Peter Weiss

Vroeg oud geworden

Peter Weiss’ trilogie «De esthetica van het verzet» van twintig jaar geleden lijdt aan de beperking van de historische roman. Voor de huidige generatie is Weiss nauwelijks nog te volgen.

Peter Weiss, De esthetica van het verzet

Vertaald door Peter Kaaij Historische Uitgeverij, 845 blz., ƒ 99,-

Iedere roman wordt vanzelf een historische roman, daar is alleen tijd voor nodig. Voor de hedendaagse lezer is Eline Vere een historische roman die in dezelfde tijd speelt als Publieke werken. Het verschil zit uiteraard in het feit dat de auteur van historische romans schrijft vanuit een visie op het verleden, terwijl de schrijver van «eigentijdse» boeken schrijft vanuit een visie op het heden. Laatstgenoemde heeft het voordeel dat hij een referentiekader hanteert dat grotendeels samenvalt met dat van zijn lezers. Hij hoeft weinig uit te leggen, kan ongeremd verwijzen naar verschijnselen, ontwikkelingen, gebeurtenissen of figuren waarmee de lezer vertrouwd is. Na verloop van tijd slaat dit voordeel op welhaast dialectische wijze om in een nadeel. Het referentiekader van nieuwe generaties lezers valt immers steeds minder samen met dat van de auteur. Naarmate de tijd verstrijkt groeit de behoefte aan uitleg, aan uitvoerige voor- of nawoorden, aan annotatie.

De tand des tijds knaagt niet alleen aan romans die spelen in dezelfde tijd als waarin ze werden geschreven, ook historische romans «verouderen». Flauberts in 1862 verschenen Salammbô speelde in het Carthago van de derde eeuw voor Christus. Voor het historische decor van deze infernale liefdesgeschiedenis leunde Flaubert sterk op Michelets Histoire de la République romaine uit 1831. De historici en archeologen hebben sinds die tijd nogal wat vorderingen gemaakt, zodat Flauberts boek ons meer zegt over hoe rond het midden van de negentiende eeuw de Franse burger tegen de Oudheid aankeek dan over Carthago zelf. Dit geldt trouwens ook voor de historische studies waarop de romancier zich baseert. Huizinga’s beroemde Herfsttij der Middeleeuwen is tegenwoordig interessanter voor wie de Nederlandse cultuur uit het begin van de twintigste eeuw bestudeert dan voor een mediëvist.

Boeken als Salammbô, Couperus’ Berg van licht, of het werk van Walter Scott zijn historische romans in het kwadraat geworden. Als ze grotendeels het product van de fantasie zijn, als het verleden niet veel meer is dan een betrekkelijk willekeurig decor waartegen min of meer tijdloze thema’s worden verbeeld, dan blijven dergelijke boeken vrij gemakkelijk te lezen. Als daarentegen historische gebeurtenissen een belangrijke rol spelen in het verhaal en als een deel van de romanfiguren werkelijk heeft bestaan, kan de leesbaarheid in het gedrang komen. Onze visie op een bepaalde periode verschilt immers met die van onze (over)grootouders. Zo komt een negentiende-eeuws boek waarin Willem van Oranje wordt afgeschilderd als een onbaatzuchtige, liberaal-democratische en godvruchtige held, op ons nogal ongeloofwaardig over, terwijl de glibberige opportunist die Boon schilderde in Het Geuzenboek veel authentieker lijkt.

Nog erger is het feit dat veel historische helden na verloop van tijd in de vergetelheid raken. Nog maar veertig jaar geleden kon elke auteur die een historische roman over de Opstand schreef ervan uitgaan dat zijn lezers wisten wie Granvelle, Alva, Parma, Kenau Hasselaar, burgemeester Van de Werf en Blois van Treslong waren. Maar zelfs onder de huidige generatie geschiedenisstudenten zullen er weinigen zijn die al deze namen kennen.

