Vrijstad brussel

BRUSSEL - ‘In Amsterdam maken sommige snackbars reclame met het opschrift “Vlaamse Frites”. Hier zou dat een politiek statement van de eerste orde zijn. In België functioneert tegenwoordig een soort detectiemachine die verschillen tussen de taalgemeenschappen opspoort. Alle Vlaamse politici en media doen eraan mee, het neemt hysterische vormen aan. Het dagblad De Standaard meldt vanochtend op de voorpagina dat volgens medische onderzoekers de “Vlaamse zaadcellen van uitstekende kwaliteit” zijn. Dat impliceert dat de Vlaamse identiteit in de genen zit, anders zouden er immers geen Vlaamse zaadcellen bestaan. De Vlaamse politici zullen hun geluk niet op kunnen. Ze roepen al jaren dat zij harder en efficiënter werken dan hun Waalse collega’s en nu blijken hun zaadcellen ook nog gezonder te zijn!

Die retoriek vertegenwoordigt eigenlijk een groter gevaar dan de propaganda van het Vlaams Blok. Het gevaar schuilt in de subtiliteit. De Vlaamse liberale leider Guy Verhofstadt heeft naar aanleiding van alle affaires hier te lande een boek geschreven met de titel De Belgische ziekte. Dat lijkt een neutrale term, maar het feit dat België ziek is, betekent voor hem niet dat héél België ziek is. Vlaanderen is gezond, het lijkt enkel ziek door toedoen van Wallonië. Derhalve kan de federale bestuurslaag van België maar beter verdwijnen.
En soms valt de argumentatie van vooraanstaande Vlaamse opiniemakers echt samen met die van het Vlaams Blok. Toen Dutroux ontsnapte, presteerde een Vlaamse advocaat het om op tv te zeggen dat zoiets “bij ons” niet kan gebeuren. Terwijl de harde cijfers natuurlijk uitwijzen dat zulke ontnappingen in Vlaanderen evengoed plaatsvinden als in Wallonië.’
FILOSOOF, ESSAYIST en Brusselaar Dieter Lesage (32) polemiseert al enige jaren hartstochtelijk tegen de ‘Vlaamse eigenheid’, het stokpaardje van de zelfbenoemde Vlaamse premier (in werkelijkheid: voorzitter van de Vlaamse Gewest- en Gemeenschapsregering) Luc Van den Brande en andere politici en opiniemakers die Vlaanderen zo snel mogelijk onafhankelijk willen zien. Hij behoort tot de 'Nieuwe Belgen’, een groep intellectuelen die de staatkundige eenheid wil behouden. Wat hun voor ogen staat is geen Belgique à papa, maar een multicultureel, federaal en modern België. In hun strijd tegen het oprukkende flamingantisme (en het als reactie daarop ontstane wallingantisme) hebben zij ogenschijnlijk vrij schieten. Met name Van den Brande bedient zich van een lachwekkend allegaartje van etnische en cultuurhistorische argumenten.
Het lachen is Lesage echter vergaan toen hij twee jaar geleden als parlementair medewerker bij het Vlaams parlement het woord bij de daad voegde en een bundel essays over het 'vandenbrandisme’ publiceerde onder de titel Onzuivere gedachten (Antwerpen, 1996). In die bundel legde hij de machtsaanspraken achter het zogenaamd fatsoenlijke Vlaamse nationalisme bloot: 'Aangezien wij Vlamingen allemaal dezelfde cultuur delen, hetzelfde karakter en dezelfde eigenheid hebben, willen wij eigenlijk ook allemaal hetzelfde, is er geen echte dissensus, en kan de minister-president die onze Vlaamse ziel als geen ander doorgrondt, spreken en beslissen in onze naam.’ Van de weeromstuit prees hij de onbepaalde identiteit van België: ’“Belgen” kunnen overal vandaan komen, kunnen de meest diverse achtergronden hebben, kunnen heel verschillende talen spreken, maar moeten op een of andere manier zien samen te leven.’ België was een modern land bij uitstek, tastend op zoek naar 'samenlevingsvormen die recht doen aan de complexiteit van de hedendaagse maatschappij’ met inbegrip van verschijnselen als migratie, globalisering en informatisering.
