Vriendschap op z’n zeventiende- eeuws

Het oude, statige en rijke geslacht Six verpersoonlijkt de geschiedenis van Amsterdam en Nederland. Hoe ruisend Geert Mak de familieanekdotes ook opdist, er is veel in zijn verhaal dat irriteert.

Er zijn maar weinig mensen in Nederland die hun familiegeschiedenis tot aan de intocht van de Batavieren kunnen traceren. Er zijn er nog minder die hun naam en bezit sinds die tijd in goede orde hebben behouden. Daarvoor kent de geschiedenis immers te veel ontaarde zonen, onvruchtbare huwelijken, afgebrande kastelen en beleggingen in tsaristische spoorwegen met bijbehorend bankroet. Toch zijn ze er, oude geslachten, en een van de interessantste onder hen is de Amsterdamse familie Six, die elf achtereenvolgende telgen telt en sinds het eind van de zestiende eeuw in de hoofdstad zijn familiebezit heeft weten te bewaren.

Hun verzameling is weergaloos, een Rijksmuseum in het klein. De eerste Amsterdamse Jan Six (1618-1700) liet in 1654 zijn portret schilderen door Rembrandt en dat is domweg het allermooiste portret van Rembrandts hand ooit. Rembrandt maakte echter ook een ets van dezelfde Jan en het frontispice van diens toneelstuk Medea; de koperen plaat daarvan is ook in de collectie, alsook twee tekeningen in Jan Six’ Album Amicorum en een groepje zeventiende-eeuwse verftubetjes, die misschien wel van Rembrandt zijn geweest. Omdat deze Jan Six trouwde met de dochter van de arts Nicolaas Tulp is ook diens hele verzameling memorabilia in de Six-collectie aanwezig: portretten door Hals, Potter en Pickenoy, een marmeren buste door Quellijn, een gouden penning die Tulp bij zijn vijftigjarig raadsjubileum ontving, enzovoort. Dat Rembrandt-portret wordt soms uitgeleend, maar verder is de Six-collectie grotendeels een gesloten boek. Ze is in 1922 overgedaan aan een stichting, en bijgevolg formeel openbaar, maar een bezoek heeft vele voeten in de aarde. Je kunt er niet zomaar aanbellen.

Medium 00 20  205 2c3 20mb

Het pand is onlangs gerestaureerd en er loopt een onderzoek naar het papieren archief van de familie. Of dat alles ook echt voor het publiek ontsloten zal worden is mij onbekend. Misschien dat de uitnodiging aan Geert Mak om in die geschiedenis te komen grasduinen en er een verhaal van te maken er een eerste aanzet toe is. Mak is bij uitstek iemand die uit de petite histoire van zo’n verzameling familie-episoden een verhaal met een lijn kan bouwen, ingebed in de bredere geschiedenis van Amsterdam en Nederland. Dat is hier gebeurd.

Slim heeft Mak alle elf achtereenvolgende Jannen Six als één personage genomen, en hij zet ze handig in de bredere context van dat huis en de schatten daarin bewaard. De lezer is onmiddellijk jaloers op het voorrecht. Mak krijgt op een dag van ‘de heer des huizes’ (Jan Six X) zomaar het Album Amicorum van Jan Six I in handen, genaamd de ‘Kleine Pandora’. Six hield dat album veertig jaar bij, tussen 1647 en 1686. Het bevat 21 geschreven bijdragen en elf tekeningen, waaronder vier handgeschreven gedichten van Vondel, twee pentekeningen van Rembrandt, een pagina schoonschrift van Hendrick Hooft, twee gedichten van Jan Vos, architectuurtekeningen van Adriaan Dortsman en vier gedichten van Jan zelf. Bij elke historicus zouden dan de rillingen over de rug lopen.

Van alle Sixen is deze Jan I ook voor Mak de meest interessante. Hij was de eerste helft van zijn leven vooral het rijke zoontje van Noord-Franse textielververs die in Amsterdam tot grote welstand waren gekomen en dus hun spruit op Grand Tour naar Italië konden laten gaan. Six liet de zaken verder aan zijn broer; hij verzamelde kunst, schreef toneelteksten, dichtte, richtte een idylle in op het landgoed Elsbroek, reed paard, zoop en zat achter de meisjes aan.

