Steeds vaker rechtszaken in plaats van debat

Vrijheid van meningsuiting onder druk

Steeds vaker wordt het vrije debat vervangen door de gang naar het Openbaar Ministerie en de strafrechter. En dat terwijl artikel 137 uit het Wetboek van Strafrecht nooit is bedoeld om te worden ingezet in de politieke strijd. De rechtspraak laat zich in een hysterische sfeer mee slepen door de politiek.

«Vindt u het zelf niet een beetje raar?» vroeg Nova-presentatrice Margriet Vroomans afgelopen zaterdag aan de Amsterdamse burgemeester Cohen. «Wij zenden wat beelden en uitspraken van radicale imams uit. Prompt toont iedereen zich geschokt en gaat justitie een onderzoek instellen.»

Nee, dat vond Job «ik ken heel weinig imams» Cohen helemaal niet raar. Hij was juist blij met zulke uitzendingen omdat wij daardoor «leren wat we in dit land van elkaar vinden». Overigens vond hij de door Nova uitgezonden preken — waarin onder meer Palestijnse zelfmoordenaars worden verheerlijkt en lijfstraffen voor vrouwen worden goedgekeurd — absoluut niet «passen» in onze samenleving. Cohen: «Ze sluiten op geen enkele manier aan bij het gedachtegoed van de overgrote meerderheid in ons land. Daarom lijkt het me heel nuttig dat het Openbaar Ministerie een onderzoek instelt.»

Cohen was niet de enige die onmiddellijk de eventuele strafbaarheid van de imams aan de orde stelde. Volksvertegenwoordigers van links tot rechts lieten weten dat de haatboodschappen van de imams niet acceptabel zijn. «Imams die dingen zeggen die ingaan tegen de Nederlandse rechtsorde moeten worden vervolgd», zei CDA-leider Balkenende. «Uitzetten», vond LPF-collega Mat Herben. VVD en D66 riepen op tot sluiting van de betreffende moskeeën. Het Openbaar Ministerie belegde een noodvergadering en besloot dadelijk tot onderzoek van de uitlatingen.

Geen enkele politicus weerlegde de in de moskee geventileerde meningen, niemand sprak uit welke onomstotelijke waarden hier precies in het geding waren. De slappe reacties waren symptomatisch voor het onvermogen van Nederlandse politici om met andersdenkenden om te gaan, zowel in eigen kring als daarbuiten. Steeds vaker wordt het vrije debat vervangen door de gang naar het Openbaar Ministerie en de strafrechter. Argumenten wijken voor slachtofferschap, meningsverschillen worden vernauwd tot de vraag of de tegenpartij zich strafbaar heeft uitgelaten. Dit alles onder aanroeping van de artikelen 137c en 137d uit het Wetboek van Strafrecht (WvS), die belediging van groepen mensen en het aanzetten tot haat, discriminatie en geweld tegen zulke groepen strafbaar stellen.

Waarom zeiden onze politici niet wat ze moeten zeggen, namelijk dat het hier gaat om een stel religieuze fascisten die de moderne wereld letterlijk en figuurlijk op z’n kop zetten? Waarschijnlijk laten ze zich door datzelfde artikel 137 weerhouden. De vrijheid van meningsuiting is weliswaar vastgelegd in artikel 7 van de Nederlandse grondwet, maar met de clausule «behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet». In de praktijk bepaalt artikel 137 welke grenzen er aan vrije meningsuiting worden gesteld. En dat zijn er nogal wat. Het opzettelijk beledigen van een groep mensen is al voldoende grond voor een aanklacht. En wie de officier van justitie niet spontaan aan zijn zijde vindt, kan zelf naar de rechter stappen en vervolging afdwingen met een beroep op artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering. In de afgelopen decennia werden onder meer politici, schrijvers, imams, calvinistische hageprekers, racistische agitatoren en een zieltogend extreem rechts minipartijtje op basis van artikel 137 aangeklaagd.

