Profiel: Gertrude Bell (1868 - 1926)

Vrijgevochten ontwerpster van Irak

Een van ’s werelds belangrijkste musea voor oudheidkunde is afgelopen week leeggeroofd en kaalgestript. Kunstschatten uit de oudste tijden van de beschaving, die tezamen een onschatbare waarde vertegenwoordigen, zijn vernield en meegepikt. De verzameling zal nooit meer compleet zijn. De res ten van eeuwenoude culturen zijn in luttele dagen voor een goed deel verloren gegaan. Het commentaar van de Amerikaanse minis ter van Defensie Donald Rumsfeld: «Goede hemel, waren er zoveel vazen? Is het mogelijk dat er zoveel vazen in het hele land waren?»

Het archeologisch museum van Bagdad is door een Engelse archeologe opgericht in 1923, toen Irak nog maar net bestond. Aan de totstandkoming van die nieuwe natie was de Engelse weldoenster ook voor een groot deel debet. In de afgelopen weken is verwoest wat zij driekwart eeuw geleden als archeologe tot stand bracht; als diplomate lijkt zij daar zelf medeschuldig aan.

«Het is niet helemaal waar dat ik het lot van Irak heb bepaald (moeder), maar het is waar dat met de installatie van een Arabische regering ik mijn zin heb gekregen. Het is een delicate positie om zoveel vertrouwen te genieten.»

Gertrude Margaret Lowthian Bell, zo heette de vrouw die het huidige Irak ontwierp voluit, schreef deze woorden op 17 september 1921 vanuit Bagdad in een brief aan haar ouders. Drie maanden later, op 5 december, schreef ze in een andere brief aan hen: «Ik had een welbestede ochtend op kantoor, waarin ik de zuidelijke woestijngrens van Irak ontwierp (…). Ik denk dat ik erin ben geslaagd een billijke grens samen te stellen.»

Gertrude Bell slaagde er na de Eerste Wereldoorlog in om Winston Churchill zover te krijgen dat hij het juist bedachte land Irak een weliswaar Brits gecontroleerd maar toch redelijk zelfstandig bestuur gaf. Hoe dat ging staat gedocumenteerd in de ongeveer zestienhonderd brieven en zestien dagboeken die Bell naast krantenartikelen, reisboeken, fotoboeken en officiële documenten heeft nagelaten. Wie erin leest maakt kennis met een witty Engelse dame van upper-class afkomst, die zo intellectueel en vrijgevochten was dat geen man haar ten huwelijk wilde of durfde vragen. Haar geluk vond ze niet op lommerrijke tea parties in de tuinen van het moedereiland of op de landgoederen van de koloniën, maar ’s nachts onder de sterrenhemel van een onherbergzame woestijn. Het is akelig om te lezen dat welhaast alle problemen waarmee ze na de Eerste Wereldoorlog werd geconfronteerd bij het verzinnen van het nieuwe land Irak, wederom opspelen in de anarchistische toestand waarin het gebied rond Tigris en Eufraat sinds afgelopen week verkeert.

De vraag is onvermijdelijk: in hoeverre heeft Gertrude Bell, namens het Britse rijk, de kiem gezaaid van de huidige chaos?

In 1886 maakte ze haar entree in Oxford. Ze was de niet onaantrekkelijke en van een charmante eigenzinnigheid voorziene dochter van een invloedrijk staalmagnaat. Thomas Hugh Bell was parlementslid voor de liberalen en vertrouwd in de hoogste regeringskringen. Een studievriendin beschreef zijn dochter als volgt: «Ze was volgens mij het meest briljante wezen dat ooit onder ons was, het meest levendige in ieder geval, met haar eindeloze energie, haar sterke levenskracht, haar ongelimiteerde capaciteiten voor werk, voor praten, voor spelen. Ze was altijd een rare mix van volwassenheid en kinderlijkheid.» De ietwat ondeugende en niet altijd even volwassen observaties, de luchthartige stijl van de vele aan haar ouders geschreven brieven gecombineerd met het feit dat zij de ongehuwde dochter bleef, maken dat Gertrude uit haar geschriften naar voren komt als een jonge geest. Als een bijzondere en assertieve jonge vrouw die thuis sympathiseerde met de suffragettes en in de Arabische mannenwereld genoot wanneer ze de sterke sekse kon aftroeven. Tegelijk schijnt ze een kwetsbare ziel die na een ongelukkige liefde verslingert raakt aan een getrouwde man en die ook in feodale Arabische streken maar geen ridder op wit paard tegenkomt. Er kleeft iets puberaals aan haar romantische hunkering naar de verwante ziel, naar eerlijkheid voor de Arabieren, naar kennis van culturen (ze was avonturier), kennis van talen (en taalkundige), naar de wilde natuur (ze werd bergbeklimmer met een reputatie) en naar verborgen schatten (en vermaard archeologe). Daarom is het raar om opeens een kiekje uit 1921, het jaar van de zojuist geciteerde brieven, te zien. Tijdens de vredesconferentie in Cairo zijn Winston Churchill en T.E. Lawrence (Lawrence of Arabia) op kamelen gehesen; de oudere, bejaard ogende dame naast ze, ook op kameel, is Gertrude Bell.

