Vriendschap

Twee studievrienden van mijn vader waren in de Tweede Wereldoorlog fout geweest.

Hij had moeite met ze te breken; de vrienden die hij had, waren of in de oorlog gestorven of geëmigreerd naar Amerika. Met één vriend – de antisemiet – sneed hij alle banden door, de andere hield hij op afstand, maar hij was toch altijd blij als hij hem zag.

Of blij?

Ofschoon mijn vader nooit over zijn eigen oorlogservaringen in Indië sprak, legde hij ons wel zijn dilemma’s voor. Moest hij nu wel of niet die vriendschap opzeggen?

‘Ik weet niet precies hoe hij denkt en dacht.’
‘Dat weet je wel’, zei mijn moeder dan.
‘Nee, ik heb het alleen uit het Leidse roddelcircuit.’
‘Vraag het hem dan.’

Dat laatste deed mijn vader niet. Hij meed het onderwerp. Een verloren vriend is een gestorven vriend. Hij wilde niet meer vrienden verliezen.

Als hij na zo’n bezoek thuiskwam, vertelde hij wel wat de onderwerpen van gesprek waren geweest. Avonturen in Leiden, rare professoren, Indië, het communisme, Soekarno…

‘En heb je…’
‘Nee’, onderbrak mijn vader mijn moeder.
‘Hoe denkt hij dan over Soekarno?’
‘Ongeveer zoals ik.’
‘Ongeveer?’

Ik wist toen al – jaren zeventig van de vorige eeuw – dat mijn vader Soekarno een oorlogsmisdadiger vond die met de Japanners had samengewerkt en tevens een van de redenen waarom we Indië hadden verloren, en dat verlies maakte mijn vader ‘Heimatlos’. Hij had wel een vaderland, maar geen moederland meer.

Wie moreel in tweestrijd verkeert draait zich vaak met gesloten ogen om

Maar hij zag ook dat Soekarno ‘historisch noodzakelijk’ was geweest. Achteraf denk ik dat hij steeds minder precies over Soekarno en de situatie in zijn moederland moest denken. Vader was op de hoogte van de massaslachtingen die Soeharto later aanrichtte, maar was nog angstiger voor de communisten.

Wie moreel in tweestrijd verkeert draait zich vaak met gesloten ogen om. Alles wat uit Amerika kwam was goed en dat de Amerikanen Soeharto steunden, begreep hij, maar hij meende dat Holland – hij dus – het veel beter had kunnen regelen, op een vredelievender manier. Waarom hadden de Amerikanen destijds Nederland niet gesteund?

Ik vermoed dat mijn vader de anticommunistische zuivering van 1965 waarna Soekarno werd verdreven en de Partai Komunis Indonesia werd vernietigd, aanvankelijk had toegejuicht. Maar in de loop van de tijd, en uit de verhalen die hij nog uit Indonesië vernam, werd hem allengs duidelijk dat er een nieuw fascisme was ontstaan dat door de Amerikanen, Engelsen, Zweden en Australiërs werd gesteund.

Als mijn vader in Leiden met zijn vriend sprak – die niets van Indonesië wist – denk ik dat het verdriet om het verlies van Insulinde een van de thema’s was. Ze konden in de geschiedenis een eind met elkaar oplopen, en daar waar hun wegen zich zouden scheiden, sloegen ze snel een ander pad in.

Toen de vriend gestorven was, ging mijn vader naar zijn begrafenis.

Hij had te doen gehad met de man met wie hij in de jaren dertig zoveel studentenlol had gehad. Samen hadden ze bierdrinkwedstrijden gehouden en eerstejaars ontgroend. Ze konden beiden Goethe citeren, maar ook delen uit opera’s van Wagner. Hun herkenningsfluitje om elkaar op straat te roepen was het begin van de bekende aria van de ‘koningin van de nacht’ uit Die Zauberflöte van Mozart. Maar de vriendschap werd door de oorlog geamputeerd. En de oorlog had al zoveel weggehakt. Het had de moraliteit aangevreten. Zeker nu door diezelfde oorlog vaders God een verderfelijke zinsbegoocheling was geworden.

Op de begrafenis had een zoon (vrijmetselaar) een stuk uit Die Zauberflöte gezongen:

‘In diesen heil’gen Hallen/ Kennt man die Rache nicht./ Und ist ein Mensch gefallen,/ Führt Liebe ihn zur Pflicht./ Dann wandelt er an Freundes Hand/ Vergnügt und froh ins bess’re Land.’

En dan dat tweede couplet: ‘In diesen heil’gen Mauern,/ Wo Mensch den Menschen liebt,/ Kann kein Verräter lauern,/ Weil man dem Feind vergibt./ Wen solche Lehren nicht erfreun,/ Verdienet nicht ein Mensch zu sein.’