Holland Festival: ‘Tribute to Blackstar’

Vrijheidsdrang

De uitvoering van Blackstar, David Bowie’s laatste album, door de muzikanten van stargaze, is een viering, geen herdenking.

Medium tribute to blackstar   stargaze   graham tolbert  7
Tribute to Blackstar, stargaze © Graham Tolbert

De opvoering van Blackstar, het laatste album van David Bowie, in de vandaag uitverkochte grote zaal van de in ieder opzicht indrukwekkende Elbphilharmonie in Hamburg, begint niet met het openings- en titelnummer van de plaat. Nee, de muzikanten van gezelschap stargaze, aangevuld met drie vocalisten en een bassist en onder leiding van André de Ridder, openen met Warszawa, een nummer dat Bowie samen met Brian Eno schreef voor zijn album Low in 1977. Bowie wilde destijds uitdrukken wat hij voelde toen hij een paar jaar eerder Warschau bezocht, en dat leverde een donker, gedragen, dramatisch nummer op. Het zet niet alleen prachtig de toon voor Blackstar, het is ook een fraaie historische verwijzing: twee tournees lang opende Bowie zelf zijn concerten met Warszaw _a__ ,_ een voor een popconcert nogal ongebruikelijk openingsnummer, behalve dan bij de man die een carrière lang probeerde te vermijden aan verwachtingen te voldoen, waarbij dat op zichzelf ironisch genoeg uiteindelijk juist de verwachting werd.

Blackstar verscheen twee dagen voor Bowie’s dood op 8 januari 2016 en op de dag dat hij 69 werd. Leven, dood en werk vielen samen, zoals in het leven van Bowie bij voorkeur alles symbolisch en conceptueel was. De clip van de eerste single was al prachtig, maar werd na zijn dood alsnog huiveringwekkend toen de werkelijke betekenis van zijn woorden doordrong. ‘Look up here/ I’m in heaven/ I’ve got scars/ That can’t be seen.’

Het werk verdient een status die verder reikt dan een zwanenzang van een superster, het is een van de hoogtepunten van zijn zelfvernieuwingsdrang. De zeven lange nummers staan ver af van de wetten van de popmuziek, zoals herhaling en een refrein. Bowie zingt soms tegen de melodie van de nummers op, soms dwars erdoorheen. Hij is niet de enige hoofdrolspeler van zijn eigen werk: saxofonist Donny McCaslin, een legende in de jazz, krijgt minstens zoveel ruimte. stargaze heeft vijf blaasinstrumenten in de gelederen en heeft sowieso met haar grote bezetting de potentie van bombast binnen handbereik. Het is knap hoe ze die bombast soms weten te vermijden, en soms juist inzetten om Blackstar op te blazen, iets pompeuzer te maken, net iets aan te zetten. Sowieso is het hart van de muzikanten op dit podium overduidelijk geen gelegenheidscoalitie: de haast speelse vrijheidsdrang van het album vereist naast precisie vooral een mate van ontspanning en speelvreugde, en die is hoorbaar, en trouwens ook zichtbaar. Hier storten muzikanten zich op een album waarvan ze houden. Ze behandelen het niet als een kunstwerk van geblazen glas maar als een levend organisme. Geen moment wordt de live uitvoering van Blackstar plechtstatig. Het is een viering, geen herdenking.

Ze behandelen het album niet als een kunstwerk van geblazen glas maar als een levend organisme

Hoe atypisch ook, zelfs binnen een oeuvre dat al weinig typisch wilde zijn, hoe gering de vocale bijdragen van Bowie ook, en hoe talrijk de effecten op die vocalen, ontsnappingskunstenaar Bowie kon nooit ontsnappen aan zijn uit duizenden te herkennen eigen stem. Op het nazingen van alles wat die stem voortbracht hebben velen zich al stukgebeten. William Butler van Arcade Fire is een van de weinige zangers ter wereld die het is gelukt Bowie-nummers te zingen zonder te sneuvelen in de onvermijdelijke vergelijking die dat oproept.

Het is een slimme zet van stargaze om Blackstar te brengen met drie, en dan ook nog eens vrouwelijke, vocalisten: het is de ultieme poging de vergelijking met het origineel uit te stellen. Anna Calvi, zangeres en gitariste, brengt Bowie’s zangpartijen met het meeste drama, en hoewel juist de onderkoelde, bijna ijzige presentatie van Bowie in combinatie met al zijn theater hem zo uniek maakte, pakt dat hier goed uit, ook omdat ze van de drie zangeressen het meeste volume heeft. Maar zelfs bij Calvi valt op wat voor machtige zanger Bowie was, hoeveel kracht hij in zijn midden had, en met hoe weinig merkbare moeite.

Het zijn kanttekeningen, geen smetten, want fier overeind staat al het leven dat in Blackstar wordt geblazen. Een album dat genoeg blijkt te hebben aan zichzelf. Dat blijkt na het wegsterven van de laatste tonen van slotnummer I Can’t Give Everything Away wel: dan zit er een zaal hongerig naar meer, en dient dit album dus te worden opgevolgd door ander werk, dat van dezelfde maker is maar vanuit een ander universum lijkt. Andermaal valt op hoe sterk die keuze voor opener Warszawa was: van daaruit gleed Blackstar als vanzelf binnen. Maar Ashes to Ashes (van album Scary Monsters uit 1980) is een ander verhaal, ook omdat de vocale vergelijking hier nog veel hardnekkiger opspeelt, en de uitkomst ervan nog genadelozer is, ondanks de fraai wegstervende samenzang. Helemaal mis, en werkelijk dramatisch, gaat het iets later: als laatste toegift zet stargaze Let’s Dance uit, Bowie’s wereldhit uit 1983, op de top van zijn commerciële succes. Het nummer is in klankkleur en productie een hysterisch galmende draak, zoals vereist voor een hit in de jaren tachtig. Maar het swingt wél, op een merkwaardig houterige manier. Behalve vanavond. Sommige bezoekers zwaaien hun handen van links naar rechts. Een fraai eerbetoon op het grensvlak van klassiek, pop en jazz wordt opeens een avondje in het kitschfestijn Night of the Proms.

Ga zien en horen, dat Blackstar. En verlaat voor de tweede toegift snel de zaal om die nasmaak te voorkomen.


Tribute to Blackstar van stargaze, op 23 juni in het Concertgebouw