Vroeg socialisme in Amsterdam

Dennis Bos, Waarachtige volksvrienden: De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894

Uitg. Bert Bakker, 444 blz., ƒ 39,50

In Grijs verleden beweert Chris van der Heijden dat de socialistische beweging in Nederland nooit iets heeft voorgesteld, en dat daarom in de radicale jaren zeventig linkse historici dat verleden gingen «uitvinden». Deze opmerking is heel wat onzinniger dan de meeste punten waarop de auteur is aangevallen, maar in één opzicht heeft Van der Heijden gelijk. In de jaren zeventig bereikte de geschiedschrijving van het socialisme en de arbeidersbeweging inderdaad een hoogtepunt. Naast het Tijdschrift voor sociale geschiedenis en het Jaarboek voor de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland, verschenen er monografieën en biografieën en brachten de linkse uitgevers Sun en Van Gennep veel reprints van socialistische klassiekers.

Opvallend was dat de aandacht vooral uitging naar bewegingen en personen die ter linkerzijde van de sociaal-democratie hadden geopereerd. Er werd veel gepubliceerd over de zogenaamde oude beweging, communisme, anarchisme, antimilitarisme en figuren als Henk Sneevliet, Gorter, Roland Holst en Pannekoek. Deze overheersende aandacht voor de radicalere maar tegelijkertijd ook vooral marginale vertegenwoordigers van het socialisme, werd verdedigd met het argument dat de geschiedschrijving tot dan toe was gedomineerd door sociaal-democratische auteurs. Vliegen, Oudegeest, Troelstra, Rüter en Frits de Jong Edz. zouden vrijwel uitsluitend aandacht hebben gehad voor de gematigde, «reformistische» hoofdstroom van de arbeidersbeweging. En zoiets was de radicalistische jongeren, en hun oudere leermeesters als Theo van Tijn en Ger Harmsen, een gruwel. De sociaal-democratische voorlieden, die tevens de pioniers van deze geschiedschrijving waren geweest, en hun brave academische navolgers, hadden een finalistische vorm van historiografie bedreven, waarbij de triomf van SDAP en PvdA als iets vanzelfsprekends werd gepresenteerd.

Deze kritiek was gedeeltelijk terecht, maar ze ging voorbij aan het feit dat de sociaal-democratie intussen wel de belangrijkste stroming was geweest en dat de invloed van SDAP, NVV en PvdA vele malen groter was geweest dan die van CPN, RSAP, Nas en de talloze anarchistische clubjes. Troelstra en de zijnen hadden nu eenmaal meer bereikt dan Domela Nieuwenhuis en de latere filiaalhouders van Moskou. Vandaar dat vanaf begin jaren tachtig juist veel wetenschappelijke studies verschenen over de gematigder vleugel van de Nederlandse arbeidersbeweging.

In dit opzicht lijkt de dissertatie van Dennis Bos, Waarachtige volksvrienden: De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894, een forse stap terug. Bos stopt waar die vermaledijde sociaal-democraten, waarvan ook hij niet zo veel wil weten, een rol beginnen te spelen. Hoewel Bos in de jaren zeventig nog op de kleuterschool moet hebben gezeten, passen zijn onderwerpen in dat tijdvak van radicale geschiedschrijving.

Dat neemt niet weg dat Bos een waardevol boek heeft geschreven. Gedetailleerd en zeer leesbaar beschrijft hij de sociale, mentale en culturele wereld van de Amsterdamse socialisten in de tweede helft van de negentiende eeuw. Beginnend bij het handjevol Duitse kleermakers dat in 1848 socialistische propaganda bedreef, komt hij via allerlei initiatieven om het lot van werklieden te verbeteren uit bij de eerste vakbonden, de Internationale en de Sociaal-Democratische Bond. Met het door Clifford Geertz gemunte begrip thick description toont Bos dat het vroege socialisme niet zozeer een politieke partij was, als wel een sociaal netwerk annex «cultureel circuit» van mensen die een aantal samenhangende symbolen, rituelen en mentaliteit deelden. Deze socialistische «mikrokosmos», waarin zowel arbeiders als middenstanders een rol speelden, vormde de voedings bodem voor de veel bredere arbeidersbeweging die vanaf het eind van de negentiende eeuw ontstond. Het maatschappelijke en politieke moderniseringsproces van rond 1900 was er voor verantwoordelijk dat de sociaal-democraten deze arbeidersbeweging gingen domineren.

De sociaal-democratische geschiedschrijvers hebben het socialisme van voor 1894 altijd beschreven als de «oude beweging», een term die volgens Bos te denigrerend zou zijn. Het zou te veel associaties oproepen met iets dat achterhaald was. Toch wijkt het beeld dat hij oproept hier niet wezenlijk van af. Bovendien is zijn beschrijving van de opkomst van de SDAP niet minder denigrerend. Uiteindelijk zouden Troelstra, Vliegen, Schaper, Wibaut, Tak en anderen niet meer hebben gedaan dan gebruikmaken van de sociaal-economische mogelijkheden, en hierin bovendien zijn voorgegaan door links-liberale sociale hervormers. Het was flauw van de sociaal-democraten, die volgens Bos geen wortels hadden in het «heroïsche tijdvak» van voor 1894, dat zij de bruikbare elementen van de «oude beweging» annexeerden voor de eigen mythologie. Voor het gemak ziet Bos hierbij over het hoofd dat een niet onaanzienlijk deel van de SDAP-leiding wel degelijk al vanaf het begin van de jaren tachtig actief was in de SDB. Misschien hadden zij gewoon een aantal lessen uit dit verleden getrokken.