Zo keert het nadeel van de «gewone» roman, de veroudering, zich uiteindelijk met verdubbelde kracht tegen de historische roman. Dit viel me heel sterk op bij het lezen van de vertaling van Die Ästhetik des Widerstands. Deze roman van Peter Weiss verscheen in drie delen tussen 1975 en 1981. Weiss (1916-1982) was ook werkzaam als schilder en cineast, maar was vooral bekend als auteur van sterk politiek getinte toneelstukken als Die Verfolgung und Ermordung Jean Paul Marats, dargestellt durch die Schauspielgruppe des Hospizes zu Charenton unter anleitung des Herrn de Sade (1964), Die Ermittlung (1965), Vietnam Report (1968) en Trotzki im Exil (1970). Het waren stukken die nauw aansloten bij de Zeitgeist. Het waren immers de jaren van verhitte debatten over de juiste weg naar de socialistische samenleving, over het ware karakter van kapitalisme en imperialisme, over de waarde van de burgerlijke democratie, over de noodzaak van gewapende strijd. Kunst en cultuur waren geen middel ter ontspanning, mochten niet dienen als comfortabele zitzak voor het zatte burgerdom, maar dienden te ontmaskeren en structuren bloot te leggen, dienden de ontrechten en onderdrukten aan te zetten tot actie en verzet.

Deze discussies werden overal in de westerse wereld gevoerd, maar in de Bondsrepubliek ging dat met een fanatisme en een verbaal geweld dat uiteindelijk resulteerde in de stadsguerrilla van de Rote Armee Fraktion. Dat het er bij onze oosterburen allemaal zo heftig aan toeging had alles te maken met het Duitse trauma. Voor de «generatie van ‘68» was het een onverteerbare gedachte dat Hitler in 1933 de macht had kunnen grijpen doordat de arbeidersklasse passief bleef. Duitsland had de grootste georganiseerde arbeidersbeweging, maar die was hopeloos verdeeld. De sociaal-democraten zagen in de communisten levensgevaarlijke fanatici, die bovendien in dienst stonden van een buitenlandse mogendheid. Omgekeerd verweten de communisten de sociaal-democraten de revolutie van 1918/19 verraden te hebben en het land te hebben uitgeleverd aan reactionaire militairen en industriëlen. Het Duizendjarig Rijk dat op de verdeelde republiek van Weimar was gevolgd, had weliswaar slechts twaalf jaar geduurd, maar dat was ruim voldoende geweest om het Duitse volk op te zadelen met een niet aflosbare historische schuld. En voor die generatie van '68 ging het hierbij niet om een eenvoudig historisch gegeven, maar maakte dit onderdeel uit van een in alle hevigheid uitgevochten generatieconflict. Naast de dromen van een betere wereld en een veranderde seksuele moraal speelde het oorlogsverleden van de ouders een cruciale rol.

In ieder politiek debat, bij elke maatschappelijke discussie, kwam steeds de Duitse geschiedenis tussen 1918 en 1945 om de hoek kijken. Ook Weiss’ trilogie Die Ästhetik des Widerstands is gesitueerd in deze periode.

Het verhaal begint in de herfst van 1937, een dag voordat de naamloze ik-figuur, die uit de arbeidersklasse komt en actief is in de illegale communistische partij, Berlijn zal verlaten om in Spanje dienst te nemen bij de Internationale Brigades. Tijdens de Spaanse burgeroorlog schiet hij niet op de falangisten maar levert hij in een lazaret strijd tegen luizen, schurft en excrementen. Als een jaar later de brigades worden opgeheven wijkt de ik-figuur uit naar Frankrijk om uiteindelijk in Zweden te belanden. Daar komt hij in een fabriek te werken, doet partijwerk en komt in contact met Brecht. Als een van de waterdragers van de grote toneelschrijver doet hij research voor een nooit geschreven stuk over een vijftiende-eeuwse Zweedse vrijheidsheld. Nadat de oorlog is uitgebroken wil hij graag terug naar Duitsland om daar deel uit te maken van het verzet. De partijfunctionarissen achten hem voor dit riskante werk niet geschikt en hij blijft tot het einde van de oorlog in het neutrale Zweden.

