Containeropslag bij een containerterminal in de Rotterdamse haven © Robin Utrecht / Hollandse Hoogte / ANP

Het staat in dikke letters boven deze column geschreven: ‘In Den Haag’. Voor de afwisseling wil ik deze week een andere stad aandoen. Ik las namelijk het laatste boek van essayist Arjen van Veelen, getiteld Rotterdam: Een ode aan de inefficiëntie. Wie het voor het eerst ter hand neemt, wordt wat overdonderd door de blurbs op de achterkaft. ‘Heerlijk’, ‘briljant’, ‘belangrijk’, ‘overweldigend’, ‘nietsontziend’ en ‘ijzersterk’. Zoveel loftuitingen maken mij altijd wat argwanend en recalcitrant – don’t believe the hype – maar in dit geval is er geen overdrijving bij.

Wat het boek zo intrigerend maakt is dat Van Veelen Rotterdam als zinnebeeld gebruikt voor het menselijk ongemak met het moderne kapitalisme. Rijdend over de dorre Nieuwe Maasvlakte, kanoënd door de druk bevaren rivier, ronddwalend door gesloopte volksbuurten en exclusieve nieuwbouwtorens, keert de razende reporter zich tegen de vermarkting, de versnelling, het materialisme, de eenzaamheid en de ongelijkheid. Tegelijkertijd is hij geen neutrale omstander, met zijn middenklasse-status, zijn koopwoning in een snel veryuppende wijk en zijn online consumptiedrang. De stad is een bedrijf geworden en Van Veelen realiseert zich terdege dat hij een belangrijke klant is.

Rotterdam leent zich goed voor een dergelijk portret, omdat het in zekere zin altijd al een harde handelsstad is geweest. In de tweede helft van de negentiende eeuw ontstond het moderne Rotterdam, met de aanleg van de Nieuwe Waterweg. Toneelmaker Herman Heijermans schreef eind negentiende eeuw over ‘Zaken-Rotterdam’: een verdord, vermaterieeld, ‘stóm Rotterdam’, dat ‘zichzelf verslet zonder enig lichtpurper ideaal’. In Rotterdam heerste de geest van het materialisme. Het werd een stad, zo schrijft Van Veelen, waar de economie voorrang kreeg boven de mens.

De logistieke revolutie speelt een centrale rol in het narratief. In 1966 werd de eerste container gelost in de haven van Rotterdam. Door deze betrekkelijk simpele uitvinding – een stalen doos met standaard afmetingen – werden vervoerskosten gigantisch gedrukt en nam de mondiale handel exponentieel toe. Het stelde westerse bedrijven in staat om grote delen van het maakproces uit te besteden aan lagelonenlanden. Waar vroeger alle delen van de productie in één fabriek plaatsvonden, ontstonden nu ingewikkelde supply chains met soms wel honderden onderaannemers in tientallen landen. De neoliberale globalisering was een feit.

Wat is er tegen een efficiënte arbeidsmarkt die je een inkomen biedt?

Met de steeds grotere containerschepen die de haven aandeden, was Rotterdam een belangrijke draaischijf in dit proces. Rotterdam werd een postindustriële stad, waar de havenarbeiders van weleer vervangen waren door robots. Aangezien de arbeiders nu grotendeels overbodig waren geworden, konden de oude volkswijken worden gesloopt. Het gemeentebestuur ging op zoek naar een nieuwe, hoger opgeleide bevolking. Het vuile werk werd ondertussen door migranten gedaan: Filipijnse matrozen op de boten, Oost-Europeanen in de kassen.

Elke keer dat Van Veelen zijn boodschappen bij de bezorgdienst van de Albert Heijn bestelt, moet hij denken aan de containerschepen en migrantarbeiders die dit allemaal mogelijk maken. In zijn boek is de container de materiële onderbouw van onze laatkapitalistische consumptiemaatschappij. Daarop rust een bovenbouw van een haast totalitair efficiency-geloof, dat ons er continu toe aanzet steeds sneller en goedkoper te produceren. Het heeft ons veel welvaart opgeleverd, maar waar is de mens in dit systeem gebleven? Van Veelen pleit hartstochtelijk voor de vrijheid om inefficiënt te mogen zijn.

Efficiëntie als boeman, daar moest ik even op kauwen. Van Veelen lijkt zelf ook niet helemaal overtuigd van zijn analyse. Hij behandelt in zijn boek juist vele voorbeelden van inefficiëntie: de corporatie Vestia die miljarden vergokt en vervolgens een hele woonwijk sloopt, een arbeidsmarkt met een ongezonde prestatiedruk, de enorme containerschepen die voor bodemprijzen producten de hele wereld rondslepen ten koste van mens en planeet. De haven was volgens hem ‘de efficiëntste organisatie van een weergaloze verspilling’.

Als efficiëntie draait om het bereiken van doelen met zo weinig mogelijk middelen, dan is de juiste diagnose eerder dat we de verkeerde doelen nastreven. Wat is er tegen een efficiënte volkshuisvesting die je van een woning voorziet voor een betaalbare prijs? Of een efficiënte arbeidsmarkt die je in weinig tijd een waardig inkomen doet toekomen? Het echte probleem, lijkt me, is dat een woning en een baan in ons huidige stelsel er primair toe dienen om winst te maken. Het feit alleen al dat duurzame producten structureel duurder zijn dan vervuilende. Hoe is dat efficiënt?

Er is een bredere tendens op links om de problemen van ons economische systeem te wijten aan de dominantie van het economisch denken als zodanig. Een bekend voorbeeld is Jesse Klavers boek over het ‘economisme’. Maar zoals de socioloog Karl Polanyi al schreef in The Great Transformation (1944) is elke samenleving noodzakelijkerwijs gebaseerd op een zeker economisch denken. De crux is dat in onze samenleving een vorm van economisch denken dominant is die winst als doel heeft en niet het welbevinden van mens en natuur. Pas als we onze systemen werkelijk efficiënt zouden inrichten, hebben mensen weer de vrijheid om inefficiënt te zijn.