Na een uitmuntende studie te Oxford volgden twee decennia van kommerloos reizen door Europa en de Arabische landen. Ze hield amechtig van het woestijnavontuur. Als archeologe en taalkundige deed ze ruime kennis op van de geschiedenis, cultuur en stammenverbanden in de Arabische wereld. Haar kennis etalerend in artikelen, begon ze ook in bestuurskringen op te vallen. In de Eerste Wereldoorlog ging ze met Lawrence of Arabia voor het Arabische Bureau van de En gelse regering in Cairo werken en na afloop van die oorlog werd ze secretaris voor oos terse zaken van de civiele commissaris in Irak en belast met de contacten met de Arabieren.

Koningin van de Arabieren en koningin van de woestijn gaan de Engelsen haar dan noemen. Bij de Arabieren krijgt ze de bijnamen Om el Mumineen (moeder van de gelovigen), Es-Sitt (de dame) en, vooral vaak gebruikt, Al Khatun (ook dame, maar meer in de betekenis van de hofdame). De contacten met de Arabieren gaan haar niet slecht af. Ze wordt gerespecteerd en gaat als een gelijke om met vele sjeiks. Foto’s laten haar zien als een bekoorlijke verschijning in weelderige gewaden, jurken versierd met struisvogelveren, opgestoken krulharen en flamboyante hoeden.

Wanneer het Turkse rijk aan het einde van de Eerste Wereldoorlog net iets eerder ineenstort dan het Britse imperium, doordat de Turken de verkeerde keuze voor de Duitsers maakten, poogt Engeland vanuit India de Ottomaanse provincies Basra, Bagdad en Mosoel te bezetten. Na een soms moeizame strijd worden ze aan Engeland toebedeeld en samengevoegd tot een land: Irak. Middelpunt vormt de vlakte tussen de Tigris en de Eufraat, die al sinds de achtste eeuw Al Iraq (betekent: oevergebieden van een grote rivier) wordt genoemd.

Probleem: aan de Arabieren is veel beloofd om ze maar tegen de Turken in opstand te laten komen. Te veel. Zo werd Palestina zowel aan de Arabieren als aan de joden beloofd. Arabische nationalisten verwachten dat in ruil voor hun diensten nu onafhankelijke monarchieën worden gesticht en raken teleurgesteld als dat niet gebeurt. Opstanden breken uit. Verschillende stammen slaan aan het vechten, met elkaar, tegen de Engelsen en tegen de Fransen. Chaos is het gevolg.

Ook de Engelsen hebben een intern geschil. Het koloniaal bestuur in India wil vooral zo groot mogelijke gebiedsuitbreiding en stuurt een leger dat de Iraakse opstanden neerslaat. De Indiase kolonie zegt dat de religieuze en tribale verdeeldheid een eenheidsstaat altijd zal blijven ondermijnen. In Londen en onder de best ingevoerde Arabische gezanten gaan evenwel stemmen op voor Arabisch zelfbestuur onder Britse controle. Churchill vindt simpelweg de baten niet opwegen tegen de kosten van het bezet houden van de Arabische gebieden. Daarom ook richt hij de luchtmacht RAF op. Dorpje opstandig? Stuur geen troepen maar bombardeer het plat.

Bell doet in haar dagboeken verslag van een vliegshow waarin wordt getoond hoe gemakkelijk een rebels dorpje tot en met zijn vluchtende burgers kan worden uitgeroeid. Zo gaat uitgerekend Irak de geschiedenis in als het land dat de Engelsen als eerste met luchtaanvallen onder de duim hielden.

