Foucaults laatste kunstwerk

Vrijheid in praktijk

Volgens Foucault staat de persoonlijke vrijheid altijd in verhouding tot die van anderen. Onze autonomie is altijd relatief; ons bewustzijn is geen oorsprong, maar effect. Moeten we ons trotse verlangen naar vrijheid dan maar opgeven?

SINDS ENKELE DECENNIA wordt alom het liberale pathos van zelfbeschikking en (keuze)vrijheid gepropageerd. Dagelijks wordt via de media gesuggereerd dat die vrijheid het hoogste goed is en dat moderne mensen op die manier autonoom zouden kunnen en moeten zijn. Wees jezelf! Kies zelf! Tegenwoordig zet men graag stevig in op onafhankelijkheid. Je moet je eigen keuzes maken en daarbij niet te veel op anderen leunen. In het leven van alledag wordt de moraal van het vrije ondernemerschap verheven tot leidraad van een goed leven. De topmanager staat model voor de succesvolle mens. Wie initiatief toont en lef heeft, creatief is en vooral flexibel, haalt zonder twijfel de top. Het leven als carrière. Constant worden mensen uitgedaagd om zichzelf te overschreeuwen. Afhankelijke mensen zijn losers. Al wat kwetsbaar is, moet worden weggemoffeld want alleen winnaars tellen mee. Inmenging wordt opgevat als paternalisme of bemoeizucht: wie ben jij dat jij mij kunt zeggen wat ik moet doen en hoe ik moet leven? Op die manier worden ‘dikke ikken’ gekweekt, kanjers met een mega-zelfrespect. Mocht jouw leven toch mislukken, dan komt dat doordat jij niet sterk en slim genoeg bent om de goede keuzes te maken. We beleven de mythe van de autonomie.
De dominante liberale ideologie van zelfbeschikking en niet-inmenging vormt de voedingsbodem van een fatale leefwijze en omgangsvorm tussen mensen. Ze doet ons vergeten dat zelfs het meest moderne individu zich voortdurend in allerlei vormen van afhankelijkheid en kwetsbaarheid bevindt. We zijn afhankelijk van de instituties waarin we leven en werken. Van de mensen om ons heen. Van ouders die wel of geen zin, tijd en aandacht hadden om ons liefdevol op te voeden. Van medeleerlingen in de klas of collegae op het werk. Van de man of vrouw in de straat die onze veiligheid bewaakt of die ons vuilnis komt ophalen. De veronderstelling is dat mensen over zichzelf beschikken en in staat zijn tot zelfsturing. Dat is nog maar zeer de vraag.
Moderne mensen zijn vaak behoorlijk weerloos en in sommige gevallen op schrijnende wijze afhankelijk. Ze hebben vaak niet geleerd hoe om te gaan met hun beperkingen en zijn gauw geneigd om zichzelf te overschatten. Ze hebben zelden geleerd om tegenspraak te dulden en via een gesprek of dialoog een genuanceerde visie op te bouwen. Ze zijn er nooit in getraind om hun emoties te beheersen en gaan regelmatig over tot zinloos geweld. In onze consumptiemaatschappij is het not done om je te matigen. Volgens de moraal ‘pakken wat je pakken kunt’ gaat menigeen zich te buiten en bezwijkt voor de verleiding tot zelfverrijking. Het moderne individualisme dreigt te verworden tot narcisme, autisme en grootheidswaan. De huidige generatie is opgevoed tot een ‘dik ik’ met weinig verantwoordelijkheidsgevoel. Dit is geen gemakzuchtig cultuurpessimisme. Het is een breed gedragen diagnose van zowel conservatieve als progressieve auteurs waaruit blijkt hoe een welbepaalde vrijheid-blijheid-ideologie sedert de emancipatiebeweging van de jaren zestig nu al bijna een halve eeuw doorwerkt in onze harten en hoofden.
Moeten we ons trotse verlangen naar vrijheid dan maar opgeven? Moeten we de claim van zelfsturing dan maar laten varen? Dat is het standpunt van een groeiend aantal conservatieve denkers, die menen dat de ‘kleine’ mens niet opgewassen is tegen de luxe van de vrijheid. Zij pleiten voor een terugkeer naar een gemeenschapsmoraal, voor overheidsbemoeienis met falende morele opvoeding en als ook dat niet lukt, voor meer repressie. Gelukkig is er een alternatief. De afgelopen jaren zien we de opkomst van een nieuwe moraal, de ethiek van de levenskunst. Aan de basis van deze beweging staat de in 1984 gestorven Franse filosoof Michel Foucault. Vrijheid betekent volgens hem geen niet-inmenging maar positieve vrijheid. De late Michel Foucault onderzocht hoe we met onze moderne vrijheid kunnen omgaan.

