Menno Hurenkamp

Vrijheid en beschaving

Hoe groter de wereld, hoe meer we over onze eigen cultuur praten. «Het meest wezenlijke is de vrijheid om af te wijken», zegt GroenLinks-leider Femke Halsema in de Volkskrant van zaterdag. Ze houdt een pleidooi voor links-liberalisme, omdat mensen in dit land hun culturele vrijheden dreigen te verliezen. In het streven naar nieuwe maatschappelijke overzichtelijkheid wordt door «rechts» makkelijk afgerekend met het recht om eigen huwe lijks partners uit te zoeken, eigen talen te spreken, een eigen geloof aan te hangen. De modieuze disciplinering die door Nederland raast, lijkt volgens Halsema alleen te gelden voor de mensen met structurele achterstanden; de overheid moet beter organiseren dat iedereen, en niet alleen de mensen met geld, zichzelf kan ontplooien. Beter onderwijs, veiligheid in achterstandswijken, serieuze arbeidsreïntegratie zorgen voor echte, want positieve vrijheid.

«Variatie is mooi maar kan wel eens te veel worden», zegt onderzoeker Gabriël van den Brink in Trouw van dezelfde dag. Van den Brink, wiens werk door CDA én PvdA energiek geciteerd wordt, betoogt het tegendeel van Halsema, namelijk dat een beschavingsoffensief nodig is om de doorgeschoten diversiteit in de maatschappij te reduceren. Daartoe moet de burgers een aantal bekwaamheden worden bijgebracht: gelijkwaardigheid, zelfwerkzaamheid, betrokkenheid, aanspreekbaarheid. De vereisten zijn bij nader inzien vooral gericht op deugnieten. Wie een mooie baan heeft is per definitie zelfwerkzaam en zal weinig moeite hebben zich min of meer gelijkwaardig, betrokken en aanspreekbaar op te stellen. Kansarmen, lastpakken en baarddragende, nationale-cultuurvliedende elementen in rare jurken hebben met die bekwaamheden meer problemen. Ze hangen erbij, ze kosten de staat geld, begaan misdaden of geven nette mensen een onbehaaglijk gevoel. Zolang ze niet méér op «ons» gaan lijken, is de samenhang in onze maatschappij in gevaar. Tijd dus voor heropvoeding en meer moraal in onderwijs, zorg, recht en sociale zekerheid.

Je kunt uit Van den Brinks onderzoek opmaken dat de onderdrukten waar Halsema voor opkomt niet op haar pleidooi zitten te wachten, en misschien ook niet op het zijne. Eerder dan van normvervaging hebben kansarmen last van «verkeerde», ouderwetse normen: ze verlangen niet naar meer vrijheid maar naar sterke leiders, grenzen dicht, vrouwen aan het aanrecht. Blijft de vraag of de uitvreters in vrijheid gekozen hebben voor afwijking van de burgerlijke norm. En of «net maatschappelijk gedrag» de Marokkaanse jongen, de net afgekickte junk en de beroepswerkloze wel serieus zal belonen, met een baan of een beter huis. Ze hebben naast verantwoordelijkheidsgevoel ook een overheid nodig die haar best voor ze doet. Maar in elk onderzoek naar solidariteit zie je dat mensen wel belasting willen betalen voor soortgenoten maar niet voor vreemden. Als je dus eisen stelt aan afhankelijke mensen houd je de rijken makkelijker bij de les. De middenklasse overtuigen van de noodzaak bij te dragen aan de verzorgingsstaat is een grote opgave voor progressieve politici. Als «vrijheid» daarbij niet genoeg indruk maakt, mag er best wat «beschaving» bij.