Vrijen met God

Hadewijch, Liefdesliederen. Vertaling Jan Kuijper, € 19,95

Veel is niet bekend over Hadewijch, de beroemdste schrijfster uit de Nederlandse letterkunde. In welke eeuw deze mystica nu leefde weten we niet: de dertiende, of vroege veertiende eeuw? Over haar levensloop tasten we helemaal in het duister. Was ze van adel? Leefde ze in een klooster? Ze moet afkomstig zijn geweest uit het hertogdom Brabant. Waarschijnlijk heeft ze enige tijd rondgezworven, mogelijk is ze vervolgd door de inquisitie. Uit haar oeuvre komt ze naar voren als een bevlogen mystica, als iemand die streefde naar een mystieke eenheid met God. Die levenshouding deelde Hadewijch met veel religieuze vrouwen uit de Middeleeuwen. Vanaf 1200 kozen steeds meer vrouwen ervoor om een leven te leiden als Christus, een leven van vroomheid en armoede. Vooral in de Zuidelijke Nederlanden stichtten zij gemeenschappen waarin ze zich afzonderden van de wereld. Veel van hen hadden visionaire, extatische ervaringen met en over hun ‘hemelse bruidegom’. En sommigen, zoals Hadewijch, hebben over die ervaringen prachtig geschreven.
Hadewijchs werken zijn bijzonder. Naar middeleeuwse maatstaven is haar oeuvre omvangrijk en divers. Zij schreef een Visioenenboek over haar mystieke ervaringen en Brieven voor een kring van vrouwen die haar als leidsvrouw zagen. Beide werken zijn geschreven in een bijzonder gestileerd proza, op een moment dat de Nederlandse literatuur nog geheel in de ban van het rijm was. Maar ze was op meer terreinen baanbrekend. Zo componeerde ze een bundel Liederen, 45 strofische gedichten in vernuftige rijmschema’s, die verwant zijn aan de Oudfranse en Latijnse liedkunst. Het zijn curieuze gedichten. Op het eerste gezicht monotoon, maar bij nadere lezing van een bezwerende schoonheid.
Hadewijch dicht niet over gewone zaken. Al haar teksten staan in het teken van de minne, de liefde voor God, maar ook de Liefde die God is. Het is een mystieke liefde die Hadewijch bezingt, waarin mens en God één worden. Om die mystieke eenheid te bereiken moet Hadewijch bereid zijn te lijden en zichzelf geheel over te geven aan Gods wil. En dat maakt haar omgang met de minne tot een worsteling.
Van Hadewijchs liederen is vorig jaar een formidabele, wetenschappelijke uitgave verschenen, door Frank Willaert en Veerle Fraeters (Historische Uitgeverij). Nu zijn haar gedichten ook in een moderne vertaling verschenen, van de hand van Jan Kuijper. Zijn vertaling wil in de eerste plaats recht doen aan de formele kant van Hadewijchs poëzie, door de strofevormen te behouden in de vertaling. Kuijpers vertaling mag zich de eerste literaire vertaling van al Hadewijchs liederen noemen.
Dat is iets om trots op te zijn. Met haar kunstige rijmschema’s maakte Hadewijch het zichzelf bewust moeilijk. Neem bijvoorbeeld het lied 28 in het merkwaardige rijmschema ababcbdeed, of lied 11, dat is geschreven in veertienregelige strofen in het rijmschema aabaabcccbcccb. Het zijn rijmvormen die al in de middeleeuwse literatuur uniek waren. Kuijper heeft die rijmschema’s echter mooi weten om te zetten in vloeiende gedichten, en dat is knap. Zie zijn vertaling van lied 11:

Nu is het nieuw jaar
gekomen. Het is waar:
een prachtig jaargetijde.
Er dreigt een groot en zwaar,
beangstigend gevaar.
Het is niet te vermijden.
Met smart moet ik wel zingen
over de valse dingen
die het edele werk vervingen
van trouwe toegewijden.
Rouw en treurnis gingen
mijn liefdesvreugde verdringen,
want wij, ellendelingen,
verdwalen aan liefdes zijde!

In een interview heeft Kuijper zijn vertaling een 'herdichting’ genoemd. Eerst kwam voor hem de vorm van de poëzie. Pas in de laatste plaats heeft hij zich bekommerd om een getrouwe weergave van de inhoud van Hadewijchs gedichten. Dat zie je op veel plaatsen, vooral in de wijze waarop Kuijper de gedichten van Hadewijch heeft ontdaan van de religieuze, mystieke kern. In Kuijpers vertaling is het erotische poëzie geworden, zoals de zelfbedachte titel Liefdesliederen al zegt.
Deze manier van vertalen stoort soms. Bijvoorbeeld bij de vertaling van de term ghebruken, een centraal begrip in Hadewijchs oeuvre dat duidt op 'genieten’, 'smaken’, maar ook op het heerlijke 'samenzijn’ met God. Kuijper vertaalt het voortdurend met het merkwaardige vrijen, waarmee een fysieke daad wordt gesuggereerd die bij Hadewijch helemaal niet aan de orde is. Ook lief, een term die Hadewijch reserveert voor haar beminde God, wordt vertaald met een intiem koosnaampje 'liefje’, terwijl het slaat op de verheven 'geliefde’. In enkele regels uit het 25ste gedicht leidt dat tot een wat populair jargon: 'Maar is liefje aan liefje zo vast gebonden dat liefje van liefje niet scheiden kan, heeft liefje in liefje zo'n smaak gevonden dat liefje lief leeft in liefdes’ ban’. Kuijpers taalgevoel toont zich hier heel mooi, maar de verzen hebben niets meer te maken met wat Hadewijch oorspronkelijk schreef. Mystieke poëzie wordt zo pure liefdespoëzie. Voor algemeen gebruik geschikt.
En als Hadewijch het heeft over 'ghi sijt die minen gront mach custen’ (lied 16), dan wordt dit bij Kuijper nogal plat: 'Neem mij, van onder tot boven!’, terwijl gront hier verwijst naar de ziel, naar het diepst van Hadewijchs wezen. Het diepzinnige, hooggestemde van haar gedichten wordt zo oppervlakkig en aards. Is dat erg? Voor wie een literaire vertaling verwacht wel. Die lezer zal zich afvragen waarom Kuijper Hadewijch wilde vertalen, en niet zelf strofische gedichten is gaan schrijven. Maar wie wil vrijen met Hadewijch en haar vormkunst wil ghebruken zit bij Kuijper goed.

HADEWIJCH
LIEFDESLIEDEREN
Vertaald door Jan Kuijper,
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 155 blz., € 19,95 (geb.)