Vrienden voor het leven

Soweto - Het bemachtigen van een WK-kaartje was een crime, met computerstoringen en oververhitte meutes. Dus als iemand een kaartje Nederland-Denemarken in Soccer City over heeft, dan veer je blij op. Voor een wedstrijd die om half twee begint, wordt je geadviseerd om rond half tien op pad te gaan. Dat blijkt een overdrijving, want om elf uur heeft een taxibusje ons - ikzelf, een stuurse tiener en twee breiende vrouwen in oranje uitdossing - al bij het stadion afgezet.
Eenmaal binnen de omheining van Soccer City is van de bonte eet-, drink- en vlaggetjeskermis die de rest van de stad in zijn greep heeft, niets meer te merken: hotdogs, Budweiser, Coca-Cola en Fifa-stalletjes met ‘goedgekeurde’ shirts en vuvuzela’s. De tijd verdrijf je door naar de duizenden Nederlandse supporters te kijken die zich hebben uitgedost alsof carnaval, Koninginnedag en het voetbal op één dag vallen en die proestend testen of je bier ook uit een vuvuzela kunt drinken.
Als je eenmaal in vak 515 zit, realiseer je je pas goed dat dit familiespektakel niets meer met voetbal te maken heeft. De wedstrijd is als een korte gitaarsolo in een veel te lange song vol breaks en blikken synthesizerklanken. Voor me vervelen twee kinderen zich te pletter. En de man voor de breiende dames wisselt het innemen van whisky af met geslaagde pogingen om oorverdovende klaroenstoten uit zijn vuvuzela te persen, die door anderen in het vak worden beantwoord met hun interpretatie van het geluid van een geit op weg naar de slacht. Anderhalf uur lang, non-stop.
De wedstrijd valt tegen. Maar de echte problemen komen pas als je van het stadion terug moet naar Rosebank, waar de auto staat, een kilometer of twintig noordwaarts. Er gaan geruchten over een busstaking. We sjouwen rond en concluderen dat we hier, op de rand van Soweto, vastzitten. Uiteindelijk lopen we in de schemer langs een stoffige hoofdweg en ontkleurde mijnhopen naar de township, in de hoop op vervoer. We belanden in een taverne waar we bier drinken en met Sowetanen naar Kameroen-Japan kijken. Aan de toog raak ik aan de praat met Clifford in een geel Bafana-shirt. Hij biedt aan om ons, als hij zijn bier op heeft, naar Rosebank te brengen. Zelf moet hij naar Heidelberg, zo'n vijftig kilometer ten oosten van Johannesburg, volledig uit de route.
Een half uur later, nadat Clifford de autowacht een supervette fooi heeft gegeven, zoeven we in zijn terreinwagen over de M1-snelweg naar Johannesburg. Om half zeven schudden we Cliffords hand op het parkeerterrein van Rosebank. Alle clichés zijn bewaarheid: Nederland stelde teleur, het vervoer was een ramp, we belandden in een zwarte township - en maakten er vrienden voor het leven.