Helaas wordt denken bij de Vlaamse overheid tegenwoordig niet op prijs gesteld: Lesage werd zo zwaar onder druk gezet dat hij zich gedwongen zag ontslag te nemen. Zijn werkloosheid belette hem echter niet te schrijven. Omdat hij als gediplomeerd filosoof een uitkering geniet en dus zwartdenker is, heet zijn nieuwe bundel Zwarte gedachten (Antwerpen, 1998). Maar er is nog een andere reden voor die titel. De bundel bevat oneerbiedige bespiegelingen over de zaak-Dutroux en kraakt harde noten, bijvoorbeeld over het apolitieke karakter van de Witte Mars van oktober 1996: 'We willen graag betogen, leken velen te willen zeggen, als we maar niet hoeven te zeggen wat we willen, als we onze individuele wil incognito mogen meebrengen.’ Hij omschrijft de mars als 'een Witte Processie waarbij een volk zich de handen in onschuld waste en anderen (de politici, het gerecht) als de schuldigen aanwees.’ Maar het volk is een fictie, die slechts bestaat zolang het volk niets wil: 'Zodra het volk iets wil, valt het uiteen. Zodra de ouders niet langer wenen maar beginnen te spreken, staan zij niet langer tegenover de politiek, maar doen zij zelf ook aan politiek.’ En zelfs die ouders ontziet Lesage niet: 'Is een deel van het verhaal van vele - niet alle - ouders niet ook: we hebben ons nooit veel zorgen gemaakt over politiek of maatschappij, wij waren gewoon een gelukkig gezinnetje tot het fatale moment dat we ons kind verloren.’
ACHTER EEN KOP koffie in café A la Mort Subite scherpt hij zijn oordeel nog aan: 'De zaak-Dutroux was een soap. Sommige episoden, zoals de bevrijding van twee meisjes uit een martelkelder of het ontslag van Connerotte, waren natuurlijk aangrijpend, maar niet uniek of exclusief Belgisch. Zedenmisdrijven komen in elk land voor. De uitzonderlijke commotie ontstond doordat de affaire van begin tot eind werd gemediatiseerd. De tv-journaals waren twee maanden lang gevuld met nieuws en geruchten over de hoofdrolspelers, nieuwe arrestaties, beelden van graafwerkzaamheden. Na al die tijd naar deze soap te hebben gekeken, wilden de mensen er zelf ook wel eens een rolletje in spelen.’
In Zwarte gedachten moet Van den Brande het opnieuw ontgelden. Zijn regering blijkt de meest belabberde culturele programma’s te subsidiëren zolang ze zich als 'Vlaams’ afficheren en subsidies te onthouden aan kunstenaars en groeperingen die niet zuiver in de etnische leer zijn. Onder uitnodigende tussenkopjes als 'Spermaloze zondag’ (over de steriele Vlaamse tv-cultuur) en 'Mandela is een Belg’ (en geen virtuele Vlaming, zoals de flamingantische filosoof Ludo Abicht eens in een dolle bui suggereerde) fileert Lesage de Vlaamse identiteitspolitiek tot op het bot. Het doet hem dan ook genoegen dat prominente Vlaamse kunstenaars die door de Vlaamse regering tot 'culturele ambassadeurs van Vlaanderen’ werden benoemd, vaak openlijk de spot met die titel drijven.
Dat juist kunstenaars zich eraan onttrekken, is het beste bewijs dat de identiteitspolitiek uitgaat van valse premissen. Lesage: 'Het flamingantisme stelt dat een mens eerst zijn identiteit moet ontdekken en vastleggen alvorens de confrontatie met vreemde invloeden aan te kunnen. Volgens Van den Brande moeten wij eerst goede Vlamingen worden, moeten wij eerst allemaal naadloos samenvallen en op elkaar lijken, daarna is er pas ruimte voor culturele verscheidenheid. Een absurde redenering, want aan het eind van dat tracé is er geen verscheidenheid meer. In mijn opvatting van cultuur ontstaat identiteit juist uit de voortdurende confrontatie met het vreemde. Cultuur is het product van onze verhouding tot de ander.
