Vroeg

Op het bankje voor het kerkhof zit een magere man met een bos rozen op schoot. Een wit hondje ligt aan zijn voeten. Het is kwart over acht. Nog een kwartier wachten tot het hek opengaat.

Ik vraag of ik naast hem plaats mag nemen. Dat mag. Het hondje komt nerveus overeind en snuffelt aan mijn broekspijp. ‘Hij is doof’, zegt de man. ‘Een beetje bangig.’ Ik aai het dier voorzichtig, tot het weer gaat liggen. De man haalt een rolletje drop uit zijn zak en houdt het me voor. De hond krijgt een koekje in de vorm van een bot. Toepasselijk, denk ik. ‘Ik kom voor mijn vrouw’, zegt hij. ‘En jij?’ ‘Voor een vriend’, zeg ik. Het klinkt alsof we in een wachtkamer zitten. Het scheelt niet zoveel. Je komt voor iemand. Voor een idee. Voor een beeld. Of gewoon, omdat praten tegen een afwezige er minder raar uitziet in de buurt van een graf. ‘Het was kanker’, zegt de man. ‘Nou ja, dat is het eigenlijk altijd. Kanker hier, kanker daar. Je wordt er gek van.’

Hij haalt zijn schouders op. We kijken een tijd naar de grote kastanje­boom tegenover ons bankje, waar een heleboel vogels in zitten. Ze kwetteren schel, fladderen in en uit. ‘Sinds mijn vrouw’, begint hij. De zin blijft lang hangen. Hij maakt hem niet af. In plaats daarvan frunnikt hij aan het cellofaan dat om zijn rozen zit. Ze zijn mooi, dieprood. Zou er al een bloemist open zijn of heeft hij ze gisteren vast gehaald? In een emmertje water gezet? ‘Vroeger ging ik nog wel eens naar een wedstrijd’, zegt hij. ‘Maar daar vind ik nou ook niks meer aan. Opgefokt gedoe. Die jongens weten het verschil tussen een bal en een hoofd niet meer.’ Het dove hondje jankt zacht en krijgt nog een bottenkoekje. De man glimlacht naar mij en ik glimlach terug. Dan krijgt hij de beheerder in het oog, die het hek komt openen. Hij gaat direct staan, zijn rozen in de aanslag. ‘Zo jongen’, zegt hij luid tegen het hondje. ‘Kom maar. We mogen weer.’