het rampgebied aan de westkust dwingt toch bewondering af. Ook de meeste vrachtwagens met hulpgoederen die vanuit het zuiden de stad in rijden zijn beplakt met grote stickers: «USAID, from the American people».

Voor de oud-onderwijzer is het een dilemma. Hoe kunnen de Amerikanen in Irak voor satan spelen, terwijl ze in Atjeh als een engel uit de lucht neerdalen, piekert hij later in de week nog altijd met zijn schrift in de hand: «Ze proberen ons voor zich te winnen.» Hij wijst in een krant op de uitspraken van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Powell, die bij de donorconferentie in Jakarta was en daarna een bezoek bracht aan Atjeh: «We doen dit los van religieuze overwegingen. Maar ik denk dat het de moslimwereld en de rest in de gelegenheid stelt om de Amerikaanse ruimhartigheid en Amerikaanse waarden in actie te zien.»

Zijn kleinzoon ziet het anders: «Ze hadden ook weg kunnen blijven en net als de Japanners alleen maar geld kunnen geven». Opa zucht. «Nee, die Japanners zijn ook niet veel waard. Wat doet Europa eigenlijk voor ons?»