Het intellectuele verzet van de Nieuwe Belgen heeft in zoverre succes geboekt dat de openlijke propaganda over de “Vlaamse eigenheid” steeds vaker achterwege blijft. Het chauvinisme trekt zich tegenwoordig terug op het politieke niveau en verbergt zich achter de stelling dat niet de Vlaamse identiteit maar de Vlaamse politieke cultuur superieur is aan de Waalse. Het streven naar onafhankelijkheid is uiteindelijk slechts een corporatistische reflex van de Vlaamse politici, de bevolking interesseert zich er niet voor. De politici willen meer bevoegdheden afnemen van de federale overheid. Meer bevoegdheden betekenen namelijk meer ministersposten, meer ambtenaren en meer fondsen. Zij kunnen haast niet wachten om de administratie van de sociale zekerheid in eigen handen te nemen, want dan kunnen ze die administratie vullen met hun eigen mensen. Wat een prachtig vooruitzicht voor onze politici om zoveel baantjes te kunnen weggeven in ruil voor stemmen. En wat een mooie verdwijntruc: onder het mom van efficiëntie bedrijft men… Vlaams cliëntelisme!’
DE DISCRETE CHARME van het Vlaamse volk, schreef hij in Onzuivere gedachten, is dat de bourgeoisie erin opgaat. In de visie van het Vlaams nationalisme zijn alle Vlamingen in de eerste plaats elkaars maten en pas daarna arm of rijk, oud of jong, ontwikkeld of analfabeet. De bourgeoisie, en daarmee de hele sociale kwestie, blijft onzichtbaar. Vandaar dat dit nationalisme zich ongemerkt kan bedienen van de platste neoliberale argumenten.
Lesage: 'Vlaamse politici kritiseren de overdracht van socialezekerheidsgelden van het rijke Vlaanderen naar het verarmde Wallonië. Die transfer zou oneerlijk zijn omdat hij in één richting verloopt. Maar de sociale zekerheid is toch een transfersysteem? De overdracht van arm naar rijk is de kern van de sociale zekerheid. Als je aan dat principe tornt, kun je evengoed de transfer tussen arme en welvarende Vlaamse provincies of tussen noodlijdende en welvarende steden en tenslotte tussen arme en rijke mensen stoppen. De afschaffing van de sociale zekerheid is de consequentie. En dan te bedenken dat er zoveel andere relevante verschillen tussen delen van België zijn, bijvoorbeeld de sociale en demografische verschillen tussen het oosten en westen van het land, tussen stad en platteland.’
Lesage wordt bijna lyrisch als hij schrijft over België als een sfumato van culturen: 'De staat wordt verondersteld de cultuur vrij te laten. België, waarvan beweerd wordt dat het geen eigen cultuur zou hebben, is bijzonder geschikt om die rol te spelen. België is een lappendeken, smeltkroes, ontmoeting, vermenging, collage.’ Zijn hoop is vooral gevestigd op Brussel, de omstreden hoofdstad die zeer waarschijnlijk de inzet wordt van de verkiezingen van 13 juni aanstaande.
Lesage: 'België kan niet verdwijnen, omdat het Belgische probleem niet verdwijnt. Indien Vlaanderen en Wallonië uiteen gaan, zal Brussel als een nieuw Klein-België tevoorschijn komen. Flaminganten en wallinganten kunnen Brussel niet inpikken omdat hun zogenaamde volksgenoten in Brussel dat niet aanvaarden. Je kunt Brussel niet etnisch opdelen, nog afgezien van de aanwezigheid van Maghrebijnse, Turkse en Europese inwoners. Grotestadsproblemen zoals mobiliteit, werkloosheid en verpaupering overschrijden de taalgrens. Zodra Brusselaars zich ergens over opwinden, zijn hun initiatieven de facto en vaak ook principieel meertalig.