Een op het eerste gezicht nogal vlak, weinig spectaculair verhaal. Maar de ik-figuur, die optreedt als alwetende verteller, is dan ook niet de werkelijke hoofdpersoon van deze roman. Hij maakt deel uit van een collectief en voert het woord voor een groep mensen die in deze jaren een bepaalde ontwikkeling doormaakt. Hoewel in het derde deel, dat in de oorlogsjaren speelt, de nodige actie voorkomt, bestaat het boek voor een heel groot deel uit de weergave van allerlei debatten. Een belangrijk thema is de rol van de kunst in de samenleving. Zo begint het boek met een welhaast hallucinerende beschrijving van het fries van de tempel van Pergamon, die zich in een Berlijns museum bevindt. Het antieke beeldhouwwerk bestaat uit een cavalcade van vertrapte en verslagen lichamen en symboliseert voor de jonge verzetsstrijders het eeuwige en schijnbaar hopeloze gevecht van de onderdrukten tegen de heersers, terwijl het kunstwerk tegelijkertijd een product van die zegevierende elite is. Verderop in het boek wordt uitgebreid gediscussieerd over de vraag in welke vorm en op welke wijze kunst een bijdrage kan leveren aan de strijd tegen uitbuiting en onderdrukking. Heeft de politieke avant-garde behoefte aan avant-gardistische kunst, of moet progressieve kunst juist aansluiten bij de nog weinig ontwikkelde smaak van de massa?

Hoewel dit debat vooral in de jaren zestig en zeventig hoogst actueel was — ook in De Groene werd er kolom na kolom mee gevuld — is het nog steeds te volgen. Anders ligt dat met de politieke discussies in dit boek. Omdat de ontwikkeling van de socialistische beweging tussen 1918 en 1945 in extenso wordt geanalyseerd en er voortdurend wordt verwezen naar allerlei historische gebeurtenissen en figuren, vergt het boek van de lezer een bovengemiddelde kennis van het socialisme in het algemeen en de Duitse arbeidersbeweging in het bijzonder.

Voor de linkse Duitse intellectueel van 25 jaar geleden waren bijvoorbeeld Herbert Wehner, Willy Münzenberg, Paul Levi en Karl Radek bekende namen en ook de discussies uit de jaren dertig waren nog zeer actueel. Het ging immers weer over vragen als revolutie of hervorming, vrijheid of discipline, centralisme of federalisme. En vóór alles ging het om de houding ten opzichte van het communisme, zoals dat in de Sovjet-Unie en Oost-Europa gestalte had gekregen. In de roman van Weiss worden de idealen en hooggestemde verwachtingen van de diverse personages langzaam maar zeker gewurgd door de meedogenloze machtspolitiek van Moskou. En hoewel de een langer tegenspartelde dan de ander en sommigen de dood verkozen boven de leugen, werden ze allen geplaagd door de vraag of het individu zich mocht keren tegen het collectief.

Al spoedig na de voltooiing van Weiss’ trilogie kwam de klad in dit soort discussies, maar sinds de val van de Muur lijken ze even gedateerd als de in de Middeleeuwen brandende vraag hoeveel engelen er op de punt van een naald kunnen plaatsnemen. Vandaar dat er weinig lezers jonger dan veertig zullen zijn die wijs kunnen worden uit al die namen en debatten. Vandaar ook dat een uitgebreid nawoord en een verklarende namenlijst in deze vertaling op hun plaats waren geweest. Omdat deze zeer fraai uitgegeven roman zelfs een flaptekst ontbeert, wordt de lezer met een wel erg grote zwaai in het diepe geworpen.

En dat is jammer, omdat De esthetica van het verzet een heel bijzonder en ook heel mooi boek is. Door het ontbreken van alinea’s en de vaak nogal abrupte wijziging van het perspectief mag Weiss dan wel een «moeilijk», veeleisend boek hebben geschreven, de volhardende lezer wordt echter ruimschoots beloond met talloze rake observaties, interessante ideeën en fraaie beschrijvingen. Bovendien biedt het boek een boeiende visie op twee niet onbelangrijke periodes uit de Duitse geschiedenis. En daarmee doel ik niet alleen op de republiek van Weimar en het Derde Rijk, maar tevens op de jaren zestig en zeventig. Want de historische roman die Weiss toen schreef is inmiddels zelf deel van de geschiedenis geworden.