Hoe kon het zo ver komen? De geest van de Nederlandse antidiscriminatiewetgeving komt het best tot uitdrukking in de grondwet. De facelift van de Nederlandse grondwet, die vlak na de Tweede Wereldoorlog begon, resulteerde in 1983 in een reeks nieuwe artikelen met als kern de gelijke behandeling van alle burgers. Het Nederlands recht werd meer dan voorheen doortrokken van het gelijkheids- en nondiscriminatiebeginsel. Het burgerlijk recht, strafrecht en bestuursrecht zijn sindsdien gestoeld op de gedachte van de juridische erkenning en gelijke behandeling van iedere persoon.

Dat klinkt mooi, maar intussen kwam de vrije meningsuiting erdoor op de tocht te staan. In een juridisch commentaar op artikel 1, dat betrekking heeft op het niet toestaan van welke vorm van discriminatie dan ook, valt te lezen: «Artikel 1 Grondwet getuigt aan de ene kant van een grote vanzelfsprekendheid (…). Aan de andere kant zijn er weinig artikelen die een zo grote rechtspolitieke functie vervullen. Daar door kan het juist in zijn interpretatie en concrete toepassing en ‹gebruik› een controversieel karakter krijgen, waarbij (verschillen) in ideo logische, levensbeschouwelijke en politieke inzichten een belangrijke rol spelen.»

Dat laatste is te zacht uitgedrukt. Een hele reeks omstreden rechtszaken ligt vers in het geheugen. De Rotterdamse imam Khalil el-Moumni werd aangeklaagd voor zijn uitspraak dat homoseksualiteit een besmettelijke ziekte is. Eerder al was RPF-kamerlid Leen van Dijke vervolgd wegens zijn gelijkstelling van homoseksualiteit aan diefstal. In Amsterdam leidde het Palestijnse-vlagincident tot een aangifte door advocaat Loonstein tegen Gretta Duisenberg wegens vermeend antisemitisme. De roman Danslessen (1998) van Pieter van der Sloot was naar het oordeel van het OM anti semitisch louter om de reden dat er een anti semitisch personage in voorkomt. De Hoge Raad oordeelde gelukkig anders.

De rechtsgang resulteerde niet altijd in veroordeling, maar de publiciteit lokte wel een toenemend aantal aangiftes en strafklachten uit. Het laatste halfjaar is er zelfs sprake van een vloedgolf. Volgens het Landelijk Meldpunt Discriminatie zijn twee data van grote invloed geweest op het gezonde volksgevoel inzake grensoverschrijdende uitingen: 11 september 2001 en 6 mei 2002, de dag waarop Pim For tuyn werd neergeschoten. Daarnaast heeft het conflict in het Midden-Oosten een polariserende werking in Nederland. De normen over wat wel en niet door de beugel kan, zijn duidelijk verschoven, vindt directeur Jessica Silversmith. «Janmaat mocht niks over andere culturen zeggen, Fortuyn kwam weg met de uitspraak dat de islam een achterlijke cultuur is.»

«Eerst waren het de voormannen van extreem rechts die werden vervolgd wegens hun uitspraken over etnische minderheden, nu zijn het vertegenwoordigers van diezelfde minderheden die worden vervolgd wegens uitspraken over de Nederlandse samenleving. De waan van de dag regeert», meent voormalig advocaat-generaal Jan Leijten. «Er ontstaat een hysterische sfeer waardoor de vrijheid van menings uiting wordt bedreigd. Artikel 137 is nooit bedoeld om te worden ingezet in de politieke strijd, maar de rechtspraak laat zich meeslepen door de politiek. Niemand kan zeggen waar deze bedreigende ontwikkeling zal ophouden. Ik heb mijn hoop gevestigd op het Europese Hof in Straatsburg, dat gelukkig veel waarde hecht aan de vrijheid van meningsuiting. Ik zou willen dat die imams vrijuit gingen, al was het maar om de suprematie van de vrijheid van meningsuiting te benadrukken, want die komt zo langzamerhand echt in gevaar.»

