Vrijheid in werkelijkheid

In zijn roman ‘Het fiasco’ geeft Imre Kertész een heel scherp beeld van de moeilijkheden van het schrijven over pijnlijke belevenissen.

VEEL HEEFT de Hongaarse schrijver Imre Kertész (1929) niet gepubliceerd, toch is het wel handig te weten hoe Het fiasco, zijn net vertaalde roman uit 1988, zich tot ander werk verhoudt. Het ene boek verwijst namelijk naar het andere. Als de hoofdpersoon in Het fiasco, aangeduid als ‘de oude’, vertelt dat hij over zijn eerste boek tien jaar deed - een roman over een jongen van veertieneneenhalf die in een veewagen naar Auschwitz wordt getransporteerd - en dat het manuscript door de uitgever werd afgewezen met als argument dat hij weliswaar over een schokkend en gruwelijk onderwerp schreef maar tekortschoot 'in de artistieke bewerking van zijn materiaal’, dan is dat letterlijk wat Kertész zelf met zijn eerste boek is overkomen, begin jaren zeventig. Twee jaar daarna, in 1975, werd het alsnog gepubliceerd, vertaald als Onbepaald door het lot. Die vertaling verscheen later dan die van een roman uit 1990, Kaddisj voor een niet geboren kind. Wanneer de schrijver in Het fiasco iemand vertelt waarover zijn roman gaat, zegt deze: 'Een roman schrijven over Auschwitz? In deze tijd! Wie leest zoiets?’ Hetzelfde heeft Kertész indertijd te horen gekregen.
HET HEEFT weinig zin de hele roman als echoput van Kertész’ reële leven te interpreteren, al zijn meer details vertalingen van 'feiten’. Kertész speelt er zelfs een spel mee door zijn hoofdpersoon ook weer een roman te laten schrijven die Het fiasco heet. Deze 'fictieve’ roman beslaat tweederde van het boek. De hoofdpersoon is een man die een levensverhaal krijgt toebedeeld dat uit nagenoeg dezelfde gegevens is samengesteld als die in het leven van de schrijver een rol speelden - en in dat van Kertész. Dat is niet zonder ironie. Zo geeft de oude schrijver te kennen dat hij maar één keer echt geschreven heeft - de tien jaar dat hij aan zijn eerste boek werkte. Maar toen voelde hij zich geen schrijver en dacht hij lange tijd niet aan publicatie, dus ook niet aan lezers. Daarna heeft hij alleen maar van schrijven zijn beroep gemaakt omdat hij niks anders kon.
Hoewel hij ideeën noch zin heeft, moet hij nieuwe boeken schrijven, liefst hele dikke, om zijn pensioen veilig te stellen. Hopelijk is van die treurige gegevens niet alles uit het leven van Kertész gegrepen. En al te letterlijk mag de lezer die verwerking van feitelijke gegevens in een verhaal ook weer niet nemen, of het moet zijn als 'vertaling’ van de ene naar de andere werkelijkheid, waarbij de vraag is welke de meest waarheidsgetrouw genoemd mag worden. In de roman Het fiasco die de oudere schrijver in de gelijknamige roman van Kertész schrijft, keert de hoofdpersoon Köves uit het buitenland terug - waar hij geweest is en wat hij elders gedaan heeft, blijft in het ongewisse. Zijn terugkeer wordt een soort 'wedergeboorte’ genoemd: Köves had zijn eigen dood overleefd. De stad waar hij landt, lijkt sprekend op Boedapest, een vreemde stad die hij echter uit en te na kent. Köves herkent alles maar niets is meer hetzelfde. Dat is bedrieglijk, vooral wanneer alles wat ooit onder dwang plaatsvond nu aan de vrije wil van de mensen wordt overgelaten. 'We hebben niets met u voor. Uw mogelijkheden moet u zelf ontdekken’, zeggen de beambten al bij aankomst op het vliegveld tegen hem. Ze lijken douaniers, maar onduidelijk blijft wat hun werkelijke functie is, zoals in deze nieuwe wereld iedereen maar wat doet, zonder te weten wat en waartoe, en zoals ook iedereen in tautologieën spreekt en in cirkelredeneringen doldraait.