Een eventuele deling van deze stad is pervers. Als je de sociale zekerheid wilt splitsen, dan zou elke Brusselaar zich moeten bekennen tot het Vlaamse dan wel het Franstalige stelsel van sociale zekerheid. Maar een derde van de Brusselse gezinnen is gemengd. En uiteraard zouden nogal wat Franstaligen kiezen voor het Vlaamse stelsel omdat daarin meer geld omgaat, zodat de uitkeringen hoger zijn. Je zou dan iemands identiteit als het ware kopen met een uitkering. Het is duidelijk dat de opdeling van België hier op haar grenzen stuit, zelfs een Brussels oproer ertegen is niet ondenkbaar. Brussel zal nooit het gevreesde slagveld tussen de taalgemeenschappen worden, maar wellicht zullen de Brusselaars hun autonomie moeten bevechten tegen de chauvinisten van beide kampen.’
'IDEALITER ZOU IK natuurlijk willen dat alle taalgrenzen worden opgeheven. Ik word nostalgisch als ik oude foto’s zie van Antwerpen of Gent waarop nog winkels staan met Franse of tweetalige opschriften. Ik vrees dat we dat allemaal definitief kwijt zijn. Maar een federatie bestaande uit een Vlaams, een Waals en een Brussels Gewest is wellicht haalbaar. Drie gewesten die dezelfde bevoegdheden zouden hebben, op hetzelfde bestuurlijke niveau staan. Brussel wordt dan bevrijd van de verstikkende voogdij door de Vlaamse en de Franse gemeenschap. Alleen al door de aanwezigheid van allerlei andere minderheden is de stad veel complexer dan die twee taalgemeenschappen. In een Vrijstad Brussel kunnen die invloeden veel meer tot gelding komen, dan wordt het hier pas echt interessant.
En wat mij betreft mag Albert II dan koning van Brussel worden. Het lijkt ondemocratisch, maar een presidentieel systeem is nog minder democratisch dan een monarchie. In het huidige populistische tijdperk wordt om het even welke zot president, hoe zotter hoe beter zelfs. Dan heb ik liever een eerlijke loterij zoals de erfopvolging. Het mag ongewoon klinken, maar een president zal toch altijd denken dat hij zijn positie dankt aan zijn verdiensten, terwijl een goede koning beseft dat hij zijn positie in de schoot geworpen kreeg en dat hij hem zal moeten waarmaken.’
Het verwijt dat zijn 'gesofisticeerde’ theorieën niet bepaald toegankelijk zijn voor het publiek waarop hij zijn hoop vestigt, raakt Lesage niet: 'Dat geldt ook voor de huidige Belgische staatsstructuur met al haar geledingen. Weinig mensen begrijpen de Belgische staat, maar ze leven erin. Wat me steekt, is dat de Nieuwe Belgen door de tegenstanders als een klein clubje worden voorgesteld. De zelfverklaarde opiniemakers die dat zeggen, zoals Van den Brande of hoofdredacteur Yves Desmet van De Morgen, vormen een even klein clubje, maar zij beweren niettemin te weten wat er onder de Vlamingen leeft. Welnu, alle opiniepeilingen van de laatste jaren laten zien dat het Vlaamse project helemaal niet leeft onder de bevolking en dat het wantrouwen van Vlamingen tegen hun “eigen” overheid enorm is. Wie staan hier nu eigenlijk alleen?
Ik probeer zelf de fout te vermijden om uit naam van anderen te spreken, laat staan uit naam van het volk. Ik zeg ook niet dat al die enquêtes mij gelijk geven, maar ze geven de Vlaamse nationalisten in elk geval geen gelijk. En als je de publicaties van Belgischgezinde Vlaamse intellectuelen zou vergelijken met die van separatistische intellectuelen, zowel kwantitatief als kwalitatief, dan ben ik ervan overtuigd dat meer Vlaamse intellectuelen voorstander zijn van de Belgische eenheid dan van een Vlaamse afscheiding.’