Vriendschap

Afgelopen zomer zat ik op een muurtje van een kasteel in de Bourbonnais, het stuk Frankrijk waar ze de boerenkoningen van het huis Bourbon vandaan haalden, als Saul zó vanachter de ossenwagens geplaatst op de troon van Parijs.

Het was rond het middaguur, warm en zonnig. Ik keek naar het coulisselandschap onder mij en dacht, zonder reden, aan mijn vader. Wat zou hij het heerlijk hebben gevonden om op 22-jarige leeftijd met een paar vrienden tot hier te hebben gefietst, met kleine tentjes op de bagagedrager, enthousiast de strijd tussen de Engelsen en de Fransen reconstruerend. Maar toen hij 22 was, was het oorlog, en dus is het er nooit van gekomen.

Op dat moment kwam er een Franse jongeman van 22 de brede trap af, in gezelschap van een oude man met krukken. Hij zocht zorgvuldig zijn weg. Ik vroeg de jongeman of het zijn vader was en hij zei opgewekt: ‘Non, cést un ami.’ Mooi! dacht ik en ik begon over vriendschap na te denken. Ik had net Machines en emoties gelezen, de door Willem Otterspeer bezorgde briefwisseling tussen Willem Frederik Hermans en Rudy Kousbroek. Anders dan bij de uitgegeven correspondentie tussen schrijvers en hun uitgevers, waarbij de wederzijdse financiële afhankelijkheid toch altijd op de achtergrond meespeelt, is deze briefwisseling, van 1955 tot 1973, er een van pure vriendschap, gedeelde interesses, plagerige scherpslijperij en liefdesbetuigingen.

Het einde van de vriendschap in de laatste brieven is tragisch en treurig, nergens voor nodig, maar de kiem ervan ligt eigenlijk al besloten in de voorafgaande brieven. En dan bedoel ik niet de aanleiding van de breuk, de geschriften van Weinreb en ook niet de incomptabilité des humeurs, die beide grote schrijvers ongetwijfeld hadden, maar de stille krenkingen die zo’n vriendschap onderweg oploopt, ongewild, onbedoeld, nooit uitgesproken, maar als een gif sluipenderwijs werkend.

In het begin is er al iets aan de hand. Kousbroek verontschuldigt zich tegenover Hermans voor een artikel van hem in Maatstaf, waarin misschien de indruk kon ontstaan dat Kousbroek tégen Mandarijnen op zwavelzuur was en hij haast zich te schrijven: ‘Zonder het verschil van standpunt in politieke zaken te willen minimaliseren, stel ik er prijs op nogmaals te verklaren dat ik wat betreft Uw andere publikaties en Uw Houding in de literatuur in het algemeen zonder voorbehoud aan Uw kant sta.’ Dat zullen we dan wel eens zien, dacht de slimme vos Hermans en hij schrijft een zeer gereserveerde brief terug. De eerstvolgende brieven zijn bijna tien jaar later en langzaam ontdekken de twee schrijvers dat ze veel gemeen hebben. Niet alleen wat betreft hun eruditie en francofilie, maar vooral vanwege hun beider liefde voor Céline, filosofie (Wittgenstein) oude auto’s, oude machines, oude foto’s en andere onpraktische dingen.

Hier moet even een opmerking volgen over het omslag van Machines en emoties: de beide heren zouden not amused zijn als blijkt dat hun beider persoonlijkheden er fraai en duidelijk op staan, maar dat het voorwerp waar het hen om gáát, de tweepersoons rolstoel, is afgedekt door de betiteling van hun boek. Die rolstoel staat model voor een groot deel van de correspondentie: het enthousiasme over negentiende-, begin-twintigste-eeuwse machinale uitvindingen, vanaf het begin en voorgoed onbruikbaar, in elkaar gezet met een geweldige vindingrijkheid en een groot gebrek aan verstand voor wat de mensen écht nodig hebben, met een optimisme over wat de mens vermag dat na 1945 uitgestorven schijnt te zijn, dat bij mij onbedaarlijke lachbuien veroorzaakt, gemengd met een golf van weemoed. Dat Hermans en Kousbroek zo ernstig op de foto naast het wanproduct staan, vergroot de hilariteit van het geheel. Ze besluiten samen een boek te maken, Machines in bikini, dat er nooit komt. Dat boek zou bijvoorbeeld een artikel behelzen waarin wordt beweerd ‘dat machines naakt moeten lopen, als in de negentiende eeuw, in hun verrukkelijke obsceniteit van messing en blauw staal, met pijpekrullen van elektrische koperdraden’.

