GORILLAZ © J.C.Hewlett

Anno 1995 was de muziek die britpop werd genoemd groter dan ooit, en als middelpunt van die massale, mediagenieke wervelwind werd steeds vaker één vraag opgeworpen: tot welk kamp behoor jij, Oasis of Blur?

Zoals vaak bij zulke vraagstukken – Beatles of Stones, 2Pac of Biggie? – gaat het niet alleen om muziek, maar ook om maatschappelijke tegenstellingen. De vooral door journalisten opgeworpen vraag of iemand Blur of Oasis verkoos, ging ook over het noorden tegenover het zuiden, rijkdom tegenover armoede, elite tegenover volk, waarbij Blur steeds het eerste vertegenwoordigde. En Oasis won, tenminste, Oasis verkocht meer en werd vaker bekroond, en Oasis had natuurlijk Wonderwall, een evergreen van een kaliber waar Blur nooit in de buurt kwam.

En toch: wie nu terugkijkt, moet wel concluderen dat in Blur de meeste muzikaliteit school. Want waar de twee Oasis-voormannen toch vooral zijn veranderd in verongelijkte aandenkens aan de nineties, bouwt Blurs zanger Damon Albarn al decennia aan een imposant, gevarieerd oeuvre. Eind jaren negentig wrikte hij zichzelf los van Blur met zijn geesteskind Gorillaz, de virtuele band – inclusief populaire getekende muzikanten – die geraffineerd pop met rock met elektronica vermengde, en daarmee wereldhits scoorde.

Sindsdien leek het af en toe of Gorillaz zou stoppen. Dan stortte Albarn zich weer eens hartstochtelijk op een nieuw project. Maar toch komt hij uiteindelijk steeds weer terug bij Gorillaz; misschien omdat hij zich daar muzikaal gezien zo vrijelijk kan uitleven.

Het nieuwste werk Cracker Island, alweer de achtste Gorillaz-plaat, staat bol van de energieke synthesizers, stevige percussiewerken, stuiterende bassen en verrassende gastoptredens. Dat zijn de vaste bouwstenen van een Gorillaz-project, waarbij alle losse stijlen worden verbonden door Albarns zang: zijn stem is melancholisch, met een lichte kraak erin en zoals altijd iets ondoordringbaars. En af en toe klinkt er nu ook dienstbaarheid in door, want de gevarieerde stoet aan medemuzikanten lijkt soms meer van het geluid te bepalen dan Albarn zelf. Dus: het nummer met Bad Bunny – meest gestreamde artiest ter wereld – is vintage reggaeton; de ook al razendpopulaire basgitartist Thundercat zorgt voor een up-tempo disconummer, zij aan zij met Tame Impala levert Albarn een pakkende, aanstekelijk vlotte hoofdsingle af.

Waar het allemaal over gaat? Een verlaten eiland, dansen, liefde, kortom, alles en niks – de teksten zijn versnipperd, zoals dit hele album iets fragmentarisch behoudt.

Cracker Island behoort daarmee niet tot het meest geraffineerde of verrassende dat Albarn ooit maakte. Dit is geen strak opgebouwd meesterstuk zoals het oudste Gorillaz-werk, eerder een verzameling van tien geslaagde jamsessies: hup, niet te veel nadenken, gewoon wat muzikanten opbellen en lekker gaan spelen.

Zoals hij zichzelf na de britpop-strijd opnieuw uitvond, zo lijkt Albarn Gorillaz de laatste jaren ook opnieuw te hebben ingericht. De strakke concepten zijn losgelaten, er is ruimte gekomen voor speelsheid, vrijblijvendheid ook af en toe. De reputatie is allang gevestigd, er hoeft niemand meer overtuigd te worden.