Dagboek Irak deel 3

Vrij rondlopende criminelen

De bevolking van Zuid-Irak, waar Nederlandse mariniers zijn gelegerd, betaalt een hoge tol voor de bevrijding. Arabiste Kunera Korthals Altes houdt in Najaf een dagboek bij. Deze week deel 3.

Wat voorafging: Zaynab, een Irakese werkzaam bij de Amerikaanse hulporganisatie International Rescue Committee, is vermoord door haar stiefbroers. Een broer schijnt zich te hebben aangegeven, de andere is voortvluchtig. Kleine Ali blijft de moord maar naspelen met een neppistool.

28 juli

We reizen nu elke dag op en neer naar Quadasiya, een provincie ten westen van Najaf. Mijn team is bang. Bang na een paar vervelende incidenten, die bijna normaal worden. Net als de angst. Bij een bezoek aan Shamiya, vergezeld door de lokale politie vanwege het hoge aantal gewapende overvallen en roofmoorden in dit district, worden we verrast door een buurtincident: een gevecht tussen twee families, vier kalashnikovs, schoten in de lucht, woedende gezichten. Volgens de politie gebruiken deze mensen codeïne, valium of artine.

Saddam Hoessein had in aanloop naar de aanval van de Amerikanen en de Britten op Irak een algemene amnestie afgekondigd waardoor naar schatting honderdduizend criminelen op vrije voeten kwamen. Tijdens de oorlog zelf werd de leegloop van de gevangenissen totaal, toen familie en vrienden van de nog zittende gevangenen de gevangenissen openbraken. Elke veroordeelde dief, oplichter, moordenaar of verkrachter in Irak kan sindsdien gaan en staan waar hij wil.

Deze criminelen dragen momenteel flink bij aan de onveiligheid in het land. Bovendien zijn wapen- en pillenhandel nog nooit zo eenvoudig geweest als na de oorlog. De politie is langzaam weer aan het werk gegaan, maar nog lang niet op de oude sterkte.

We schuilen in het huis van een van de politiemannen. Of dat een goede beslissing is weet ik niet, want continu rennen politiemannen in en uit en horen we pistool- en geweerschoten. Intussen zit ik met de tweelingdochters van de politieagent op schoot. Een van de twee heeft problemen met haar tanden; ze komen niet door. Of ik even wil kijken, ik ben toch een zogeheten child protection officer, dan weet ik daar toch meer van? Opnieuw kan ik niets doen. Zo gaat het de hele tijd. «We willen elektriciteit, banen, een inkomen, goede gezondheidszorg, kan iemand kijken naar deze wond, naar mijn been?» Het enige wat ik kan doen is zeggen dat ik hun boodschap kan doorgeven aan andere organisaties of binnen onze organisatie, zodat ons gezondheidsteam of de waterploeg de situatie kan bekijken. En iets kan ondernemen.

Politiemannen rennen weer naar binnen, ze vertellen ons dat twee mannen van een familie zijn vermoord. Een familievete, wraak voor de moord op een familielid een week geleden. Volgens de politie spelen drugs en wapenhandel een rol. Drugs worden gesmokkeld, via de poreuze Iraakse grenzen gaat het van Iran naar Saoedi-Arabië.

29 juli

Levensverhalen van mijn collega’s zijn boeiend, maar vooral ook tragisch en treurig. Oorlogen en Saddams continue en geïnstitutionaliseerde onderdrukking van de sjiïeten hebben vele levens geëist van alle families in Najaf. Maar die verhalen zijn soms ook ontroerend, merkwaardig en hoopvol.

Neem onze logistiek medewerker Ahmed. Hij was tijdens de oorlog officier in de Republikeinse Garde, gelegerd in Bagdad. Het valt me zwaar te geloven dat hij tot de zo gevreesde elite van het Iraakse leger behoorde. Hij is een lange, onhandige, ongecontroleerde jongen, die aan een stuk door praat en zeker tien keer op een dag op en neer rijdt naar dezelfde winkel om steeds verschillende dingen te kopen. Toch is het de waarheid.

Ahmed komt uit Khan Nus, een dorp tussen Najaf en Karbala. Tijdens de oorlog luisteren hij en zijn vrienden stiekem naar de BBC op hun kleine radiootje. Als hij via de radio hoort dat de Amerikanen Najaf hebben bereikt, besluit hij zo snel mogelijk terug te keren naar huis, om zijn familie te beschermen tegen de in zijn ogen brute Amerikanen. Die willen Irak bezetten voor de olie en om alle Irakezen te vermoorden.

Ahmed pleegt overleg met zijn directe baas, die hem verbiedt af te reizen naar het zuiden; hij heeft de taak Saddam te verdedigen. Ahmed houdt voet bij stuk. «Wie beschermt mijn familie? Waar is het leger in Najaf? De Amerikanen zijn daar en ik ben hier. Er zijn anderen die Saddam beschermen, niemand die mijn familie beschermt.»

Zijn majoor bindt in en laat hem gaan. Ahmed gaat in vol ornaat van de Republikeinse Garde op zoek naar transport dat hem naar Najaf kan brengen. Overtuigd van zijn missie Amerikanen te vermoorden, wil hij zijn wapens altijd bij zich hebben voor het geval hij er een tegenkomt; een Amerikaan die zijn land heeft afgepakt en zijn olie wil stelen.

Het is moeilijk om vervoer naar Najaf te krijgen. Iedereen is bang omdat er op die weg wordt gevochten. Ahmed vindt een bus die hem naar Hilla brengt, wat al een eind op weg is. De bestuurder van de bus weigert hem verder dan Hilla te brengen omdat Ahmed door zijn uniform iedereen in gevaar brengt. Want de Amerikanen beheersen intussen deze regio. Al gauw blijkt niemand hem naar Najaf te willen brengen, dus gaat hij weer terug naar Bagdad, achter op een vrachtauto. Vanaf daar gaat hij met een taxi naar Karbala, ten westen van Hilla.

Het is inmiddels nacht wanneer hij aankomt in Karbala. Nog steeds loopt hij in vol ornaat rond. Iedereen die hij tegenkomt verklaart hem voor gek. Maar hij blijft overtuigd van zijn missie. Hij besluit door de velden naar huis te lopen, tot de tanden gewapend, opdat hij gereed is iedere Amerikaan die hij tegenkomt te doden uit wraak voor de bezetting van zijn land.

Dan komt hij zonder kleerscheuren aan bij zijn ouders, die tot zijn verbazing ongedeerd zijn, zoals de meeste Irakezen. Zijn vader roept: «Ben je gek? Doe je uniform uit, gooi je wapen weg, je loopt gevaar.» «Nee», roept Ahmed, «ik wil jullie en mijn land beschermen en verdedigen. Hebben de Amerikanen onze vrouwen dan niet verkracht en vermoord?» Hij heeft geen sporen van moord en brand gezien, maar hij kan zich niet voorstellen dat de Amerikanen dat niet zouden doen. Zijn vader zegt: «De Amerikanen hebben niets slechts gedaan, geen burgers vermoord, onze huizen niet in brand gestoken. Ze hebben ons verlost van Saddam, het is goed dat ze gekomen zijn. Ze zijn niet zoals Saddams mannen.»

Ahmed is niet overtuigd en besluit daarom zelf met een Amerikaan te gaan praten. Hij begraaft zijn uniform, zijn wapens en zijn pet op zijn vaders erf. In gewone kleren neemt hij zijn kleine neefje bij de hand en gaat op zoek naar een Amerikaanse soldaat. De eerste die hij tegenkomt spreekt hij aan.

De soldaat trekt zijn wapen, controleert Ahmed op wapenbezit en vraagt hem wat hij wil. Ahmed vraagt hem op zijn beurt uit te leggen waarom de Amerikanen in Irak zijn. De soldaat legt hem uit dat ze de Irakezen willen bevrijden van Saddam en het leven van de Irakezen willen verbeteren. Ahmed checkt of de Amerikanen niet zijn gekomen om hun olie te stelen en hun land te stelen.

«Nee», zegt de Amerikaan. Opgelucht bedankt Ahmed de Amerikaanse soldaat voor het redden van zijn land en hij is blij dat hij nu weet dat de Amerikanen goede mensen zijn. Hij schudt de hand van de soldaat en haalt zijn oude epauletten uit zijn borstzak en vertelt de Amerikaan dat hij deel uitmaakt van de Republikeinse Garde. En dat hij de Amerikanen altijd haatte. Maar nu is hij blij met ze en dat mogen ze best weten.

En voortaan mag iedereen het weten. Vanaf die dag ziet hij er het meest Amerikaans uit van al mijn collega’s: een baseballpetje op, reflecterende zonnebril, spijkerbroek, radio op zak. Zijn computer speelt continu de nieuwste Arabische pop of de videoclips van de Colombiaanse zangeres Shakira.

Ik plaag hem vandaag en zeg dat deze vrouwen toch echt haram (onrein) zijn volgens zijn eigen chocoladereeptheorie (zie de eerste aflevering van dit dagboek). Hij lacht en zegt: «Ik wou dat ik christen was, dan kon ik doen en laten wat ik wilde.» Maar hij deelt vooralsnog alleen de technologie van de Amerikanen. Als grap zegt hij dat hij zich wil laten bekeren. «Haram! Haram!» roepen twee administratief medewerkers van ons kantoor. Christen zijn is oké, maar je laten bekeren maakt je een kafir, een afvallige. Het betekent dat de islamitische gemeenschap je zal verstoten.

Ahmed droomt weg bij de computer, terwijl zijn oren verdwijnen onder de koptelefoon van zijn nieuwe walkietalkie. Ondanksde dempende werking van de koptelefoon moet het geschreeuw van een vriend ook voor hem hoorbaar zijn.

(wordt vervolgd)