Voorlopig dieptepunt in het vervolgings circus is de aangifte van de advocaten Spong en Hammerstein tegen politici en journalisten die een «klimaat van haat» tegen Fortuyn zouden hebben geschapen. Veel juristen zijn ongelukkig met hun initiatief. Volgens de Nijmeegse strafrechthoogleraar Ybo Buruma is artikel 137 bedoeld om groepen te beschermen, niet individuele politici. «Bovendien hebben de aangeklaagde politici en journalisten geen haat gezaaid, hooguit hebben ze Fortuyn beledigd. Eigenlijk zouden Spong en Hammerstein hen dáárvoor willen vervolgen. Maar dan zouden ze een uitdrukkelijk mandaat van Fortuyn moeten hebben en dat hebben ze niet. Daarom gooien ze het over de boeg van ‹haat zaaien›.»

Uit de jurisprudentie blijkt dat de wens tot bestraffing van beledigende, discriminerende en haatdragende boodschappen telkens weer op gespannen voet staat met de grondwet. Helaas is de grondwet in veel opzichten een dode letter. De Nederlandse rechter mag andere wetten namelijk niet aan de grondwet toetsen (in Amerika is dat juist één van de belangrijkste taken van het Hooggerechtshof). Daarentegen moet de Nederlandse rechter wél rekening houden met belangrijke internationale verdragen zoals het Europees Verdrag voor Rechten van de Mens (EVRM). Artikel 10 daarvan schrijft gelukkig een ruimere vrijheid van meningsuiting voor dan het Nederlandse grondwetsartikel 7.

De ironie wil dat artikel 137 oorspronkelijk is bedoeld voor de bescherming van minder heden en dat het nu in toenemende mate tegen diezelfde minderheden dreigt te worden ingezet. Het huidige artikel 137 bouwt voort op een oud artikel tegen «enkelvoudige belediging» (simpel gezegd: je mocht iemand in het openbaar niet voor «klootzak» uitmaken). Het werd drastisch uitgebreid in 1966, toen Nederland zich door de ondertekening van het Internationaal Verdrag tegen Alle Vormen van Rassen discriminatie verplichtte tot strafbaar stellen van alle discriminerende uitingen, bedoelingen en daden. De wetgever deed dat met tegenzin, in het besef dat de vrijheid van meningsuiting erdoor in gevaar kwam. Om die reden weigerden de Verenigde Staten zelfs het verdrag te ratificeren, terwijl Groot-Brittannië een uitzondering bedong voor onder meer communistische en fascistische groeperingen.

Omdat de oude beledigingsbepaling behouden bleef, stelt artikel 137 vrijwel elke uitlating strafbaar die door een groep als beledigend zou kunnen worden opgevat. Strikte toepassing ervan zou elk politiek debat, elke kunstuiting en zelfs elke wetenschappelijke discussie onmogelijk kunnen maken. Daarentegen hecht Nederland vanouds een bijzondere waarde aan de vrijheid van godsdienst: in gebedshuizen is méér geoorloofd dan daarbuiten. Sinds de zeventiende eeuw dragen gelijke monniken in ons land nog altijd ongelijke kappen. Om aan die willekeur een eind te maken, pleit de politiek filosoof Paul Cliteur voor het schrappen van de godsdienstvrijheid uit de grondwet, zodat godsdienstige uitingen voortaan onder de «gewone» vrijheid van meningsuiting vallen.