Ach, Machines en emoties is een boek van twee grote jongens met groot talent en grotere ambities die zich verheugen in het feit dat ze vrienden zijn geworden. Kousbroek is de verzamelaar van de twee, hij stuurt Hermans voortdurend foto’s en artikelen waar Hermans misschien belangstelling voor zou kunnen hebben.

Vreemd genoeg is Hermans de kwetsbaarste. Hij is ook de eenzaamste. Van Kousbroeks leven, eerst in Parijs, na de verhuizing in Den Haag, komen we het meest te weten. Hij heeft een oude auto, een vrouw en kinderen en begint aan een bewonderenswaardige carrière als essayist in Maatstaf, Haagse Post, Tirade en NRC Handelsblad. Hermans was al een van de drie belangrijkste schríjvers. Daar zit een verschil in en dat is de tragische crux van deze briefwisseling. Hermans maakt in zijn brieven kritische opmerkingen over de gepubliceerde stukken van Kousbroek. Kousbroek daarentegen zinspeelt nooit, nooit, nooit op de nieuwe boeken van Hermans. Terwijl Hermans daar, met nadruk, expliciet om vráágt. Kousbroek is bijvoorbeeld zijn editie van Moedwil en misverstand kwijt, of hij heeft het te druk met oude auto’s, of hij reageert helemaal niet. Het pijnlijkst duidelijk is dat in een brief van 19 augustus 1965. Hermans schrijft dat hij die ochtend zijn roman Nooit meer slapen heeft voltooid. Hij is er, voor Hermans’ doen, buitengewoon openhartig over en vraagt tot drie keer toe in dezelfde brief of hij Kousbroeks oordeel erover mag horen. Dat is voor een schrijver, nog vóór zijn boek het licht heeft gezien, een geweldig waagstuk en een blijk van een enorm vertrouwen. Ondanks het feit dat hij alles in negatieven stelt: ‘Dit (boek) is van geen geringe betekenis voor mij.’ Of: ‘Ik vind het verkeerd je te vertellen wat ik vind (lees: wat jij moet vinden) van een roman die je nog niet gelezen hebt.’ Of: ‘Je kunt je vrienden beter de vrijheid laten een boek niet goed te vinden, zonder hen eerst aangepraat te hebben dat het een meesterwerk is.’ Dat zijn smeekbedes die er niet om liegen – en dat van de soevereine Hermans!

Kousbroek rept in de correspondentie met geen woord over Nooit meer slapen. Dat moet Hermans een kwelling zijn geweest. Hij besteedt ook geen woord meer aan zijn boeken tegenover Kousbroek. Die negentiende augustus zou de kiem leggen voor een steeds groter wantrouwen tegenover Kousbroek, dat uiteindelijk zou stranden in de Weinreb-affaire. Hoezeer het ook Hermans is die de vriendschap overeind probeert te houden, er sluipt chagrijn in zijn brieven. Kousbroek beweegt zich intussen makkelijk in de wereld, polemiseert, schrijft als een bezetene. Hermans besluit zijn eenzaamheid te nemen voor wat die waard is, zijn rancune te koesteren en de vriendschap op te geven.

Des te treuriger omdat Machines en emoties afsluit met een interview door Otterspeer met Kousbroek. ‘Wat mis je aan hem (Hermans) het meest?’ vraagt Otterspeer. Kousbroek antwoordt: ‘Zijn geest, zijn kennis, zijn belezenheid.’ Ik denk dat Hermans postuum op die vraag hetzelfde geantwoord zou hebben over Rudy Kousbroek. Want het waren vrienden.


WILLEM FREDERIK HERMANS, RUDY KOUSBROEK EN ETHEL PORTNOY
MACHINES EN EMOTIES
De Bezige Bij, 416 blz., € 24,50