Vlak voor zijn dood deed Foucault een intrigerende uitspraak over de kwaliteit van het moderne leven: ‘Waarom zou niet iedereen een kunstwerk van zijn leven kunnen maken? Waarom is die lamp, dit huis wel een kunstwerk en mijn leven niet?’ De moderne mens wordt voortdurend van alle kanten aangestuurd, waardoor zijn leven er allesbehalve uitziet als een kunstwerk. In zijn late werk heeft Foucault het ontwerp gemaakt voor een ethiek van de levenskunst, waarin zijn eigen opvatting van vrijheid centraal staat. Door zijn vroegtijdige dood – hij stierf in 1984 aan aids – heeft hij dit project niet kunnen afmaken. Daardoor is zijn bestaansethiek helaas nogal programmatisch gebleven. Wel werkte hij tot het laatst intensief aan enkele boeken over de Griekse, Romeinse en christelijke moraal. De verschijning van Het gebruik van de lust en De zorg voor zichzelf heeft hij nog net kunnen meemaken. Bovendien heeft hij in enkele interviews de contouren kunnen schetsen van een actuele levenskunst.
De wending naar de levenskunstmoraal betekent een bijna dramatische wending in het werk van Foucault. Tot dan toe had hij zich altijd kritisch, ironisch en soms bijna honend over de ethiek uitgelaten als een domein van normalisering en disciplinering. Het uitdragen van een normatieve moraal was bepaald niet zijn ding. Marx, Nietzsche en Freud worden wel de meesters van de argwaan genoemd; Foucault was de grootmeester. Hij koesterde een diepe argwaan tegen allerlei vormen van theoretisch en praktisch humanisme, bijvoorbeeld in de vorm van het existentialisme van Jean-Paul Sartre. Foucaults hele oeuvre, vanaf De geschiedenis van de waanzin (1961) tot en met De wil tot weten (1976) is één grote aanval op het cartesiaanse cogito, de these dat het subject aan de oorsprong staat van zijn denken en handelen. Dat de mens zou weten wie hij is en waarom hij doet wat hij doet. Dat hij in principe in staat is om de absolute waarheid te kennen. Dat hij daartoe over de middelen van de taal kan beschikken. En ten slotte dat hij de doelen uit het verloop van de menselijke geschiedenis kan afleiden en zijn eigen zingeving daarop kan afstemmen.
In talloze met veel pathos geschreven, nu eens heldere, dan weer cryptische maar vrijwel altijd spannende boeken, artikelen en interviews worden al deze stellingen door Foucault met satanisch genoegen onderuitgehaald. Ons bewustzijn is geen oorsprong maar effect. De taal is geen middel maar een primair medium dat aan ons spreken voorafgaat. Wij worden gesproken, of liever: de taal spreekt in en door ons. Er bestaat geen absolute waarheid maar slechts een perspectivisch, lokaal weten. Het gebeuren van de werkelijkheid verloopt niet monocausaal maar via een ondoorzichtige veelvuldigheid. Kortom: einde van de eenheid, continuïteit, transparantie en almacht van het subject. Mens-zijn verwijst niet naar een oorspronkelijke subjectiviteit maar naar een veelvuldige subjectivering. Had Nietzsche de mens al van zijn troon gestoten, Foucault heeft hem van zijn overige illusies beroofd en uit zijn laatste schuilplaatsen verjaagd.
Foucaults genealogie van de moderne identiteit voltrekt zich grofweg in drie periodes. In de eerste onderzoekt hij de subjectivering via het weten van de menswetenschappen (1960-1970). In de tweede periode tot en met 1976 richt hij zich op de subjectivering via de macht. In een eigenzinnige analyse van de macht laat hij zien dat macht niet een geheime substantie is als eigendom waarmee een hogere instantie de repressie voert. Macht is alom aanwezig en productief. Foucault stelt voor om bij macht eerder te denken in termen van machtsverhoudingen en om analyses van de macht voortaan eerder te voltrekken in termen van een complexe, strategische situatie. Na De wil tot weten (1976) wordt het ineens stil. Acht jaar lang zwijgt Foucault, totdat in de vroege jaren tachtig colleges, interviews en in 1984 twee boeken over levenskunst verschijnen. Foucault blijkt zijn aandacht te hebben verschoven naar een ethiek van de levenskunst, onder het motto ‘draag zorg voor jezelf’. In het complexe voorwoord Wijzigingen van Het gebruik van de lust (1984) legt Foucault uit waarom hij zijn onderzoeksveld verplaatst heeft. In zijn lectuur van de moraalfilosofische teksten uit de klassieke Oudheid is hij op een fascinerende maatschappelijke praktijk gestuit: de zogenaamde bestaansethiek. Foucault geeft ruiterlijk toe dat hij te lang aan deze ‘zelftechnieken’ is voorbijgegaan. De derde en laatste periode van Foucaults oeuvre is dan ook gewijd aan een subjectivering via zelfzorg (1976-1984).
