De keuzevrijheid van de burger

Vries uw creditcard in

9 oktober 2017Nudge-econoom Richard Thaler heeft maandag de Nobelprijs voor de Economie gekregen. Volgens deze gedragseconoom moet de overheid keuzes van burgers beïnvloeden door ze een subtiel duwtje in de goede richting geven. Maar wie bepaalt wat de goede richting is? En waar ligt de grens tussen duwen en dwang? Eerder schreven Henriëtte Prast en Casper Thomas een artikel over die vragen.

27 mei 2009 - Het Amerika van Obama wil het gedrag van burgers sturen zonder hun autonomie aan te tasten. De voordelen van dit libertair paternalisme zijn evident. Maar waar ligt de grens tussen duwen en dwang?

Medium anp 53637880
De Amerikaanse wetenschapper Richard H. Thaler © Foto ANP

WIE IN TIJDEN van economische crisis nog geld wil lenen is gewaarschuwd. Om te voorkomen dat consumenten zich te diep in de schulden steken, worden reclames voor leningen voortaan voorzien van de waarschuwing ‘geld lenen kost geld’, het financieel equivalent van ‘roken is dodelijk’ op pakjes sigaretten. Hoewel dit ongetwijfeld goed bedoeld is, zijn de verwachtingen van dit soort waarschuwingscampagnes te hoog gespannen. Mensen zijn namelijk geneigd tot wat psychologen en gedragseconomen asymmetrische informatiefiltering noemen: we horen graag informatie die bevestigt wat we toch al denken en we sluiten de oren voor informatie die daartegen indruist. Grote kans dat een waarschuwing dus helemaal niet aankomt. Erger nog: er zijn aanwijzingen dat de tekst ‘roken is dodelijk’ sommige groepen juist aanzet tot roken. Pubers willen stoer zijn.

De kredietwaarschuwingscampagne toont de hedendaagse visie op de burger: die van het rationele individu dat optimaal zal kiezen zolang het goed geïnformeerd is. Het is een aanname die jarenlang beleid van liberalisering en deregulering legitimeerde. In werkelijkheid was het een bedrieglijk simpel antwoord op complexe problemen: maximaliseer de keuzevrijheid en eis van de burger dat deze zelf kiest uit het marktaanbod. Het gevolg is een maatschappij die wat keuzevrijheid betreft haar weerga niet kent. Nooit eerder was er voor een individueel mens zo veel te kiezen. Of het nou gaat om mobiele telefonie, ziektekostenverzekering of een energieleverancier – het idee van de koele en berekenende homo economicus geeft de maat aan voor beleidsmakers. Al past daarbij de kanttekening dat er inmiddels, na de invoering van marktwerking in de zorg, door verregaande fusering nog maar vier ziektekostenverzekeraars over zijn. Blijkbaar stelt de markt zelf ook grenzen aan keuzevrijheid.

Overigens is voor het huidige kabinet naast informeren ook verbieden weer een populair beleidsalternatief. Daarom zijn kredietreclames nu niet alleen voorzien van een waarschuwingslabel, maar worden zij ook verboden tussen zes uur ’s ochtends en negen uur ’s avonds. Het is het zoveelste verbod op rij: terrasverwarmers, gloeilampen, roken, paddo’s, seksreclames; het aantal zaken dat voor een verbod in aanmerking komt lijkt oneindig. Met dit paardenmiddel probeert Balkenende IV grenzen te stellen aan de vrijheid om zelf te kiezen.

Small essay libpart222

DE KEUZEMAATSCHAPPIJ heeft diepe historische wortels die teruggaan tot Adam Smith. In zijn beroemde Inquiry into the Nature and Causes of The Wealth of Nations stelde de Schotse econoom dat het gedrag van de mens wordt gedreven door gecalculeerd eigenbelang. Het is dan ook niet vreemd dat meestal wordt verwezen naar Smith wanneer wordt gesteld dat zo veel mogelijk keuzevrijheid het beste is voor de mens. Vaak wordt dan vergeten dat diezelfde Adam Smith in zijn eerste werk een heel ander mensbeeld propageerde. In zijn Theory of Moral Sentiments stelde hij dat keuzes het product zijn van een samenspel tussen de passies en een ‘onpartijdige toeschouwer’ die binnen het menselijk brein rationeel tegenwicht biedt tegen ongecontroleerde emoties. Voor Smith stonden gevoel en ratio dus op gelijke voet. Dat Smith’ oorspronkelijke idee goeddeels is vergeten, mag worden toegeschreven aan asymmetrische informatiefiltering.

