TONEEL

Vriendschap is een illusie

Husbands

Wat me van het zien van de film Husbands (John Cassavetes, 1970) is bij­gebleven waren de blikken van mijn vrienden toendertijd, na afloop: diep geraakte en betraande smoelen van mid­twintigers. En ik maar schreeuwen over die klotefilm met die sentimentele macho’s. Ik weet niet meer op welk lafhartig compromis we het in de kleine uurtjes uiteindelijk hebben afgedronken. Het zal wel over midlifecrises zijn gegaan en dat dat iets is van ouwe lullen.

Het verhaal. Drie veertigers komen in Husbands van de begrafenis van een vriend en kijken opeens de doodlopende steeg van hun levens in. Ben Gazarra en Peter Falk, allebei vorig jaar gestorven, hadden samen met regisseur en medespeler Cassavetes de vullingen uit hun kiezen geïmproviseerd, de regisseur had bijna anderhalf uur van het materiaal uit de film weg moeten snijden om hem op de afgesproken lengte van 140 minuten te krijgen, door de producent was er nog eens een kwartier veronderstelde porno weggecensureerd, enfin, een rolprent met een geschiedenis, en ja, dat rauwe acteren, dat deed het hem, vond iedereen.

Nu staat de film op het toneel, de erven Cassavetes hebben Ivo van Hove toestemming gegeven, hij heeft enkele van zijn beste protagonisten bij Toneelgroep Amsterdam de gladiatoren-arena (een fuik) in gestuurd, als vanouds ontworpen door Jan Versweyveld, die de toneelspelers uitrustte met de nieuwste snuif technologie: een camera achter hun oren zodat wij op cinemascoopformaat te zien krijgen hoe zij de sterren van de hemel of de spotjes uit het lichtplafond staan te spelen. Na de verwoestende elektronische vervorming van de menselijke stem in de weidse ruimten van het toneel is nu de gestiek en de mimiek van de toneelspeler aan de beurt, die met filmische technieken zo dichtbij worden gehaald dat we op schermen kunnen zien hoe levensecht het is wat die grote talenten op het toneel bij elkaar toveren. Als ik levensechte mensen wil zien, organiseer ik wel klapstoeltjes op de binnenplaats van de B-paviljoens in onze grote stadsziekenhuizen, zei de actrice Bette Davies ooit. Om de een of andere onnaspeurbare reden ben ik die malicieuze uitspraak nooit meer vergeten.

Barry Atsma, Roeland Fernhout en Hans Kesting, prominenten uit de eredivisie van ons toneel (mij zul je het niet horen ontkennen), ze brullen zich de blaren op hún tong en de butsen op míjn trommelvliezen, Halina Reijn staat vakkundig alle meiden in deze uitgebluste vertelling bij mekaar te jongejantienen, ik bleef vooral naar de stille Alwin Pulinckx kijken en luisteren, die ook nog eens een mooie variant van Keith Jarret bij elkaar pingelde, maar dit terzijde – verder verveelde ik me ongans en interesseerde het me allemaal geen ene zak. Atsma zei in een van de vele vraaggesprekken over dit met internationale excellentie georganiseerde, want pan-Europees gefinancierde project: ‘Het is een van de meest persoonlijke en intieme processen voor ons allemaal geweest. Normaal gesproken ben je als acteur vooral de uitvoerende. Hier moet heel veel van onszelf komen. Ivo wist op een zeker moment niet meer wat tekst was en wat van ons. Hij dacht dat we écht ruzie met elkaar hadden.’

O ja joh, dacht ik, toen ik dat las en dat is natuurlijk verdomd arrogant van mij, want het komt ongetwijfeld recht uit Barry’s hart en zo, met een beetje goede wil gaan die film en deze toneelhappening ook over zoiets dieps als de onmogelijkheid tot rouwen, iets minder deftig: dat onhandige gestuntel rondom de dood. Maar uiteindelijk heb ik toch vooral zitten kijken naar een oppervlakkige toneelkopie van een miskend en door de tijd leeggevreten filmvehikel. Geloof mij vooral niet, ga zelf kijken!


Nog te zien van 8 t/m 12 mei in de Stads­schouwburg Amsterdam, in het volgend seizoen op tournee