Op zijn 36ste veranderde zijn leven drastisch: hij huwde Margrietje Tulp, de dochter van Nicolaas Tulp. Mak vindt het een curieuze verbintenis, omdat hij Six heeft leren kennen als een vrijzinnige geest, die kennelijk gesteld was op artistieke dwarsliggers, terwijl vader Tulp au fond een harde fundamentalist was. Het huwelijk betekende echter dat Six in één klap midden in Tulps bestuurlijk netwerk terechtkwam en een hele serie baantjes in het stadhuis kreeg toegeschoven, waaronder één keer het burgemeesterschap. Hij veranderde van een culturele jonker in een geduldige tweederangs magistraat die deel had aan de gigantische geldmachine die Amsterdam in de tweede helft van de zeventiende eeuw was.

Jan Six II werd dertig maal burgemeester tot hij in 1748 door het grauw werd afgezet

Mak beschrijft het leven van deze Jan en de andere tien Jannen met vlotte pen als kostelijke minibiografietjes. Ze zijn ook echt leuk: Jan Six II, bijvoorbeeld, werd dertig maal burgemeester en wist de stadscorruptie tot Poetin-achtige hoogte op te drijven tot hij in 1748 door het grauw werd afgezet. De dichteres Lucretia van Merken correspondeerde met Washington en De la Fayette. De jongeheer Hendrik Six werd tot schrik van de familie ingelijfd in Napoleons eregarde. Als het verhaal dunner is pakt Mak de stadsgeschiedenis erbij. Wie niet veel weet van de Amsterdamse context vindt daar veel smeuïgs – de tortuur in het stadhuis, het pachtersoproer van 1748, de slavenhandel – maar voor wie wat beter op de hoogte is is het allemaal bekend terrein, oubollig neergezet, een beetje zoals Jaap ter Haar dat ooit deed. Mak leunt stevig op de aantekeningen van oude rotten als Hans Bontemantel en Jacob Bicker Raye, die informatief zijn, maar ook melig, en wel heel vaak gebruikt.

Het valt de belangstellende lezer dan ook op dat Mak eigenlijk maar half-half inzicht verschaft in de kwaliteit van dat wat hij in dat Six-huis allemaal gelezen heeft. Hij citeert veel uit de ‘Grote Pandora’, twee dikke folianten met de aantekeningen van Jan Six I over van alles en nog wat: recepten, weerberichten, schuine grappen, maar ook korte analyses van het filosofisch discours van zijn tijd, dat bepaald levendig was. Six kende het werk van Spinoza, hij kende de Rijnsburgers, hij brak zich klaarblijkelijk het hoofd over de vrije wil en het nut van lijden, en daarin toont hij zich intelligent en belezen – althans volgens Mak, want waar dat nu precies uit blijkt blijft versluierd. Je krijgt er de vinger niet achter. Six schrijft in een briefje aan Hendrick Hooft: ‘steeds denck ick wat ick ben’ en dat doet een cartesiaanse nieuwsgierigheid vermoeden, maar het kan evengoed het geneuzel van de dilettant zijn, of het zinloos knip-en-plakwerk van een leeghoofd. Mak zegt dat het ‘zelfonderzoek’ is, en typisch voor de tijd, en dat maakt die ‘Pandora’ razend interessant, want zoveel zeventiende-eeuwse egodocumenten zijn er nou ook weer niet. Maar waarom maakte Six die aantekeningen? Hoe intelligent zijn ze nou echt? Hoe serieus zijn ze te nemen?