Onderzoek naar menselijk keuzegedrag toont het grote gelijk van Smith’ Theory of Moral Sentiments is. Het is duidelijk dat keuze en gedrag worden gestuurd door allerlei onbewuste psychologische processen. Niet voor niets kreeg psycholoog (!) Daniel Kahneman in 2002 de Nobelprijs voor de economie, de wetenschap die het sterkst leunde op het rationele keuzemodel. Hij kreeg de onderscheiding voor zijn vele onderzoeken die inzichtelijk maken hoe beïnvloedbaar mensen zijn bij het maken van keuzes (zie kadertekst). Recent onderzoek naar neurologische processen bij het maken van keuzes biedt nader bewijs voor dit soort gedragswetenschappelijke bevindingen. Dit rechtvaardigt de conclusie dat de keuzemaatschappij gebaseerd is op een mythe: de onfeilbaarheid van de ratio.

Niet alleen bij het lenen van geld, maar ook bij veel andere keuzes is er eerder sprake van begrensde rationaliteit. Zo hebben mensen naast een neiging tot asymmetrische informatiefiltering ‘last’ van een irrationele voorkeur voor de middenweg, ongeacht wat deze is. Verder zijn mensen sterk geneigd tot de standaard. Wat lijkt op een vrije keuze kan dus ook gewoon behoudzucht van de psyche zijn. Het opvallende is dat irrationaliteit bij kiezen even sterke patronen vertoont als de veronderstelde rationaliteit. Zoals Polonius over Hamlet zegt: al is dit waanzin, er zit methode in. Juist vanwege deze systematiek biedt menselijk keuzegedrag aanknopingspunten voor doelgerichte gedragsbeïnvloeding vanuit de overheid.

HET LIBERTAIR PATERNALISME , een term gemunt door de Amerikaanse wetenschappers Richard Thaler en Cass Sunstein, is de meest invloedrijke denkwijze die de gedragswetenschappen koppelt aan beleid. Dit duo acht het voor een overheid legitiem het keuzeklimaat zó in te richten dat het gewenst gedrag bevordert. Waarbij ‘gewenst’ kan worden geïnterpreteerd als: aansluitend bij wat het individu zelf wil, maar waar het om allerlei redenen, voornamelijk psychologische, niet toe komt. Daarbij kan de overheid haar voordeel doen met kennis uit de gedragswetenschappen. Zijn mensen gevoelig voor framing? Formuleer je keuze zo dat mensen eerder kiezen wat goed voor ze is. Zolang dit soort trucs maar gebruikt worden voor het welzijn van de burgers is het volgens Thaler en Sunstein geoorloofd. Zij noemen het nudging: zachte duwtjes in de goede richting geven. Deze manier van politiek bedrijven is paternalistisch omdat de overheid zich bemoeit met keuzegedrag en libertair omdat de uiteindelijke keuze bij het individu ligt.

Vertrekpunt van het libertair paternalisme is dat veel vrije keuzes op korte of lange termijn onvoordelig uitpakken voor de kiezer zelf. Riskant leengedrag is een goed voorbeeld. Mensen bezwijken nu eenmaal voor de makkelijke verleiding van snel geld. Zorgen over terugbetalen komen later pas. Overgewicht is een ander probleem. Veel mensen willen graag gezond eten en meer bewegen – ze betalen zelfs grif voor dieetproducten en de sportschool – maar het lukt ze niet om naar hun eigen voorkeur te handelen. Een overheid kan mensen stimuleren dit wel te doen.

Een ander onderdeel van het libertair paternalisme is het bevorderen van zelfbinding. Zoals Odysseus zich liet vastbinden aan de mast om de lokroep der sirenen te weerstaan, moeten volgens Thaler en Sunstein burgers mogelijkheden hebben om hun eigen keuzegedrag te beperken. Een bekende huis-, tuin- en keukentruc op dit gebied: leg je creditcard in een bakje water in de vriezer. Zo help je impulsieve aankopen te voorkomen. Of vergelijk het met cafés in Brabant waar bezoekers zichzelf mogen aanmelden voor een systeem waarbij ze het hele jaar door geld in een spaarpot doen die alleen mag worden geleegd met carnaval. Wie zich heeft aangemeld kan niet meer terug en krijgt zelfs een boete als hij zijn wekelijkse bijdrage niet levert. Libertair paternalistisch beleid kan vergelijkbare arrangementen aanbieden. In plaats te worden vergeleken met een duwtje kan het libertair paternalisme dus ook worden beschouwd als een uitgestoken hand: die kun je grijpen als je wilt, maar het hoeft niet.

