Interview: Ties Prakken

Vrij in de cel

De inzet van politie-infiltranten staat na de IRT-affaire opnieuw ter discussie nu van twee verdachten in de cel een bekentenis is losgepeuterd. Ontoelaatbaar, vindt prof. mr. Ties Prakken: «De status van de verdachte in het strafprocesrecht is een lakmoesproef voor de rechtsstaat.»

Vrijdag 8 november veroordeelde de Amsterdamse rechtbank Paul van O., die werd verdacht van doodslag op zijn verdwenen echtgenote Angelique, tot twaalf jaar gevangenisstraf. De zaak baarde vanaf het begin opzien. Het lijk van Angelique werd ondanks een grootscheepse speurtocht nooit gevonden en Paul van O. trok de aandacht door eerst te ver dwijnen en later met 110.000 gulden en andermans paspoort op zak te worden opgepakt.

Ondanks het feit dat Van O. de schijn stevig tegen had, slaagde het Openbaar Ministerie er niet in de bewijslast tegen hem rond te krijgen, zodat werd gegrepen naar een middel dat zich eerder in de belangstelling van de parlementaire enquêtecommissie van Van Traa had mogen verheugen: de politie-infiltrant.

Agent A1052 (die door justitie geen infiltrant maar informant wordt genoemd) liet zich insluiten in het huis van bewaring, om er na twee weken uit te komen met het opgewekte nieuws dat Paul van O. tegen over hem had bekend zijn vrouw te hebben gedood. Dat hiervoor wat misleiding nodig was geweest — A1052 spiegelde Paul van O. een spectaculaire ontsnapping voor en won hiermee zijn vertrouwen — was voor de Amsterdamse rechtbank inherent aan het middel.

Hetzelfde middel werd eerder tot twee keer toe ingezet in de geruchtmakende zaak tegen SE-Fireworks, waarbij medewerker A. de V. aan een politie-infiltrant bekende de aanstichter te zijn geweest van de verwoestende brand in Enschede, een uitspraak die hij later voor de rechter weer introk.

Voor Ties Prakken, advocate en hoog leraar strafrecht aan de Rijksuniversiteit Limburg te Maastricht, zijn de twee gevallen aanleiding om flink aan de bel te trekken. Prakken vindt het onaanvaardbaar dat het infiltratiemiddel is losgehaakt van de context van het vooronderzoek en wordt ingezet in de fase van gerechtelijke vervolging, als de verdachte gedetineerd is. In die fase staat de infiltratie op gespannen voet met normen van verhoor en rechten van de verdachte.

Prakken: «In de fase na de arrestatie heeft de verdachte een aantal rechten waar het infiltratiemiddel grove inbreuk op maakt. Een van die rechten is dat hij niet hoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling, dus dat hij — met andere woorden — mag zwijgen. Van de kant van justitie staat daar de verplichting tegenover om alles na te laten wat kan leiden tot een verklaring ‹waarvan niet kan worden gezegd dat deze in vrijheid is afgelegd›. Zo staat het in de wet. Daar hoort het Openbaar Ministerie ook bij stil te staan.

Het is een keuze om iemand op een bepaald moment te arresteren. Men weet: op het moment dat we toeslaan, verliezen we de kans bepaalde geheime methodes toe te passen. Dat zijn de spelregels. Dat staat gewoon in de Nederlandse wet, en in het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.»

De Amsterdamse rechtbank beroept zich ook op de wet, en zegt in haar vonnis dat het infiltratiemiddel «de grenzen van het toelaatbare nadert, maar niet overschrijdt». Ook valt volgens haar «niet uit de wetsgeschiedenis af te leiden» dat dit opsporingsmiddel niet in een huis van bewaring mag worden ingezet.
Prakken: «Dat valt het inderdaad niet, want niemand heeft het van tevoren bedacht. Het is zo evident. De discussie over die opsporingsmiddelen rond de IRT-affaire speelde zich helemaal af in het kader van de problemen met de opsporing in het vooronderzoek. Lees maar na in het rapport van de commissie-Van Traa: het is bij niemand opgekomen dat je ook zou kunnen infiltreren in het eindonderzoek. Dat volgt uit de plaats van die middelen, uit de manier waarop de regels tot stand zijn gekomen en uit het feit dat het infiltratiemiddel duidelijk in conflict is met de rechten van de verdachte in de fase waarin het nu is toegepast.

Het Openbaar Ministerie bekijkt de zaak kennelijk op een zeer statische manier en zegt: kijk, in de wet staat niet dat het niet mag, dus kunnen we het doen. Daarmee wordt het middel volledig losgetrokken van de context.»

Volgens het vonnis vindt het middel zijn rechtvaardiging verder in het grote maatschappelijke belang dat is gediend bij de opsporing in geval van zware misdrijven, als «regulier openlijk onderzoek onvoldoende resultaat heeft of belooft te hebben».

«Ik vind dat een redenering van niets. Op dezelfde manier kun je martelen verdedigen. Als het vroeger niet lukte om het bewijs rond te krijgen, dan gingen de duimschroeven aan. Nu doen ze dit. Wil het niet goedschiks, dan maar kwaadschiks. Dat is een weinig juridische manier van denken. Er zijn bevoegdheden in de wet geregeld, maar die zijn tegelijkertijd beperkt. Dat is precies de clou van strafrecht: het is meer dan alleen maar straffen.»