De klassieke levenskunstmoraal draaide vooral om dit gebod: ‘Draag zorg voor jezelf’. De Griekse elite deed dat en oefende zich in zelfsturing op grond van zelfkennis, oefeningen in beheersing van emoties en seksuele lusten, en deugden als moed en matiging. Ze had een uitvoerige politiek van het juiste moment (kairos). De Griekse levenskunst mondde uit in een mooi ethos: ‘De Grieken beschouwden hun vrijheid en de vrijheid van het individu als een ethisch probleem. Maar ethisch in de Griekse zin van het woord: het ethos was de manier van zijn en de manier om zich te gedragen.’ De Romeinen voegden daar belangrijke dimensies aan toe: controle van de menselijke geest (voorstellingen, geheugen, bereik) en vriendschap.
De late Foucault ontdekt een mogelijkheid tot herijking van de westerse ethiek. Hij distantieert zich nadrukkelijk van de joods-christelijke visie waarin moraal primair wordt opgevat als zorg voor de ander. Wie de moraal van de naastenliefde preekt zonder oog te hebben voor de zorg voor zichzelf riskeert overheersing en andere ongewenste onderlinge verhoudingen. Het is een typisch christelijke reflex om zelfzorg op te vatten als zelfzucht of narcisme. Zelfzorg is nu juist de poging om machteloosheid, narcisme en rancune buiten de deur te houden en zichzelf in staat te stellen om als partner, vriend en burger goed te functioneren. Foucault: ‘Ik denk dat het Griekse en Romeinse gedachtegoed uitsluit dat de zorg voor zichzelf op zich neigt naar die overdreven eigenliefde waardoor men anderen verwaarloost of erger nog, de eventuele macht misbruikt die men over anderen heeft.’
In een voorzichtige herneming van deze klassieke bestaansethiek heeft Foucault de contouren van een eigentijdse levenskunst omschreven. Ethiek wordt als zelfzorg en als een vrijheidspraktijk omschreven, als ‘de weldoordachte vorm die vrijheid aanneemt’. Het beoogde doel van de moderne levenskunst is dus: vrijheid. Mensen worden alleen vrij in concrete, praktische leer- en vormingsprocessen. Bij de uitleg van dit standpunt gaat Foucault nader in op het onderscheid tussen negatieve en positieve vrijheid. Negatieve vrijheid verwijst naar emancipatie, losmaking en niet-inmenging (‘vrij van’). Positieve vrijheid verwijst naar de feitelijke vormgeving van het eigen leven (‘vrij tot’). Zolang je je niet hebt vrijgemaakt van overheersing kun je jezelf niet vormgeven. Maar zodra je jezelf gaat vormgeven, stuit je op de inmenging van en aansturing door anderen. Aan overheersing valt in principe te ontkomen, aan aansturing niet. Persoonlijke autonomie is ten diepste een gesitueerde en intersubjectieve aangelegenheid.
De liberale voorstelling van autonomie als onafhankelijkheid is dus volstrekt onjuist. Vrijheid is volgens Foucault altijd relationele autonomie. Jouw vrijheid staat altijd in verhouding tot die van anderen. Een vrij mens is nog altijd een mens te midden van zijn medemensen. Vrijheid is bovendien altijd relatieve autonomie. We zijn in sommige opzichten van onze persoon meer autonoom dan in andere. Het gaat altijd om graden van vrijheid en onvrijheid. De opdracht is dat men zichzelf beheert, en op grond daarvan de richting van het eigen leven en dat van anderen zoveel mogelijk (mee)stuurt. Op uiterst beeldende wijze heeft Foucault zijn ‘ideale’ samenleving geschetst. Dat zou er een zijn waarin alle vormen van overheersing maximaal waren teruggedrongen en wederzijdse aansturing in alle openheid plaatsvindt. ‘In een samenleving als de onze kunnen er talloze spelen zijn: dat zie je heel duidelijk in gezinsverhoudingen en in seksuele en liefdesverhoudingen. De lust om het gedrag van de ander te bepalen is daardoor des te sterker. Hoe vrijer mensen zijn ten opzichte van elkaar, des te sterker is de lust om elkaars gedrag te bepalen. Hoe opener het spel, des te aantrekkelijker en fascinerender het is.’