Aan dit soort gedragsbeïnvloeding ligt de overtuiging ten grondslag dat het begrip ‘vrije keuze’ uiterst bescheiden moet worden begrepen. Keuzevrijheid wordt vaak gelijkgesteld aan een neutrale of afwezige overheid. In werkelijkheid is de overheid nooit geheel neutraal. Ook daar waar de overheid denkt een keuze vrij te laten, treedt onbewuste sturing op. Neem de eeuwenoude standaard dat de vrouw automatisch de naam van haar man krijgt, maar daar onderuit kan door dat actief met een formulier aan te geven. Met de kennis dat tachtig procent voor de standaardoptie gaat, welke deze ook is, is dit wel degelijk sturend.

Bovendien beïnvloeden commerciële partijen keuze en gedrag via reclame en marketing. Ook de fysieke en sociale omgeving is van grote invloed. Inzetten op keuzevrijheid betekent dus ruim baan maken voor andere invloeden. Dit soort partijen hebben, in tegenstelling tot wat je van een overheid mag verwachten, níet altijd de beste bedoelingen, maar worden gedreven door bijvoorbeeld winstbejag. Conclusie: een keuze die geheel vrij is van externe invloeden bestaat niet.

Verder zijn er belangrijke verschillen in de mate waarin mensen willen en kunnen kiezen. Kennis, opleidingsniveau, sociaal netwerk, welvaart en cognitieve vaardigheden zijn allemaal van invloed op de mogelijkheid van een weloverwogen beslissing. En die zaken zijn niet gelijk verdeeld. Het is dus niet voor iedereen even makkelijk een weg te vinden in de keuzemaatschappij, iets waar binnen de politiek van keuzevrijheid vaak weinig aandacht voor is. Overigens komen de gedragswetenschappen met paradoxale verschillen in keuzecapaciteit. Juist experts lijden aan zelfoverschatting en zullen dus eerder verkeerd kiezen. Professionele beleggers maken soms makkelijker financiële blunders dan leken.

DE VRAAG IS NU hoe de overheid moet omgaan met krakkemikkige keuzes. De verbiedende toer laat van zelfbeschikking weinig over. Maar niks doen betekent het individu overlaten aan een mogelijk destructief keuzeklimaat. Precies vanwege dit dilemma is de libertair paternalistische visie aantrekkelijk: deze is gespeend van de pretentie dat de overheid het laatste woord heeft bij het oordelen over verstandige en onverstandige keuzes, maar biedt méér dan een onverschillig laat-maar-waaien. Volgens het libertair paternalisme heeft de overheid de taak mensen te helpen hun eigen voorkeuren te verwezenlijken. Mocht de burger het met de overheid oneens zijn, dan moet de burger naar eigen goeddunken kunnen handelen. Het libertair paternalisme heeft iets van een politiek verzoeningsmodel: zowel het liberale gedachtegoed als het verheffingsdenken komt erin terug.

Dit betekent niet dat nudging vrij is van problemen. Het is eenvoudig te stellen dat de overheid de juiste keuzes moet bevorderen, maar hoe wordt bepaald welke dat zijn? Bovendien is het belangrijk om te onderkennen dat verkeerde keuzes ook hun waarde hebben. Blunderen hoort nu eenmaal bij het leven en van fouten kun je leren. Het libertair paternalisme is geen wondermiddel dat alle keuzeproblematiek oplost. Het is aan de wetenschap om uit te zoeken bij wat voor soort keuzes de libertair paternalistische aanpak toepasbaar is en een goed alternatief vormt voor waarschuwingsboodschappen en verboden.

Het belangrijkste bezwaar tegen het libertair paternalisme is het risico van manipulatie. Nudging – duwtjes in een bepaalde richting – betekent immers dat gewerkt wordt op de psyche. Het gevaar daarbij is dat de burger niet eens weet hoe hij wordt gestuurd. Om manipulatie te voorkomen is het daarom belangrijk dat libertair paternalistisch beleid tegemoet komt aan de eis van verregaande transparantie. Als nudges worden bedacht in politieke achterkamertjes en heimelijk worden ingezet, is er al snel sprake van manipulatie. Dit probleem kan worden opgelost met wat politiek filosoof John Rawls het publiciteitsprincipe noemde: voer alleen beleid uit dat je publiekelijk zou willen verdedigen.

