Vrijplaats voor het menselijk tekort

IN ZIJN VORIGE essaybundels, Onleefbare waarheden (1990) en Schoten in de concertzaal (1993), viel al de fascinatie op die Arnold Heumakers koestert voor de zwartste kanten van de romantische traditie. Intense aandacht was er voor extreme auteurs als Sade, Bataille, Céline en Jünger, schrijvers die de esthetische ruimte die ze veroverden vooral aanwendden voor de cultivering van het Kwaad. Die belangstelling staat rechtstreeks in verband met Heumakers’ visie op literatuur. Leven en lezen - en daarmee ook literatuur en politiek - beschouwt hij als gescheiden terreinen. In de literatuur mogen alle maatschappelijke waarden worden opgeschort omdat ze een vrijplaats is van het menselijk tekort, voor ‘onleefbare waarheden’, een ruimte waarin we, om het met Heumakers’ woorden te zeggen, de potentiële fascist, zelfmoordenaar, sadist, antisemiet of verkrachter in onszelf tegenkomen.

Het laat zich raden dat iemand met zulke opvattingen ambivalent staat tegenover het optimistische gedachtengoed van de Verlichtingsfilosofen en al wie zich op hen oriënteert. Zijn scepsis geldt vooral hun geloof in het vooruitgangsdenken. De heilzame werking die uitgaat van rationalisme, democratie en industriële revolutie mag niet doen vergeten dat er altijd schaduwzijden zullen blijven aan deze vooruitgang, al wil de burgerlijke beschaving daar niet van weten. Alles heeft zijn keerzijde, aldus Heumakers. Die laten zien geeft de literatuur haar bestaansrecht. De barbarij zal nooit verdwijnen uit de mens en de samenleving.
HERHAALDELIJK HEEFT Heumakers erop gewezen dat deze dualiteit zich in het intellectuele debat uit in een botsing tussen verlichte geesten die elk probleem dat ze niet kunnen oplossen optimistisch naar een toekomst vol geluk projecteren, en de romantische zwartkijkers die elk vertrouwen in de macht van de rede hebben verloren. In zijn nieuwe essaybundel De fatale cirkel tamboert hij opnieuw op deze innerlijke gespletenheid van onze cultuur. In zoverre is hij zichzelf de afgelopen jaren op een bewonderenswaardige manier trouw gebleven.
Heumakers groepeert zijn essays - artikelen die hij de afgelopen vijftien jaar voor de Volkskrant schreef - naar de periode waarin de besproken schrijvers en denkers leefden. Aandacht is er voor gevestigde grootheden als Erasmus, Machiavelli, Voltaire, Balzac en Queneau, maar minstens even nieuwsgierig is Heumakers naar bijna vergeten reputaties: de achttiende-eeuwer Maistre bijvoorbeeld, over wie Baudelaire in zijn dagboek schreef dat hij hem had leren denken. Of Renan, beroemd en berucht om zijn Vie de Jésus (1863). Hernieuwde belangstelling krijgen de Franse schrijver en collaborateur Maurice Sachs en de radicale pamflettist en journalist van het interbellum Emmanuel Berl, jood, pacifist, patriottist, regelmatig tekstschrijver van de met de Duitsers collaborerende Pétain, een man dus met een leven barstensvol ‘paradoxen en tegenstrijdigheden’. Het is precies dit slag gespleten persoonlijkheden waarmee Heumakers grote affiniteit voelt.
Dat voert naar het centrale thema van de bundel, de vraag waar de grenzen van de menselijke rede liggen en wat de betekenis is van het (nood)lot. Gedecideerd betoogt Heumakers dat het lot zich nooit door de rede zal laten dwingen, laat staan temmen. Tussen beide bestaat een spanning die het leven een tragische dimensie geeft en die leefbaar wordt binnen de grenzen van wat Alexis de Tocqueville ooit 'een fatale cirkel’ noemde. 'De Voorzienigheid’, zo betoogt hij, 'heeft de mens noch geheel onafhankelijk geschapen noch volkomen onderworpen. Weliswaar trekt hij rond ieder mens een fatale cirkel waaruit deze niet kan ontsnappen; maar binnen die ruime begrenzing is de mens machtig en vrij.’
HET IS EEN formulering die in de bundel gaat werken als lakmoesproef voor gematigdheid. Die is in de optimistische pretenties van de utopisten, Verlichtingsfilosofen en hun navolgers, behoorlijk zoek, constateert hij. Heumakers verwijt hun onmatigheid en machtsdenken, ze hebben geen oog voor de realiteit en het tragische. Liever zijn hem de scepsis van een Cioran of de tegenstrijdigheden in een persoon als Bloy; daarmee valt dieper door te dringen in de eigen aard van onze cultuur. Via toekomstdromers als Campanella (De zonnestad) en Bacon (Het nieuwe Atlantis) is de illusie gewekt dat de geschiedenis drastisch kan veranderen, een verwachting die het Verlichtingsdenken maar al te graag overnam. De tekortkomingen van dit vooruitgangsgeloof demonstreert hij onder meer aan het denken van Voltaire en van Condorcet, volksvertegenwoordiger en parlementair chroniqueur ten tijde van de Franse Revolutie.
Beiden worden door Heumakers gewogen en te licht bevonden. Bij Voltaire zit het morele optimisme het tragische in de weg. De helden die in zijn tragedies zijn gedachten vertolken worden 'niet zozeer geconfronteerd met een raadselachtig noodlot, als wel met list en bedrog of op zijn best met kwaadaardige goden, die beter kunnen worden afgezworen. De tragiek maakt plaats voor een serie problemen die althans in principe zijn op te lossen.’ Condorcet voorspelde de mensheid vrede, voorspoed en een aanhoudende groei van intelligentie en levensduur, vanuit de verwachting dat 'in de sciences morales et politiques even grote resultaten konden worden bereikt als in de natuurwetenschappen en met dezelfde methode’. Twee eeuwen Europese geschiedenis nadien hebben ons anders geleerd, hoor je Heumakers denken.
Meer krediet is er voor schrijvers die de keerzijde van het vooruitgangsidee documenteren en het tragische niet uitbannen. Cioran bijvoorbeeld wordt met zijn absolute uitspraken dat de geschiedenis een les in onmenselijkheid is en dat, tragisch genoeg, een onontkoombare innerlijke verscheurdheid ieders lot is, geplaatst in de 'respectabele’ stamboom van denkers als Pascal, La Rochefoucauld en Nietzsche. Dat komt omdat zijn extreem negatieve gedachten en opinies, zo verdedigt Heumakers, op papier leefbaar worden gemaakt door de charmes van zijn stijl.
Op dezelfde manier neemt hij de katholieke Bloy in bescherming, mysticus, anti-democraat, iemand die naar het fascisme lonkte en voortdurend in gevecht was met zijn troebele driften, maar juist daarom, als 'persoon fascineert’. En: 'Omdat hij wat hij te zeggen heeft met zoveel literaire kracht wist te verwoorden blijf ik hem lezen.’ Wie voortreffelijk schrijft, wordt kennelijk veel vergeven.
Heumakers benadert zijn onderwerpen in De fatale cirkel langs literatuurhistorische lijnen. Het voordeel daarvan is dat de essays vaak uiterst informatief zijn en een hoge mate van objectiviteit kennen. Een nadeel is de afstandelijkheid die erdoor ontstaat, waardoor Heumakers’ affiniteit met de besproken auteurs onvoldoende zichtbaar wordt. Juist daar blijk ik het meest nieuwsgierig naar.