Is er sprake van een breuk tussen de vroege en de late Foucault? Dat hangt ervan af hoe men er tegenaan kijkt. Nog steeds is Foucault bezig met het onderwerp subjectivering: wie zijn wij geworden? Zijn invalshoek is natuurlijk wel veranderd. De late Foucault beziet deze vraag vooral vanuit de relatie die wij met onszelf kunnen hebben. Is hij dan toch humanist geworden? Wie goed toeziet, kan waarnemen dat Foucault nog steeds niet uitgaat van een oorspronkelijk subject. Het zelf dat zich buigt over zichzelf en probeert zichzelf te transformeren, is nog altijd een historische vorm, tijdelijk, gesitueerd en doordrongen van het andere. Dus ook de zelfbetrekking is voor de late Foucault alleen maar mogelijk via cultureel bemiddelde codes, technieken en voorhanden doelstellingen. Toegegeven, daar blijft nog steeds iets wringen. Zo is het bijvoorbeeld onduidelijk hoe mensen elkaar kunnen aansturen zolang ze geen eenduidigheid hebben over elkaars normatieve kader. Hoe kan ik jou redelijkerwijs aansturen en corrigeren als ik niet weet welke kant jij zelf op wilt? Waarschijnlijk moeten we daarom – met Foucault – voorbij Foucault denken als het gaat over een nieuwe moraal van zelfzorg en zelfverantwoordelijkheid.
Vandaag hebben wij de moed en de denkkracht nodig om de ruimte te betreden van de lege plek van God, voorbij het antipaternalisme, de onverschilligheid en de liberale megalomanie. Als Foucault nog geleefd had, zou hij nu tachtig zijn. Wie Foucault ooit aan het werk gezien heeft, weet wat voor een geweldige dynamiek en vitaliteit hij uitstraalde. In 1983 presenteerde hij in een Californisch amfitheater voor tweeduizend uitgelaten mensen de voordracht De cultuur van het zelf. Ik fantaseer er wel eens over wat een feest het zou zijn om vandaag de oude Foucault met zijn indrukwekkende gestalte in zo’n volle zaal aan het woord te zien over onze huidige levenswijze. Ik stel me voor dat hij zou spreken over de gevolgen van de internetcultuur voor onze laatmoderne identiteit. Over het nieuwe ouder worden in een door jeugdsymbolen gedomineerde beeldcultuur. Over de huidige porno-industrie, de bimboficatie en de commodificatie van onze seksualiteit. Over de huidige multiculturele clash in alle Europese landen en ver daarbuiten. Ik zou willen horen hoe hij de naam Sarkozy had uitgesproken. Onherroepelijk zou hij op zoek gegaan zijn naar de actuele culturele en technologische mechanismen achter onze moderne identiteit. En even onherroepelijk zou hij alle vragen naar concrete morele voorschriften geweigerd hebben. Maar het zou me verbazen als hij niet, ironisch en bedachtzaam, aan ons de tegenvraag gesteld zou hebben naar wie wij inmiddels geworden zijn. Hebben wij onszelf in staat gesteld om ons zelf te besturen? Dragen wij zorg voor onszelf?

Joep Dohmen is universitair docent filosofie en humanisme aan de Universiteit voor Humanistiek, en publiceerde onlangs Tegen de onverschilligheid: Pleidooi voor een moderne levenskunst (Ambo)

Voor bezoekers van de site:
Bestel De woorden en de dingen met korting in de Webshop op www.groene.nl voor de actieprijs van € 44,90 voor € 37,50