Alles bij elkaar maken die wetten en verdragsbepalingen de huidige toetsingspraktijk bijzonder ingewikkeld, bijvoorbeeld als het gaat om de imams, zegt Alis Koekkoek, hoogleraar staatsrecht aan de KUB. «Ik aarzel sterk om het aanroepen van Allah opruiing te noemen. De oproep om je vrouw te slaan zou daar wél onder kunnen vallen, als er tenminste sprake is van mishandeling. In geval van uitlokking moet er sprake zijn van een direct verband tussen woorden en daden. Daarvan is hier vooralsnog geen sprake. De uitingen zijn bovendien gedaan binnen de muren van een (religieus) gebouw en in naam van Allah. Zolang de wet niet wordt overtreden moet daar allemaal ruimte voor zijn. Dus ik aarzel. Uitingen zoals van El-Moumni over homoseksualiteit zijn op zich beledigend te noemen. De rechter vond echter dat ze als geloofsopvattingen niet beledigend waren.»

Doorslaggevend is volgens Koekkoek de vraag of de gebruikte woorden grievend zijn en of de spreker erop uit is te beledigen. Hij vindt het overigens geen goede zaak als de grenzen te gemakkelijk verschuiven onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen: «Sinds 11 september is het duidelijk dat je meer op je woorden moet letten dan daarvoor. Maar in het algemeen vind ik dat in de politiek het debat robuust gevoerd moet kunnen worden. Ten tijde van verkiezingscampagnes moet er veel gezegd kunnen worden zonder meteen te grijpen naar 137c en 137d. Het is juist goed als we wat van elkaar kunnen hebben.»

In de loop der jaren is menige veroordeling dan ook tot bij de Hoge Raad aangevochten. Op 18 mei 1999 handhaafde de Raad het vonnis van de Zwolse rechter en het Arnhemse gerechtshof tegen Hans Janmaat wegens belediging van migranten. De leider van Centrum Partij ’86 was veroordeeld tot twee maanden voorwaardelijk en een boete van zevenduizend gulden omdat hij op een wettelijk toegestane demonstratie voor de camera had gezegd: «Wij schaffen, zodra wij de mogelijkheid en de macht hebben, de multiculturele samenleving af.» Hij werd echter niet gepakt op die woorden, zegt Leijten, maar vanwege de context waarin hij ze uitsprak: andere mensen op de demonstratie hadden leuzen als «Nederland is vol» geroepen.

Leijten: «Op grond van die uitlatingen van anderen is hij veroordeeld. Tegenwoordig zeggen veel politici hetzelfde als Janmaat en worden dan niet veroordeeld.» Er wordt, kortom, in dit land met twee maten gemeten. «Het is zuur voor Janmaat», meent strafrechthoog leraar Petrus van Duyne in Tilburg, «dat hij geen charismatische uitstraling had. Je kunt de gekste dingen zeggen als je die uitstraling wél hebt, dat is het laatste halfjaar gebleken. En er heeft een verschuiving in de publieke opinie plaatsgevonden. In de jaren tachtig heerste er een allergie voor alles wat neigt naar extreem rechts, en die is nu verdwenen.»

De Leidse jurist Joost ’t Hart schreef destijds al een annotatie (juridisch commentaar) bij dat arrest, waarin hij vaststelde dat de motivering van het vonnis tekortschoot. ’t Hart: «Het Hof gaf niet aan waarom zijn uitspraken beledigend waren. Er werd vanuit gegaan dat ze beledigend waren bedoeld omdat ze door Janmaat waren geuit. Dat vond ik onvoldoende grond om zijn veroordeling overeind te houden.» Waarom de afwijzing van de multiculturele samenleving door Fortuyn of Balkenende tegenwoordig wél wordt aanvaard? Van Duyne: «Een kundige volksmenner hoeft niet eens bepaalde uitspraken te doen om toch de bijbehorende gevoelens op te wekken, hij hoeft de heersende onvrede maar in zijn richting te kanaliseren.»