Dan de vraag welke keuze zou moeten worden bevorderd. Dit is een heikel punt: het dwingt de overheid te bepalen welke keuze het beste aansluit bij de voorkeuren van het individu. Daarmee gaat de deur op een kier voor een situatie waarbij de overheid bepaalt wat goed is en de burger dit te slikken heeft. Aanhangers van het libertair paternalisme lossen dit probleem op door te wijzen op de mogelijkheid een bepaalde overheidsbeslissing te omzeilen of ongedaan te maken. Daarbij is wel de vraag hoe reëel het is om tegengesteld aan wat de overheid wil te kunnen kiezen. Als de uitgangopties te duur, lastig of onbekend zijn, is de keuzevrijheid de facto nul en is het gedaan met de zelfbeschikking. Dat schijn-keuzevrijheid weerstand oproept was duidelijk te zien bij het invoeren van het Elektronisch Patiëntdossier. De vele bezwaren waren niet enkel het gevolg van de ondeugdelijkheden in het patiëntensysteem zelf. Ook de wijze waarop het EPD werd ingevoerd – met weinig informatie omkleed en zeer beperkte mogelijkheden tot uitschrijven – was een reden tot verzet.

DE NORMATIEVE bezwaren bij het libertair paternalisme kunnen worden samengevat met de vraag of deze sturingsfilosofie niet simpelweg te technocratisch is. De wijze waarop Thaler en Sunstein hun filosofie presenteren is bijvoorbeeld erg doelgericht. Ze constateren problemen – bijvoorbeeld financieel riskant gedrag – en bedenken vervolgens een manier om dit gedrag bij te sturen. Daarbij gaan ze weliswaar niet dwingend te werk, maar ze tonen weinig interesse voor individuele verschillen. Mensen willen als individuen beschouwd en behandeld worden, en niet enkel als gedragseenheden. Gedrag is namelijk geen wiskundige variabele die kan worden gemodelleerd met het oog op een gewenste uitkomst. Het is daarom belangrijk om individualiteit onder te brengen in de keuzearchitectuur van het libertair paternalisme. Er is al heel wat gewonnen als hierover een discussie wordt gevoerd: waarom wordt er voor deze manier van sturing gekozen en wat bieden de reële uitgangsmogelijkheden? Goed libertair paternalisme is dus geen versneld middel om overheidsdoelstellingen te bereiken en ook geen panacee dat verder beleid overbodig maakt.

De belangrijkste les die uit libertair paternalisme te trekken valt is dat keuzevrijheid versus overheidsbemoeienis een valse tegenstelling is. We leven in een tijd van keuzeovervloed en de gedragswetenschappen leren ons dat we soms behoorlijk gebrekkig kiezen. Het is al te simpel om keuzevrijheid te roemen. Want hoe vrij is een keuze in een omgeving waarin goedkoop calorierijk voedsel zich agressief opdringt of waarin met sluwe reclamecampagnes ondeugdelijke financiële producten worden verkocht? Niet-bemoeien met keuzegedrag betekent dus een beïnvloedbaar en manipuleerbaar individu loslaten in een keuzejungle waaruit het soms moeilijk is te ontsnappen zonder kleerscheuren.

Goed beleid houdt rekening met beperkte keuzecapaciteit. Bovendien is elke mogelijkheid om verschillen in keuzecapaciteit recht te trekken de moeite van het overwegen waard. Juist de zwakkeren in de samenleving zijn het eerste slachtoffer van een doorgedraaide keuzemaatschappij. Het huidige keuzeklimaat in stand houden betekent een onrechtvaardig voordeel voor degenen die de mogelijkheden hebben zichzelf wegwijs te maken in de keuzejungle. De politieke uitdaging waar we in deze tijd voor staan is mensen te helpen de negatieve consequenties van hun eigen keuzegedrag te vermijden, zonder daarbij een grote concessie te doen aan hun zelfbeschikking. Voor een overheid die het voornamelijk moet hebben van voorlichten en verbieden is het libertair paternalisme daarom een uitdagend alternatief.


10 september 2014 - Henriëtte Prast is bijzonder hoogleraar persoonlijke financiële planning aan de Universiteit van Tilburg en was lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Casper Thomas is redacteur bij De Groene Amsterdammer. Hij was eerder als wetenschappelijk medewerker verbonden aan de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Samen met de projectgroep Keuze, Gedrag en Beleid bereidden Prast en Thomas in 2009 een advies voor aan de regering over sturingsvraagstukken.