Bell en Lawrence of Arabia hebben andere motieven dan Churchill. Zij hebben sympathie opgevat voor de Arabieren en zien de kracht van het Arabische nationalisme. Bell heeft bovendien een pesthekel gekregen aan de streng gelovige sjiïtische geestelijken die volgens haar niets anders willen dan terug naar de dark ages. Londen, vindt ze, moet kiezen voor de soennitische nationalisten. Zij vormen de groep die het land kan moderniseren. Churchill organiseert in 1921 te Cairo een vredesconferentie — zo heten conferenties waarbij andermans land wordt verdeeld. Daar kiest hij voor Bells plan en installeert de hashemitische prins Faisal, die door de Fransen uit Syrië is verdreven, als koning van de gebieden in en rond Mesopotamië, die inmiddels Irak worden genoemd. In plaats van een mandaat komt er een Engels-Iraaks verdrag. Met een heuse kroning en koninklijke protocollen naar Engels voorbeeld helpt Bell de monarchie vormgeven. Creating Kings noemt ze dit. Hetzelfde gebeurt bijvoorbeeld in Egypte. Het resultaat van deze overheveling van Engelse monarchale tradities, schrijft historicus David Cannadine (Ornamentalism, 2001), «was een groot nieuw imperiaal domein, gebaseerd op een romantische, bewonderende struisvogelvisie op de Arabische sociale structuur». Cannadine noemt haar niet, maar deze woorden lijken ook voor Gertrude Bell op te gaan.

Maar de realiteit is veel harder dan de romantische blik. Na 1921 weten de inwoners van Irak niet dat ze Irakezen zijn. Ze wonen met een veelvoud aan stammen, volken, talen en religies slechts in hetzelfde territorium. Koning Faisal moet hun harten winnen door zich niet als hulpsheriff van de Engelsen op te stellen, tegelijkertijd moet hij die Engelsen weer wel te vriend houden. Het model van de nieuwe staat blijkt vooral neer te komen op een monarchie van een bevoorrechte bevolkingsgroep die de stammen binnen haar territorium onder de duim houdt. Zie ook Syrië, zie ook Saoedi-Arabië, zie ook Jordanië. Osama bin Laden richt zich drie generaties later niet voor niets op de Arabische gelovigen en niet op de inwoners van de Arabische landen. De landen en hun grenzen zijn voor hem slechts constructies van de Engelsen die door de Amerikanen worden onderhouden.

Sinds het construeren van Irak is het rond de oevers van de Tigris en de Eufraat nooit meer helemaal rustig geweest. De problemen waar Gertrude Bell aan het begin van de vorige eeuw mee te maken had, lijken akelig veel op de huidige: Koerden die onderling ruzie maken en die een eigen staat willen, Turken die daar niet blij mee zijn, strijd tussen de sjiïeten en de soennieten, andere onderlinge burgeroorlogen, het parachuteren van een Arabisch zelfbestuur door een westerse bezettingsmacht.

De Britse historicus Charles Tripp (Een geschiedenis van Irak, 2002) noemt als restanten van de Engelse koloniale overheersing: het centrale gezag in Bagdad, het niet-bestaan van een provinciale autonomie en de belangrijke positie van het leger in de politiek. De praktijken van Saddam Hoesseins Baath-partij lijken zelfs erg veel op die van de Engelsen: het bevoorrechten van een bevolkingsgroep (de soennieten) ten op zichte van de andere, waaronder de grote groep sjiïeten, het met geweld bezet houden van het Koerdische berglandschap om zijn olie en als buffer tegen de Turken en de Russen, en het met een vuurkrachtige luchtmacht (die zonodig een gifgasbommetje kan gooien) optreden tegen opstandige clans.

Gertrude Bell bleef na de constructie van Irak wonen in Bagdad en stortte zich op de archeologie. Ze richtte het museum voor oudheden op, werd ziek en verzwakte. In 1926 stierf ze aan een overdosis slaappillen. Men is er niet over uit of ze die expres of per ongeluk nam. De vraag blijft of Gertrude Bell de verdeeldheid onder de verschillende volken en godsdiensten in het Al Iraq-gebied wel genoeg heeft onderkend. Was ze misschien een tikkeltje naïef in haar veronderstelling dat het een zegen zou zijn voor de Arabieren wanneer hun eigen bestuurscultuur door een bezettingsmacht overboord werd gegooid en vervangen door een westers staatsmodel?