De grap is natuurlijk dat deze ogenschijnlijk ongelimiteerde vrijheid in werkelijkheid als een dwangsysteem in de tweede graad functioneert, of zoals Berg het formuleert, weer iemand die schrijft: 'Beslissen moet een mens zelf. Hier word je slechts de gelegenheid gegeven om dit te doen en vervolgens beoordeelt men in die kamer de genomen beslissingen.’ En als Köves vraagt of er werkelijk zo'n kamer bestaat, antwoordt Berg achteloos: 'Misschien bestaat hij inderdaad niet, maar als mogelijkheid bestaat hij zeker. En ook bestaat de angst dat hij er misschien is, en de onzekerheid die dit met zich meebrengt. Dat is voldoende… Om ieders leven te beheersen.’
DE WERELD, waar Köves ronddwaalt om tot zijn schade en schande te merken dat alles wat hij meent te herkennen net iets anders betekent, is niet meer voor echte verandering vatbaar.
Als de verhoudingen worden omgekeerd en iedereen van rol wisselt, blijft de orde gehandhaafd: de mensen zijn even vrij als overbodig en kunnen hooguit hun overbodigheid door dienstvaardigheid goedmaken, door de orde te dienen, welke orde dan ook. En orde wordt door Berg gedefinieerd als 'arena waar het leven zich afspeelt’.
Hier sluit zich de redenering letterlijk als een cirkel. De allegorische strekking van deze roman laat zich nauwelijks raden. Allerlei situaties zouden met een cliché kafkaësk genoemd kunnen worden, zij het dat Kafka daarmee onrecht wordt aangedaan.
In de vreemde wereld waar Köves terugkeert heeft niets een eigen, vaste betekenis, alles bestaat bij gratie van een hogere bedoeling en lijkt van hogerhand bedisseld. Wat er ook gebeurt, het verraadt de hand van machthebbers op de achtergrond. Zo ook heeft het verhaal geen eigen betekenis maar dwingt het als allegorie de lezer voortdurend tot een vergelijking met het leven in een totalitaire staat. En de lezer komt dan in dezelfde positie als wanneer het werk van Kafka wordt uitgelegd als een profetie van een totale bureaucratie: wat resteert is een parabel waarvan men alleen de sleutel in handen hoeft te krijgen om er de ondubbelzinnige betekenis van te kunnen ontsluiten.
IK WEET NIET of er van de roman in de roman veel zou overblijven als je niet de voorgeschiedenis zou kennen. Al zal het ironisch bedoeld zijn, het motief van de oude schrijver is wat mager: als hij bij gebrek aan nieuwe ideeën een vergeeld notitieblaadje neemt om met zichzelf een spelletje te spelen, ter verstrooiing, bij wijze van uitstel, ter compensatie, weet hij niks beters te verzinnen dan deze waarheid als een koe: 'Je kunt eigenlijk alles als uitgangspunt nemen. Maar het belangrijkste is waar je uiteindelijk terechtkomt.’
Zijn hoofdpersoon laat hij, als ook deze zijn eerste roman geretourneerd krijgt, een veel serieuzere toon aanslaan: 'Want - zal hij even later inzien, en dit inzicht zal hem zeker in hoge mate verrassen - belangrijker dan de roman is voor hem datgene wat hij bij het schrijven van de roman heeft ervaren, en dat was de noodzaak om te kiezen en te strijden; te strijden op de manier die voor hem was voorbeschikt. Vrijheid, bevochten op zichzelf en zijn lot; geweld, de omstandigheden aangedaan; een g om de beperkingen van de noodzaak te ondermijnen - wat anders is een kunstwerk, elk menselijk werk?’ Juist omdat deze zware woorden ongeloofwaardig klinken in het hoofd van deze schrijver uit de tweede hand, kun je die zinnen niet anders lezen dan als uitspraak over de ervaringen van de oude schrijver met zijn eerste boek - de roman over Auschwitz die hem zo verschrikkelijk veel moeite kostte maar die hij moest schrijven; dus als uitspraak van Kertész zelf. De vijfentwintig pagina’s daarover in het eerste deel - 'Als de herinneringen door mijn hoofd gingen kon ik niet schrijven, en zodra ik begon te schrijven dacht ik niet meer aan het verleden’ - geven een scherp beeld van de moeilijkheden van al het schrijven over pijnlijke belevenissen. Ze maken wat mij betreft het hele boek goed. Daarmee vergeleken is de rest van het boek Spielerei, en Kertész wekt niet de indruk dat hij goed is in literaire spelletjes; de titel bederft het spel al bij voorbaat.