Een Haagse strafrechter vertelt ons onder voorbehoud van anonimiteit dat de toetsing van uitspraken aan artikel 137 vaak «ongrijpbaar» is. «Opvattingen over toelaatbaarheid zijn afhankelijk van de context van de spreker en de «kleur» van de rechter. Wat de context betreft maakt het veel uit wie iets zegt en op welk moment. Is de spreker iemand die vertrouwen wekt binnen de gemeenschap? Als Balkenende uitspraken doet die lijken op die van Janmaat, leidt dat niet tot commotie omdat we vertrouwd zijn met zijn achtergrond: hij is een nette man, dus het zal wel loslopen. Hoe meer iemand bij ons ‹hoort›, hoe meer de impact wegzakt in een gevoel van vertrouwen. En omgekeerd: hoe verder weg, hoe meer wantrouwen. Imams vertegenwoordigen een vreemde wereld in onze maatschappij.»

Oud-advocaat-generaal Jan Leijten is in de loop der jaren anders tegen artikel 137 gaan aankijken. In 1980 vertegenwoordigde hij nog met verve de Nederlandse staat in een cassatiezaak van het Palestina Comité, dat een briefkaart had uitgegeven met op de ene zijde een Israëlische soldaat en op de andere een nazi-soldaat. «Ik heb daar achteraf spijt van», zegt Leijten. «De Raad bevestigde toen het oordeel van de lagere rechter dat joden zich zodanig identificeren met de staat Israël dat zij zich door een belediging van die staat ook persoonlijk aangesproken moesten achten. In werkelijkheid was die briefkaart een politieke veroordeling van de staat Israël, niet een uiting van antisemitisme.» Het verbaast hem niet dat Janmaat kort voor zijn dood bij de Hoge Raad revisie van zijn vonnis heeft aangevraagd omdat allerlei politici en commentatoren intussen ongestraft hetzelfde hadden gezegd als hij. Hij noemt het «onbegrijpelijk» dat Janmaats verzoek is afgewezen.

«Artikel 137 is een panacee voor politici,» zegt ook de Haagse rechter: «Ze kunnen te makkelijk problemen afschuiven naar de strafrechter. En vervolging, zo blijkt uit de praktijk, helpt alleen op korte termijn en haalt nimmer de pijn of de angel eruit. Ik ben voor de inhoudelijke confrontatie. Een gemeenschap die op zichzelf vertrouwt, moet dat aandurven. Het moet natuurlijk niet te gortig worden, maar bruinhemdachtige bewegingen die geweld prediken en hun woorden omzetten in daden kunnen we nog altijd gewoon krachtens strafrechtartikel 140 als criminele organisaties oprollen.»

En zelfs met dat artikel is het oppassen. In 1999 hield de Hoge Raad het verbod van (een kwijnend) cp’86 overeind — de eerste keer dat een politieke partij werd verboden sinds het verbod in 1894 van de Sociaal Democratische Bond van Domela Nieuwenhuis, die overigens deze week werd geëerd met een standbeeld op het Amsterdamse Nassauplein. De lagere rechter had het verbod opgelegd omdat cp’86 een «criminele organisatie» zoals bedoeld in artikel 140 WvS zou zijn. De belangrijkste grond was de eerdere veroordeling van prominente CP-leden op grond van, alweer, artikel 137. In het arrest wordt cp’86 neergezet als een organisatie die «tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten belediging, discriminatie en aanzetten tot haat wegens ras of godsdienst.» Buruma schreef een annotatie bij dat arrest waarin hij het verbod onterecht noemde. Buruma: «Het punt was namelijk dat die partij de wet wilde veranderen en dat recht hebben staatsburgers nu eenmaal, dat moeten ze dus ook kunnen uitoefenen. Maar wij zijn in Nederland het onderscheid een beetje kwijtgeraakt.»