Medium 08 20  202 20mb

Hoe lekker dit boek ook leest, en hoe ruisend de familieanekdotes ook worden opgedist, er zit veel in het verhaal dat de historicus irriteert. Mak is een man van de grotere worp. Six en Rembrandt noemt hij ‘dikke vrienden’. Rembrandt zou bij Six ‘over de vloer’ zijn gekomen om diens collectie tekeningen te bekijken, Rembrandt zou de ‘opgetogen verhalen van zijn jonge vriend’ over Italië hebben aangehoord, zij zouden ‘lang gesproken hebben’ over een moderne opvatting over de rol van Medea als moderne tragische figuur, enzovoort. ‘Een intensieve omgang, dat blijkt uit alles’, zegt Mak, een broederschap. Maar afgezien van de productie van een serie werken die onmiskenbaar in nauw overleg tussen besteller en maker zijn ontstaan blijkt dat feitelijk nergens uit. Het is heel onwaarschijnlijk alleen al door het standsverschil dat Six en Rembrandt echt kameraadschappelijk met elkaar zijn omgegaan. Mak zegt terecht dat ‘vriendschap’ in de zeventiende eeuw vooral een zaak van netwerken was, van opportunisme, vleierij en baantjesjagerij, en hij weet dat hij het woord dus met grote omzichtigheid moet gebruiken, maar vervolgens trekt hij zich van zijn eigen caveat niets aan. Behalve Rembrandt worden Jan Vos, Vondel, Coster, Van Beuningen, Hooft en nog een paar van die mannen met groot gemak tot ‘dikke vrienden’ bestempeld. Het is een geval van weten dat iets eigenlijk niet helemaal klopt, en het dan toch doen, met de flair van de chroniqueur. Het aantal ‘ik-kan-me-voorstellen-dats’ en ‘zou-kunnens’ en ‘moet-haast-wels’ is onverantwoord groot.

Terwijl de feiten soms zo hard zijn. Toen dat huwelijk met mejuffer Tulp naderde liet Six zijn vriend Rembrandt als een baksteen vallen. Hij verkocht zijn schuldbekentenis aan de geldwolf Gerbrand Ornia, die de schilder meteen de duimschroeven aandeed. De innige vriendschap met Vondel zou blijken uit de ettelijke versjes die deze voor of op Jan Six schreef, maar dat was toen vooral business: als je jarig was of een kind had gekregen, dan stonden lieden als Vondel en Vos op de stoep met een mooi gedichtje, waarvoor je dan als weldoener en kenner geacht werd te betalen. Deze Jan Six, stinkend rijk, stak geen vinger uit toen Vondel op zijn zestigste failliet ging en tot armoede verviel.

Kortom: die eerste Six was toch vooral een feckless youth, een rijkeluiskind dat monter liefhebberde in de kunsten, een man met een zekere smaak, dat wel, maar zonder eigen talent. Een flierefluiter, noemt Mak hem, een man zonder visie en moed. Boven alles een opportunist, zeg ik, zoals zoveel van die koude Gouden Eeuwers.

En toch geeft Mak deze eerste Jan Six voortdurend het voordeel van de twijfel. Hij schrijft over een zeker incident dat dat Six ‘intens [moet] hebben beziggehouden, al vond ik er in zijn aantekeningen niets over terug’. Dat is au fond fictie. Misschien voelt Mak zich gerechtvaardigd omdat hij iets weet wat wij niet weten, omdat wij immers niet mee mochten lezen en die rijke bron gesloten is. Het boek geeft de indruk dat Mak zich een beetje heeft laten meeslepen in de legende van de familie Six zelf, die – ik heb dat zelf van nabij meegemaakt – soms trekjes van een cultus heeft. Zo berust Mak in de lezing dat het tweede Rembrandt-schilderij in de collectie Anna Wijmer verbeeldt, Jan Six’ ‘robuuste oermoeder’. Dat is een dubieuze toeschrijving, doch de Sixen willen daar liever niet van horen; de huidige heer des huizes zei mij ooit dat hij het Rembrandt Research Project de medewerking zou weigeren als die heren van plan waren zijn ‘Anna Wijmer’ af te schrijven. Het ís domweg Wijmer niet, de afgebeelde is veel te jong voor een vijftigjarige weduwe, en er zijn zeer plausibele suggesties voor wie het wél zou kunnen zijn, maar Mak laat het lafjes bij een ‘Anna houdt haar geheimen’. Dat past bij zijn bewondering voor een rijke familielegende, maar het misstaat in de historie.


beeld: (1) Rembrandt, Portret van Jan Six, ca. 1654; (2) een detail van de ‘Kleine Pandora’ (Doto’s Collectie Six, Amsterdam)