Het infiltratiemiddel wordt geregeld in de, uit de aanbevelingen van de commissie-Van Traa voortkomende, Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden, van januari 2000. Toch is er kennelijk nog onduidelijkheid over de timing van het gebruik. Is het misschien tijd voor een expliciet verbod?

«Ik hoop eerder dat het juridisch vernuft van andere rechters van dien aard is dat een nieuwe wet overbodig is. Het niet-gebruiken van het infiltratiemiddel zou bij hogere rechters zonder meer moeten volgen uit het hele systeem van het straf proces. Een vaststelling waar gevangen bewaarders geen moeite mee hebben. Een van hen zei laatst voor de televisie: als dit de regel wordt, dan stop ik ermee, dan krijg je zo’n onfris klimaat in het huis van bewaring. Zo is bijvoorbeeld nog steeds onduidelijk of in de zaak-Angelique de gevangenisdirecteur door de politie is misleid. Deze heeft óf meegewerkt, wat hij niet behoort te doen, óf is zelf om de tuin geleid, wat betekent dat er allerlei valse geschriften door de politie zijn opgemaakt. Je wordt immers niet zomaar opgesloten, daar hoort een hele papierwinkel bij.»

«Het feit dat het middel al in twee zaken is ingezet, terwijl er zoveel tegen in valt te brengen, dat is vreemd. Ik zat er echt mee. Zo gek kan een officier van justitie toch niet zijn om dit middel toe te passen? Die heeft toch ook rechten gestudeerd? Ik denk dat een opportunistische kijk op het strafproces er iets mee van doen heeft. Het oorspronkelijke Wetboek van Strafvordering, uit 1926, gaat uit van drie fasen in het strafproces.

De eerste is de opsporingsfase. De politie heeft dan niet zo gek veel dwang middelen tot haar beschikking, en de verdachte krijgt om deze reden nog weinig rechtsbescherming.

In de tweede fase is het beeld van het delict wat duidelijker. Dan draagt de officier van justitie de zaak over aan de rechter-commissaris. Daarmee is het straf proces rechterlijke verantwoordelijkheid geworden en kunnen de meeste dwangmiddelen alleen na opdracht van de rechter-commissaris worden ingezet. Daar zat een soort garantie in: in plaats van de officier van justitie was iemand van de zittende magistratuur verantwoordelijk voor het proces, iemand die gewend is belangen van de ene en van de andere kant tegen elkaar af te wegen. Bovendien had de verdachte veel meer rechten dan tijdens de opsporingsfase.

En dan is er nog de derde fase die in het Wetboek van Strafvordering uit 1926 aan bod komt. Dat is die van de berechting.

Wat in de loop van de tijd vaker is gebeurd, is dat de rechter-commissarissen, wanneer het druk was of als het ging om heel technische verhoren, delen van het strafproces delegeerden aan de politie. Vervolgens is de politie met verhoren doorgegaan binnen die fase van het gerechtelijk vooronderzoek, zonder delegatie, en op eigen houtje, waardoor zaken door elkaar zijn gaan lopen.

Daar heeft de Hoge Raad naar gekeken, en die achtte het geoorloofd dat de politie met haar onderzoek doorgaat als het gerechtelijk vooronderzoek is gestart. Daarmee was het zogeheten parallelle opsporingsonderzoek geboren, en waren de rechten van de verdachte minder helder. De Hoge Raad heeft ook hieraan toege geven: de verdachte heeft in het parallelle onderzoek niet de rechten die hij in het gerechtelijk vooronderzoek had. Een in het oog springende consequentie hiervan is dat de raadsman van de verdachte in principe niet bij de verhoren aanwezig mag zijn.

Hiermee is de structuur van het Wetboek geofferd. Ik ben bang dat veel juristen zich de oorspronkelijke opzet van het Wetboek van Strafvordering helemaal niet meer realiseren, en dat daaruit het idee bij politie en officier voortkomt dat ze net zo lang met onderzoek kunnen doorgaan als ze willen.»

U heeft in de loop der jaren als advocate de reputatie opgebouwd van verdediger van verdachten van uiteenlopend pluimage. Van krakers in de jaren tachtig tot Öcalan in 1999. Vanwaar die nadruk op de verdediging?

«De verdediging van de verdachte is de meest juridische kant van het strafrecht. De politie, die de boeven achterna zit, daar is niets juridisch aan. Waar het juridisch wordt, is waar je de politie aan banden legt. Daar komt de afweging van de rechten van de burger in beeld. Dat is een fascinerend juridisch aspect — waar straffen tot recht verworden, en politiewerk tot strafprocesrecht, daar gaat het om de bescherming van de positie van de verdediging.»

«Tot op grote hoogte weerspiegelt de status van het strafprocesrecht het rechts statelijk gehalte van een samenleving. Je ziet dat dictatoriale landen vormen van strafprocesrecht hebben waar je niet jaloers op hoeft te zijn. Daar is het niet alleen een manier om politieke tegenstanders uit te schakelen, maar ook een manier om het gewone volk te laten weten dat het gezag ‹goed› is.

Ik ben ooit in Barcelona van een handtas beroofd. In het hotel was daarop de reactie van de receptionist: dat zou onder Franco nooit zijn gebeurd! Daar had hij waarschijnlijk gelijk in, onder dat type regimes wordt de zichtbare, kleine criminaliteit hard aangepakt, terwijl de grote jongens deel uitmaken van het systeem. De status van het strafprocesrecht is een lakmoesproef voor de rechtsstaat. Als het strafproces erg autoritair wordt, is het tijd om te kijken hoe het überhaupt gesteld is met de verhouding tussen staat en burger.»