Vrije zinnen

CÉLINE CURIOL
VERLOF
uit het Frans (Permission, 2007) vertaald door Nele Ysebaert
Ambo, 239 blz., € 19,95

In een Instituut, dat veel weg heeft van de Verenigde Naties, maar dat georganiseerd is als een totalitair bolwerk, werkt – en woont – een man in de functie van ‘samenvatter’. Hij notuleert discussies en redes van afgevaardigden. Voorheen was de hoofdpersoon in een chemisch bedrijf werkzaam; hij is geen weerspannige geest en voegt zich naar zijn omgeving. Haarscheurtjes ontstaan er in dat wezenloze bestaan als hij ontdekt dat hij slechts op proef is en dat het rapport dat hij moet schrijven (liefst met opmerkingen over collega’s) voorwaarde is voor een vaste aanstelling. Twijfel groeit als het verlof dat hij aanvraagt telkens wordt uitgesteld. Dat is een beetje Kafka, zoals de ambiance aan Orwell en Zamjatin doet denken. Boeken zijn er niet verboden, maar wel verdacht; en onze held komt door collega A. in contact met een conspiratieve groep die het vrije schrijven bevordert en terugkeer van de verbeelding bepleit. Een beetje simplistische tegenstelling tussen bureaucratie, die het liefst met gekloonde, hersenloze mensen te doen heeft, en creatieve geest. Deze lezer zou bovendien op grond van de staaltjes ‘vrij schrijven’ zeggen dat de betrokkenen zich inderdaad maar beter aan notulen en verslagen kunnen houden. Dat is geen objectieve opmerking. Het is wel vreemd dat als de hoofdpersoon uit een algehele lethargie gewekt voor en over zichzelf begint te denken, hij op papier vaststelt dat hij nu een marionet van zichzelf is – óf dit is een afgronddiepe gedachte, óf het gaat om het offer dat het Schrijven eist. Wat moet je met vrije zinnen als deze: ‘Ik had me buiten een systeem geplaatst door mijn geloof te verliezen in het nut van mijn functie daarbinnen en mijn energie te besteden aan de herformulering van mijn geschiedenis, in een stijl waarvan ik een louter instinctief begrip had. Ik stond voor mijn eigen tegenstrijdigheden, die talrijker en complexer waren dan die van de krachteloze, maar operationele machine die het mij lange tijd mogelijk had gemaakt mezelf te ontvluchten.’ Deze schrijver is verloren. Zulke zinnen maken van het boek een brij; en qua handeling gebeurt er ook niets dat het spannender maakt. Het is natuurlijk al moeilijk je de Verenigde Naties voor te stellen als broedkamer van de Big Brother-maatschappij, zeker als je over die maatschappij niets verteld wordt.
Het debuut van Curiol, Parijse stemmen (2006), over een stationomroepster die naast haar werk nog zo’n beetje de prostituee uithing, was als rollenspel interessanter.