Pericles’ grafrede

Vrij en soeverein

Thucydides
De laatste eer: Pericles’ grafrede

Vertaald door Jeroen A.E. Bons, met medewerking van Jan van Ophuijsen, nawoord David Rijser

Historische Uitgeverij, 64 blz., € 18,95

De democratie is een interessante vinding die alle lezers van dit blad van ganser harte omarmen, maar is het ook een goed idee haar te implanteren in samenlevingen waar ze niet uit zichzelf is ontstaan, zoals het streven van George W. Bush is? Democratie vooronderstelt een zekere mate van welvaart, want niemand zal bereid zijn anderen beleefd hun meerderheid te gunnen als hij niet voldoende te eten heeft. Wil je een land democratisch maken, dan zul je het dus eerst geld moeten geven – al moet er misschien eerst een vorm van democratie zijn die garandeert dat het geld ook terechtkomt bij degenen die er het meest behoefte aan hebben. Hoe dan ook, democratie en welvaart horen bij elkaar. Je kunt je trouwens ook afvragen of Bush zich gerealiseerd heeft dat hij in een werkelijk democratische wereld nooit aan de macht zou zijn gekomen.

Het zijn gedachten als deze die opkomen bij het lezen van de redevoering die de Atheense staatsman Pericles (ca. 495-429 voor Christus) zou hebben gehouden aan het eind van het eerste jaar van de Peloponnesische oorlog, het slopende conflict tussen Athene en Sparta dat in 404 bezegeld werd met een klinkende overwinning door de Spartanen (de vrede werd formeel overigens pas getekend in maart 1996!). Of Pericles werkelijk een rede als deze heeft uitgesproken, is niet zeker. De geschiedschrijver Thucydides, die zelf een actieve rol in de oorlog had gespeeld, is in zijn weergave van Pericles’ woorden ongetwijfeld te goeder trouw, maar het staat buiten kijf dat de toespraak voor hem ook een compositorisch belang diende. Binnen de klassieke Griekse literatuur kan er namelijk moeilijk een sterker voorbeeld van dramatische ironie gevonden worden dan deze rede, die draait om de superioriteit van het Atheense staatsbestel, waar iedere lezer wist dat Pericles anderhalf jaar later als een hond aan de pest zou bezwijken en dat de zwalkende democratie geen partij zou blijken te zijn voor de Peloponnesische vechtmachines. Een mooi verhaal, van Pericles, maar hij heeft geen gelijk.

Zelden is er een verhevener lofzang op de democratie gehouden dan deze grafrede voor de gevallenen uit het eerste oorlogsjaar, in 431 voor Christus. Het is de moeite waard de belangrijkste passage in haar geheel te citeren: «Onze vorm van samenleven is (…) niet een navolging van de gebruiken van onze buurlanden. (…) Haar naam luidt democratie, omdat het bestuur niet neerkomt op een klein aantal, maar bij een meerderheid berust. Voor de wet is bij geschillen tussen privépersonen ieder gelijkberechtigd, waardering ontmoet elk naar de goede naam die men op enig gebied verwerft, en een vooraanstaande positie in het openbare leven verkrijgt men niet omdat men aan de beurt is maar vanwege bijzondere verdienste. (…) Vrij en soeverein is onze vorm van samenleven in het behartigen van onze gemeenschappelijke belangen en in de wijze waarop we elkaars dagelijkse bezigheden aanzien: wij voelen geen ergernis over een buurman die het zich naar de zin maakt en wij voegen hem geen boze blikken toe die weliswaar geen schade berokkenen maar toch kwetsend zijn. In onze onderlinge verhoudingen zijn wij verdraagzaam en in het openbare leven zijn wij zeer wetsgetrouw, vooral uit ontzag, omdat wij gehoor geven aan wie op enig moment het bestuur vormt en aan de wetten, in het bijzonder die ter ondersteuning van slachtoffers van onrecht, en aan de ongeschreven wetten, waarvan het algemeen als schande geldt ze te overtreden.»

Wie zou niet in zo’n staat willen leven? Gelijke rechten, bekwame mensen in het bestuur, vrijheid en tolerantie, fatsoen en gehoorzaamheid aan de wetten, het kan niet op. Het kernwoord in dit verhaal is echter «wij» – wie zijn dat? Als Atheense burgers golden uitsluitend volwassen vrijgeboren autochtone mannen. Kinderen, vrouwen, slaven en ingezetenen van niet-Atheense afkomst hadden geen burgerrecht. Verder is het formeel correct dat iedere burger stemrecht had in de volksvergadering, maar arme boeren en vissers hadden wel iets beters te doen dan die bijeenkomsten bij te wonen, zeker als ze er eerst een paar uur voor moesten lopen. En in de praktijk waren het toch de aristocraten en industriëlen die de lakens uitdeelden.

We kunnen dus al onze vraagtekens zetten bij het democratisch gehalte van de Atheense rechtsstaat, maar nog dubieuzer zijn de gevolgtrekkingen die Pericles erop baseert. Wie in een democratie leeft, aldus Pericles, weet dat hij in een oorlog voor zijn eigen vrijheid en belangen vecht, terwijl anderen, juist omdat ze niet in het beslissingsproces zijn betrokken, in hun onwetendheid op het slagveld onherroepelijk het onderspit zullen delven. Het is voor Pericles vanzelfsprekend dat de superioriteit van een staat het best in een oorlog bewezen kan worden. Evenmin zou hij ontkennen dat Athene zijn welvaart dankte aan de uitbuiting van bond genoten. Maar dat de Atheense arrogantie uiteindelijk fataal zou worden, vermoedde hij niet. Het getuigt van Thucydides’ meesterschap dat hij het aan zijn lezers heeft overgelaten Pericles’ woorden op waarde te schatten.

De nieuwe vertaling is fraai uitgegeven met een doeltreffende inleiding en een schitterend essay van David Rijser als nawoord. Merkwaardig is een monumentaal ongrammaticale zin in de vertaling: Zij weten dat het een geluk is het meest eervolle ten deel te vallen (…) en daarmee een leven zijn toegemeten waarin etc. Nog merkwaardiger is dat Rijser met de vertaler van mening verschilt over de juiste weergave van een paar zinnen.

Dat neemt niet weg dat Pericles’ rede verplichte kost is voor iedereen die met verbazing naar de inaugurele rede van Bush heeft geluisterd. Is het niet zo dat wij als welvarende westerlingen gemakkelijk praten hebben waar het de democratisering van foute staten betreft? Zouden wij werkelijk bereid zijn ons leven te geven voor de vrijheid van de Iraniër en de Noord-Koreaan? En is het niet een beetje raar om landen eerst kapot te maken en vervolgens boos te worden als ze niet doen wat wij zeggen? Eén ding is zeker: Pericles had het niet beter gedaan dan Bush.