Bij ontstentenis van artikel 137 zouden Nederlandse politici gedwongen zijn vaker en expliciet hun standpunten, waarden en politieke visies te beargumenteren. Dat is waarschijnlijk heel gezond, juist nu we trachten gemeenschappen met verschillende achtergronden en daarbij behorende normen en waarden naast, door en met elkaar te laten samenleven. «Helaas zijn onze politici onnozele halzen», zegt Buruma. «Ze zijn niet op de hoogte van wat er leeft in bepaalde kringen, ze schrikken bij het minste of geringste en hollen meteen naar de strafrechter om ervan af te zijn. Is dat een weerbare democratie? De rechter moet pal staan voor de rechtsstatelijke vrijheid van meningsuiting. Daarin onderscheiden we ons nu juist van de islamitische of de Chinese wereld. Daarom vind ik zonder enige schaamte of terughoudendheid onze cultuur superieur aan die andere en ik moet er niet aan denken dat ik zelfs dat niet eens meer zou mogen zeggen.»

Het OM moet volgens Buruma de rug recht houden en niet meteen vervolgen wanneer een paar politici beginnen te «piepen». Zelfs doodzwijgen, zoals in de jaren tachtig gebeurde met de Centrumdemocraten, lijkt een betere tactiek dan verbieden, want dat is in de meeste gevallen contraproductief. «Ik hoor zojuist op de radio dat een stel omwonenden in Tilburg aan burgemeester Stekelenburg heeft gevraagd de lokale moskee te sluiten», zegt Buruma. «Een weer bare rechtstaat is nastrevenswaardig, maar dit lijkt mij de beste manier om vrome, vredelievende moslims werkelijk pissig te krijgen.»

De verstandigste woorden komen niet toevallig van een «vreemdeling», de Amsterdamse jurist en schrijver Afshin Ellian, die zijn felle afkeer van de fundamentalistische islam verenigt met een even felle verdediging van de vrijheid van meningsuiting. In de Nova-uitzending pleitte hij onomwonden voor een harde aanpak van «politieke misdadigers» zoals de drie opgevoerde imams, een opmerking die kon worden uitgelegd als een verwijzing naar artikel 137.

Maar Ellian bedoelde iets anders: hij vindt dat de imams moeten worden uitgezet op grond van artikel 8 van de Vreemdelingenwet wegens verstoring van de «openbare rust, openbare or de en openbare veiligheid». Liefst zou hij zien dat artikel 137 werd afgeschaft en dat Nederlandse politici zulke lieden openlijk aanpakten: «Laat ze de strijd aangaan, laat ze uitleggen waarom hun denkbeelden verwerpelijk zijn. Maar zo strijdbaar is de Nederlandse democratie niet. Politici zijn te bang om standpunten in te nemen. Ze verschuilen zich liever achter commissies, rapporten en de strafrechter. Als ze worden geconfronteerd met ongemakkelijke, radicale standpunten schorten ze de discussie op en roepen dat het OM de zaak in onderzoek moet nemen. Zolang Nederland niet in staat is met controversiële opvattingen om te gaan, moet het tegen zichzelf worden beschermd.»

____________________________

Artikel 137 c. t/m g. Wetboek van Strafrecht

art. 137c.

Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging of hetero- of homoseksuele gerichtheid, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie.

art. 137 d.

Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie.

art. 137e.

  1. Hij die, anders dan ten behoeve van zakelijke bericht geving:

1e. een uitlating openbaar maakt die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, voor een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging of hetero- of homoseksuele gerichtheid beledigend is, of aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid; 2e. een voorwerp waarin, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, zulk een uitlating is vervat, aan iemand, anders dan op diens verzoek, doet toekomen, dan wel verspreidt of ter openbaarmaking van die uitlating of verspreiding in voorraad heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie.

  1. Indien de schuldige een van de strafbare feiten, omschreven in dit artikel, in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het feit, nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een van deze misdrijven onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

art. 137f.

Hij die deelneemt of geldelijke of andere stoffelijke steun verleent aan activiteiten gericht op discriminatie van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.

art. 137g.

Hij die, in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf personen opzettelijk discrimineert wegens hun ras, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie.