Het slotakkoord van Cancún

Vrije handel is oorlog

Onlangs werden zeven demonstranten tegen privatisering gearresteerd in Soweto omdat ze de installatie van prepaid-watermeters blokkeerden. De meters zijn een geprivatiseerd antwoord op het feit dat miljoenen arme Zuid- Afrikanen hun waterrekening niet kunnen betalen. De nieuwe apparaten werken als openbare telefoons, maar in plaats van een dode verbinding als je geen geld meer hebt, krijg je dode mensen, ziek geworden door het drinken van met cholera besmet water.

Op dezelfde dag dat de Zuid-Afrikaanse «waterstrijders» werden opgesloten, liepen de onderhandelingen van Argentinië met het IMF vast. Struikelblok waren de prijsstijgingen voor geprivatiseerde nutsbedrijven. In een land waar vijftig procent van de bevolking in armoede leeft, eist het IMF dat multinationale water- en elektriciteitsbedrijven toestemming krijgen hun prijzen te verhogen met dertig procent.

Tijdens een top over handel kunnen discussies over privatisering rommelig en abstract lijken. Beneden, op de grond, zijn ze zo helder en urgent als het recht op overleven. Na 11 september konden rechtse commentatoren de globaliseringsbeweging niet snel genoeg ten grave dragen. Er werd verteld dat in tijden van oorlog niemand zich druk zou maken over kwesties als waterprivatisering. Een deel van de Amerikaanse anti-oorlogsbeweging liep in een zelfde val: het was niet de tijd om zich te concentreren op moeilijke economische discussies, maar om samen op te roepen tot vrede.

Al deze onzin eindigde deze week in Cancún, waar duizenden activisten samenkwamen om te verklaren dat het wrede economische model dat wordt gepropageerd door de Wereldhandelsorganisatie zelf een vorm van oorlog is. Oorlog, omdat privatisering en deregulering moorden — door prijzen omhoog te stuwen voor noodzakelijkheden als water en medicijnen en de prijzen omlaag te dringen voor ruwe artikelen als koffie, zodat landbouw op kleine schaal niet meer is vol te houden. Oorlog, omdat degenen die «weigeren te verdwijnen», zoals de Zapatistas zeggen, routinematig worden geslagen, gearresteerd en zelfs vermoord. Oorlog, omdat als dit soort lage-intensiteits-repressie niet de weg weet te effenen naar corporatieve bevrijding, de echte oorlogen beginnen.

De mondiale anti-oorlogs demonstraties die op 15 februari de wereld verrasten, waren gegroeid uit de netwerken die ontstonden door jarenlang globaliseringsactivisme, van Indymedia tot het World Social Forum. En ondanks pogingen de bewegingen gescheiden te houden, lag hun enige toekomst in de samenkomst in Cancún. Vroegere bewegingen probeerden oorlogen te voeren zonder de economische belangen aan te pakken of om economische gerechtigheid te bereiken zonder militaire macht het hoofd te bieden. De huidige activisten, nu al experts in het volgen van het geld, maken niet dezelfde fout.

Neem bijvoorbeeld Rachel Corrie. Hoewel zij in ons geheugen staat gegrift als de 23-jarige vrouw in een oranje jack die de moed had Israëlische bulldozers tegen te houden, had Corrie al een grotere bedreiging in het vizier die achter de militaire hardware opdoemde. «Ik vind het contraproductief om alleen maar de aandacht te vestigen op crisispunten — het verwoesten van huizen, schietpartijen, openlijk geweld», schreef ze in een van haar laatste e-mails. «Veel van wat er in Rafah gebeurt, heeft te maken met die geleidelijke eliminatie van de mogelijkheid van mensen om te overleven… Vooral water lijkt beslissend en onzichtbaar.» De Slag van Seattle in 1999 was de eerste grote demonstratie waaraan Corrie meedeed. Toen ze in Gaza arriveerde, had ze zichzelf al getraind om niet alleen de onderdrukking aan de oppervlakte te zien, maar om te zoeken naar de economische belangen die werden gediend door de Israëlische aanvallen. Dat leidde Corrie naar de bronnen in nederzettingen, die ze ervan verdacht dat ze kostbaar water omleidden van Gaza naar Israëlische landbouwgrond.

Op dezelfde manier hadden, toen Washington wederopbouwcontracten begon uit te geven in Irak, veteranen van het globaliseringsdebat de agenda in de gaten achter de bekende namen van deregulerings- en privatiserings-pushers Bechtel en Halliburton. Als zij de aanval leiden, betekent het dat Irak wordt uitverkocht, niet heropgebouwd. Zelfs degene die alleen tegen de oorlog was vanwege de manier waarop die werd gevoerd, ontkomt er nu niet aan te zien waarom hij werd gevoerd: om precies diezelfde politiek te implementeren waar in Cancún tegen werd geprotesteerd — massaprivatisering, onbeperkte toegang voor multinationals en bezuinigingen op de publieke sector. Zoals Robert Fisk onlangs schreef in The Independent zegt het uniform van Paul Bremer alles: «een zakenkostuum en legerschoenen».

Bezet Irak wordt veranderd in een laboratorium voor free-base-vrije -markteconomie, zoals Chili dat was voor de «Chicago boys» van Milton Friedman na de staatsgreep van 1973. Maar Friedman noemde het «shocktherapie», terwijl het in Irak een gewapende overval was op de mensen die door de oorlog geschokt waren.

Over Chili gesproken: de regering-Bush liet eerder al weten dat als de Cancún-vergaderingen zouden mislukken, zij simpelweg zou doordenderen met meer bilaterale handelsverdragen, zoals de overeenkomst die net is getekend met Chili. De ware kracht van het verdrag is als een koevoet: Washington gebruikte het al om Brazilië en Argentinië te dwingen de Free Trade Area of the Americas te steunen óf het risico te lopen achtergelaten te worden.

Er zijn dertig jaar verstreken sinds die andere 11 september, toen generaal Pinochet, met hulp van de CIA, de vrije markt naar Chili bracht. Die verschrikking betaalt tot de dag van vandaag dividend uit: links zou er nooit bovenop komen, en Chili blijft het meest volgzame land in de regio, bereid om de wensen van Washing ton te vervullen, zelfs al verwerpen zijn buren het neoliberalisme in de stembus en op straat.

In augustus 1976 verscheen een artikel in The Nation van Orlando Letelier, oud-minister in de regering-Allende. Hij was gefrustreerd over een internationale gemeenschap die haar afschuw uitsprak over de mensenrechtenschendingen van Pinochet maar diens vrije-marktpolitiek steunde, en weigerde «het brute geweld te zien dat vereist is om die doelen te bereiken. Repressie voor de meerderheden en ‹economische vrijheid› voor kleine bevoorrechte groepen zijn in Chili twee zijden van de zelfde munt.» Kort erna werd Letelier door een bom gedood.

De grootste vijanden van terreur verliezen nooit de economische belangen uit het oog die worden gediend door geweld, of het geweld van het kapitalisme zelf. Letelier begreep dat. Rachel Corrie ook. Nu onze bewegingen bijeen waren in Cancún, moeten wij dat ook begrijpen.

© The Nation

Vertaling: Rob van Erkelens